Ik was amper twintig toen ik mijn eerste baan in rolde. Een homo op een christelijke school, daar had ik, alleen al door de roerige tijd van zelfacceptatie, nog niet over nagedacht.

En ik vond weliswaar houvast aan mijn werk, maar datzelfde werk zorgde ervoor dat ik vijftien jaar lang steeds verder de kast in kroop, in plaats van eruit. De verschillende incidenten die plaatsvonden en het stilzwijgen van homoseksualiteit, versterkten bij mij het idee dat het vormen van repressie waren. Homo, (te) makkelijk gebruikt als stopwoord, maar kennelijk te moeilijk om als ‘zijn’ te accepteren, laat staan erover te spreken.

Op mijn school werd ik me ervan bewust dat het heel moeilijk is om een taboe te doorbreken. Het kan zelfs zeer gewaagd zijn, zo bleek uit de reacties op de recente reclamecampagne van Suitsupply. Zoenende mannen die in feite de schijnacceptatie van homoseksualiteit blootlegden. Maar haat en agressie zijn slechte wapens. Het beste wapen had Suitsupply met haar boodschap van liefde, vastgelegd met krachtige foto’s. Ik vind die foto’s kunst.

En kunst, dat is wat wij in handen hebben om moeilijke onderwerpen bespreekbaar te maken, om te laten zien dat iets er kan – en mag – zijn.