Archief – 2

Film remixen

Auteur: Vincent Hodde | Beeld: Moving picture age 1920, Internet Archive Book Images, CC 0 FLICKR

Imitatie van kunstwerken is van alle tijden. Eeuwenlang vormde kopiëren de basis van het kunstonderwijs. Oftewel: goed voorbeeld doet goed volgen. Is het anno 2023 überhaupt nog mogelijk om origineel te zijn? En willen we dat eigenlijk voor het onderwijs? Leren leerlingen juist niet het meest van imiteren?

Je zou kunnen zeggen dat alle hedendaagse kunst per definitie postmodern is. Elk kunstwerk reageert namelijk in meer of mindere mate op een specifieke stijlperiode, stroming of genre – bewust of onbewust, met of zonder een dosis ironie. In een multidisciplinaire kunstvorm als film is het zelfs bijna onvermijdelijk dat het werk aan imitatie of emulatie ontsnapt.

Film is als medium uitermate geschikt om leerlingen bewust te laten omgaan met vorm- en stijlkenmerken. In potentie draagt film verschillende kunstvormen in zich. Denk aan muziek, literatuur, fotografie, beeldende kunsten via de art direction en podiumkunsten zoals acteren en dans. Door de jaren heen zijn er bovendien opvattingen ontstaan over wat een kunstwerk/film goed maakt. Deze regels leert men in het onderwijs nog steeds toe te passen. Niet kopiëren of imiteren is dus eigenlijk een illusie. Vooral bij een complex medium als film is het een uitdaging om volledig origineel te zijn, voor zover dat dus mogelijk is.

Veel docenten vinden het lastig om een film te maken. Waar begin je als je wilt dat leerlingen zich een kunstvorm toe-eigenen waarmee zij meerdere disciplines met elk hun eigen ambacht laten samensmelten? Mijn antwoord op deze vraag: laat hen gebruikmaken van bestaand materiaal om daarmee artistieke expressie te geven aan hun belevingswereld, zoals in de volgende voorbeelden.

Montageworkshop remixen
In de creatieve montageworkshop Celluloid Remix van Eye Filmmuseum maken leerlingen een videoclip met oude filmfragmenten uit de Eye-filmcollectie. De beelden zijn 100 jaar oud, maar door slimme montagetrucs komen de beelden op een hele nieuwe manier tot leven. Iemand uit 1910 laten dansen op de muziek van nu? Het kan in de workshop Celluloid Remix. Door beelden te combineren en ze te bewerken (flippen, inkleuren, terugspoelen, opknippen) ontdekken leerlingen de kracht van montage. Bestaand historisch materiaal remixen maakt leerlingen bewust van het feit dat het cultureel erfgoed is. Ook worden ze zich bewust van hun eigen potentie en relevantie als (film)maker. De collectiespecialist van Eye selecteert namelijk jaarlijks een aantal remixen voor de collectie. Zo wordt het werk van leerlingen onderdeel van het Nederlandse filmerfgoed.

Wicked Arts Assignments
Wicked Arts Assignments (Heijnen & Bremmer, 2020) bevat in de sectie ‘remixen’ een opdracht waarmee bestaand online materiaal geremixt kan worden. Hergebruik van bestaand materiaal zorgt voor recontextualisatie en creatie van nieuwe betekenisgeving, zo benadrukken de samenstellers van dit boek. Een andere opdracht is een gezamenlijk kunstwerk te maken waarvan alle elementen gemaakt zijn door verschillende makers. In het maakproces is het van belang dat de makers alleen de gehele compositie bepalen en niet de individuele elementen. Dit voorkomt dat de makers zich laten beperken door hun eigen creatieve geest. Door bepaalde aspecten aan anderen over te laten ontstaat een nieuw creatief proces. Deze opdracht laat het idee van de auteurtheorie in film los. Volgens deze theorie is film het eindproduct van één individu (de regisseur). Remixen, of accepteren dat film een groepsproces is waarin meerdere creatieve geesten input leveren, legt de nadruk op het algehele creatieve proces en maakt duidelijk dat het maken van film in principe niet hoogdrempelig hoeft te zijn.

MEER WETEN?

Workshop Celluloid Remix van Eye Filmmuseum.   

Wicked Arts Assignments: Practising creativity in contemporary arts education, samengesteld door Emiel Heijnen en Melissa Bremmer.

Arts for Transformative Education: Seeking Survey Participants 

Author: Benjamin Bolden | Image: UN Sustainable Development Goals – Overview, Target 4, UNICEF, Still YouTube

UNESCO’s concept of transformative education unites education initiatives that advance peace, human rights, sustainable development and global citizenship. Transformative education addresses target 4.7 of the United Nations Agenda 2030 by encompassing Education for Sustainable Development, Global Citizenship Education, Heritage Education, Education for Health and Well-Being and other focused education priorities, recognizing that the issues they address are interconnected and mutually reinforcing.  

Transformative education involves teaching and learning – inside and outside schools and across the life-cycle – that inspire and empower people of all ages with the knowledge, skills, values and attitudes they need to fully develop their human potential. The arts have tremendous potential for enabling transformative education.  

To be transformative, education needs to spark deep learning that engages both cognitive and social emotional processes. It needs to provoke the dissonance and discomfort necessary to shift thinking and trigger action. The arts, with their capacity to activate emotion, are powerfully positioned to fuel transformative learning and propel action. Arts learning can integrate head, hand, and heart. 

At the core of UNESCO’s idea of transformative education is the overarching goal of building learners’ capacities and motivating them to take action for a more peaceful and sustainable world. The UN Sustainable Development Goals (SDGs) identify specifically what those actions need to address. Together, the SDGs indicate how we can achieve the sustainable development of our planet.  

Our research team is seeking the perspectives of teachers around the world to better understand how arts learning can support sustainable development. Please allow us to include your voice in articulating how arts education can contribute to education for a better world. 

 

Seeking Survey Participants: Arts Learning and UNESCO goals for Education 

· If you teach the arts, please follow this link

· 15-minute survey to build knowledge: how arts education can support UNESCO goals for education

· You may access the survey in English, French, or Spanish

· All arts educators are welcome, including generalist teachers who sometimes teach the arts

· Survey results will inform the training and support of teachers

 

With thanks, Dr. Benjamin Bolden, UNESCO Chair in Arts and Learning at Queen’s University, Canada

Vernieuwingsdrang of museumvariant

Auteur: Suzan Overmeer | Foto’s: Alex Schröder, via Koninklijk Conservatorium Den Haag

Jazzmuziek is onlosmakelijk verbonden met improvisatie: muziek die je als musicus ter plekke creëert. Tegelijkertijd bouwt jazz graag verder op bestaande muziek. Denk aan jazzstandards, van oorsprong liedjes uit Broadway-musicals die nog steeds een belangrijk onderdeel zijn van het repertoire van een jazzmusicus. Hoe verhouden creatie en imitatie zich tot elkaar in jazzmuziek en in de opleiding tot jazzmuzikant?

‘Jazz is makersmuziek’, zegt Bart Suèr. Suèr is hoofd van de jazzafdeling van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, saxofonist en eigenaar van Dox, een Nederlands muziekplatform dat gespecialiseerd is in jazz en aanverwante muzikale experimenten. ‘Maar jazzmuzikanten verhouden zich ook tot hun voorgangers, gaat hij verder. ‘Voorgangers worden gezien als inspiratie en als bron van muzikaliteit, techniek en zelfs van lifestyle.’

Bebop
Een mooi voorbeeld is bebop, een jazzstijl die ontstond in de jaren ’40 van de vorige eeuw, als een reactie op het idee van jazz als entertainment. ‘Zwarte muzikanten wilden serieus genomen worden. Bebop ageerde tegen jazzmuziek die gemaakt was om de witte mensen te pleasen. Het was complexe harmonische, ritmische en virtuoze muziek, niet bedoeld om op te dansen, maar om naar te luisteren. Voor het eerst werd jazz als kunstvorm gezien.’

Bebop werd vervolgens omarmd door de hele kunstenaarswereld; luisteren naar bebop werd geassocieerd met een intellectuele levensstijl.
Veel bekende bebop-artiesten werden iconen en voorbeelden voor jazzmuzikanten zoals Charlie Parker en John Coltrane. Generaties saxofonisten waren bezig hun solo’s uit te zoeken en na te spelen.
Suèr: ‘In mijn tijd was het Michael Brecker. Iedereen wilde zijn sound kopiëren. Eigenlijk heeft elke generatie zijn eigen helden, al is het nu diffuser en diverser. Dat heeft ook te maken met internet, alles is overal aanwezig en beschikbaar voor iedereen.’

Dynamisch proces
Kopiëren van andermans materiaal is essentieel voor een jazzmuzikant.
‘Solo’s naspelen geeft wat betreft techniek en muzikaliteit veel richting en diepgang. Imiteren moet je trouwens niet los zien van inspireren. Jonge muzikanten beginnen, heel intuïtief en vloeiend, met het zoeken en bepalen van wat ze mooi vinden. Ze imiteren niet als een computer waar je info invoert, er ontstaat een dynamisch proces van inspiratie en imitatie. Juist de inspiratie is cruciaal, die zegt iets over de drang van het individu om iets te laten horen. Daarom moet een student die jazz studeert telkens worden gevraagd wat zij/hij voor ogen heeft, zodat er ruimte komt voor groei. Vroeger moest je eerst alles van anderen leren om daarna te kijken wat je er zelf mee kon. Nu beginnen we met de vraag ‘wat houdt jou bezig, wat is jouw verhaal’?’

Museumvariant
Suèr: ‘Waar nieuwe kunstvormen ontstaan, is popmuziek aanwezig. Popmuziek is verbonden met sociale groeperingen en maatschappelijke ontwikkelingen. Jazzmuziek volgt als een soort artistieke echo. Popmuziek levert het basismateriaal op om op te improviseren. De liedjes uit de Broadway-musicals waren in die tijd ‘de popmuziek’, Miles Davis improviseerde bijvoorbeeld over liedjes uit de jaren ’80, denk aan Human Nature van Michael Jackson.’

Er is echter ook een soort ‘museumvariant’ ontstaan, een die terugvalt op de standards en het repertoire van de jazz-iconen uit de vorige eeuw. Conservatoria zitten daar soms een beetje in gevangen. Standards blijven op het repertoire staan, bij de toelating en in de opleiding zelf. Dat heeft mede te maken met een bepaalde opvatting over jazzmuziek, namelijk de focus op harmonie. Suèr: ‘Veel liedjes uit Real Books (boeken waarin de jazzstandards staan genoteerd, red.) hebben uitdagende akkoordprogressies, waar jazzmusici over soleren. In de popmuziek van nu is de nadruk op akkoorden zo langzamerhand uitgegumd, en daarom wordt die muziek door conservatoria soms gezien als ‘niet interessante muziek’. Dat is zonde, want in wezen zou je eigenlijk telkens nieuwe Real Books kunnen samenstellen met actuele hits. In die van nu zouden dan bijvoorbeeld de songs van Adele, van Amy Winehouse of Billie Eilish kunnen staan.’

Hiphop en studio’s
Suèr meent dat hiphop nu de belangrijkste muziekcultuur is. ‘Hiphop is meer dan muziek, het is cultuur, het is sport, het is urban. Hiphop is bepalend geweest voor de kunstwereld van de afgelopen jaren. Er zijn directe lijnen tussen jazzmuziek en hiphop; ze zijn beide uit de zwarte muziektraditie ontstaan.’ Hij wordt steeds enthousiaster: ‘Het is kenmerkend én van een grote schoonheid dat men in de zwarte muziektraditie aan de haal gaat met wat er voorhanden is. Denk aan de wasborden, die vroeger in jazz werden gebruikt als ritme-instrument. Later gebruikten dj’s hun draaitafel als percussie-instrument. Hiphoppers werken met samples en muzieksoftware, hun instrument is de laptop en de studio. De creatieve plekken van nu zijn studio’s en daar moet in het curriculum van de jazzopleiding aandacht aan worden geschonken.’

Niet als standaardrepertoire
Jazz is niet veel meer te horen en jazzpodia zijn schaars geworden in Nederland. ‘Jazz is op dit moment een ware subcultuur, weinig aanwezig in de reguliere media en in de programmering van concerten’, beaamt Suèr. ‘Jazz moet via vrienden of docenten op je pad komen, het wordt je niet als vanzelfsprekend aangereikt. Studenten die jazz studeren hebben een nieuwsgierige houding en gaan voor hun droom. We benadrukken in de opleiding dan ook telkens dat wat zij met hun muziek willen vertellen, telt. Imiteren kan daar een deel vanuit maken, maar moet niet als standaardrepertoire worden opgedrongen.’

De Tas (1)

van een muziekdocent

Auteur: Suzan Overmeer | Collage: Lennie Steenbeek

Dag in dag uit gaan kunstvakdocenten op pad met hun tas. Duurzame, kleurrijke,  designer must-haves en oude versleten, maar wat zit er eigenlijk in? En wat zegt die inhoud over de eigenaar? In het eerste deel van deze serie kijken we in de tas van een muziekdocent.

Een accordeon. Een set boomwhackers en een complete saxofoonfamilie. Deze tassen zijn onmiskenbaar van een muziekdocent. Ze worden vergezeld van een overvolle laptoptas, waarin onder andere een doosje met hoofdtelefoon verloopstukjes, een cd-/Dvd-speler met USB-aansluiting, drie stuks bedrade oortelefoons, notenpapier, een stemvork.

Deze jonge muziekdocent lijkt op alles voorbereid, zelfs op pech met de auto. Hij is op weg naar twee basisscholen, waar hij in alle klassen lesgeeft. Direct daarna gaat hij door naar een derde school om een naschoolse muziekcursus te geven. Tussen de bedrijven door bereidt hij repetities voor; hij dirigeert twee harmonieorkesten en een koor.

Speciaal voor vandaag zit er een dikke envelop in de laptoptas. Die is gevuld met boomblaadjes, geknipt van gekleurd papier. Ze zijn bedoeld voor de lessen aan de kleuters, die vandaag les hebben over de herfst. De kinderen houden de blaadjes vast tot de wind erlangs waait, dan laten ze ze op de grond dwarrelen. Hij heeft er zelf een lied bij geschreven.

Ik stel een hem gewetensvraag: Ben je weleens wat vergeten? Het klinkt misschien wel raar, zegt hij, maar ik ben nog nooit iets vergeten. In mijn tas zitten wel allerlei spullen die ik lang niet altijd gebruik. Toch heb ik ze bij me, ‘voor het geval dat’. Voordat ik vertrek, loop ik mijn lijstje met benodigdheden voor de dag nog even na. Er zit maar één ding in dat ik eigenlijk nooit gebruik, dat is een setje gekleurde pennen. Maar dat laat ik nu maar gewoon zitten.

Er zit ook een puzzelboekje in zijn tas. Gebruikt hij dat in de les?
Nee, dat is voor eigen gebruik. Het gebeurt niet vaak, maar als hij echt niet meer weet wat hij moet doen, dan maakt hij een puzzeltje. Een tijdje geleden had hij een keer autopech en moest lang wachten. Toen was hij erg blij met dat boekje.

Is er iets dat onmisbaar is in die tas? Hij antwoordt direct: zijn USB-sticks. Daar staat bijna al het lesmateriaal op dat hij op het Digibord zet. Hij heeft ook een paar reserve-exemplaren met dezelfde bestanden, zodat hij altijd iets bij zich heeft als hij er een vergeet.
Ik zei het toch? Deze muziekdocent is werkelijk op alles voorbereid.

KZ01/23

Copy-paste met credits

Tekst jatten voor een nieuw verhaal

Auteur: Pien School | Beeld: Atypical NETFLIX (detail), L. V. Pchagas 

Leerlingen zijn zich niet altijd bewust van intellectueel eigendom en kunnen creaties van anderen dan ook argeloos gebruiken, zonder toestemming van de oorspronkelijke maker. Als ze dat doen, wil dat echter niet zeggen dat ze het effect van ‘hergebruik’ onderschatten.

‘Mijn docent zei dat het oké is om tekst te ‘jatten’ voor een voorstelling. In de voorstelling die ik voor mijn profielwerkstuk maakte, heb ik veel verschillende bronnen gebruikt en soms ook letterlijk teksten overgenomen’, vertelt Brecht Bonnet. Brecht is 17 jaar en deed eindexamen aan het Spinoza20first (Amsterdam). Ze volgt nu de vooropleiding theater op Theaterschool Zone 1380 in Weesp.

Beter goed gejat
De voorstelling Leven op het spectrum is een monoloog. Brecht beoogt ermee dat het publiek ervaart wat het is om autistisch te zijn. Ze maakte daarbij gebruik van kunst die ze ergens eerder had gezien en ervaren. De vorm van bepaalde scènes keek ze af bij cabaretiers en kleinkunstenaars, ze gebruikte teksten en muziek van onder anderen David Bowie en The Strokes. De slotscène, waarin het personage uit zijn dagboek voorleest, is gebaseerd op haar eigen dagboeken en die van de acteur, om zo dicht mogelijk bij het echte leven en de kwetsbaarheid ervan te komen.
Brecht vertelt dat het karakter van de autistische jongen uit de voorstelling ook gejat is uit een serie. In de regieaanwijzingen verwees ze expliciet naar de bron. ‘Ik zei tegen de acteur: Ken je die jongen uit de Netflixserie Atypical? Doe zoals die jongen. (Atypical is een comedyserie over de 18-jarige autistische Sam, een wandelende zuidpoolencyclopedie, red.).’

Voor het onderzoeksgedeelte van het profielwerkstuk interviewde ze autistische jongeren om zo inzicht te krijgen in hun belevingswereld. ‘Sommige zinnen uit die interviews heb ik letterlijk in de voorstelling gebruikt. Dat zie ik niet als jatten, maar als deel van het maken van kunst. Kunst bestaat al heel lang en er is al zoveel gemaakt, dat je bijna niet meer echt origineel kan zijn.’

Lees het hele artikel in KZ01/23

De verkleedkist maakt het verschil

Auteur: Pien School | Beeld: Leerlingen Hyperion Lyceum (Amsterdam) naar Almerisa (1994) Rineke Dijkstra en Rodrigue voor Pepe Jeans (2018) Ernesto Artillo

Zes leerlingen van het Hyperion Lyceum in Amsterdam krijgen de opdracht om een foto te maken die is geïnspireerd op een bestaand kunstwerk. Wat is voor hen het verschil tussen inspireren en jatten? En is dat eigenlijk belangrijk?

‘We hebben ons bij het maken erg laten inspireren door de attributen om ons heen. Eerdere versies van de foto zijn veel dramatischer, met maskers, uitgekraste ogen en een post-apocalyptische sfeer. We zijn echt door vijfmiljoen verschillende outfits gegaan.’

De foto die ze uiteindelijk maken, is geïnspireerd door de serie Almerisa (1994) van Rineke Dijkstra en Rodrigue voor Pepe Jeans SS18 (The Art of Identity, 2018) van Ernesto Artillo. De stoel in het werk is bijvoorbeeld afkomstig uit het werk van Dijkstra, het licht-donker contrast tussen de figuur op de voorgrond en de omstanders is geïnspireerd op het werk van Artillo. Beide werken lieten de leerlingen nadenken over identiteit, je ‘anders’ voordoen of juist hetzelfde als de anderen.

Spelen met stereotypen
De drie staande figuren representeren een bepaalde gelijkenis, hetzelfde zijn, terwijl de zittende figuur met de bloemenjurk juist een persoon als zichzelf, zonder ‘masker’, representeert. De donkere figuren omringen de zittende figuur, sluiten haar in. De rustende handen zijn daarom extra boeiend, ze kunnen worden geïnterpreteerd als een soort vriendschappelijk contact, maar lijken tegelijkertijd ook paternalistisch.

‘We wilden ook spelen met het stereotype van het zwarte schaap in de familie. Vaak heb je families waar iedereen blij is, maar er is ook altijd iemand die anders is of boos. We wilden dat omdraaien. Dit is een soort familie van mensen die allemaal boos en donker zijn, met één iemand die juist heel blij is. Het was niet onze bedoeling de foto’s zo precies mogelijk na te maken. Je wil uiteindelijk iets maken dat van jezelf is, origineel is. Het kan waarde hebben om iets zo precies mogelijk na te maken, wanneer je bijvoorbeeld een bepaalde techniek wil leren, maar dat kun je dan niet presenteren als je eigen kunst.’

De leerlingen lieten de kunstwerken waar ze zich op baseerden steeds verder achter zich toen de verkleedkist werd geopend. ‘We waren de hele tijd bezig met andere kostuums en hebben zoveel plezier gehad in het verkleden, dat we er helemaal door werden meegesleept. Dat proces en de lol hebben uiteindelijk veel invloed gehad op de foto.’

De foto is gemaakt door Laura van Bommel, Sophie Sciarone, Leffe Determeijer, Tiago van Hoof, Juul van Assen en Lyvvy de Cocq in het schooljaar 2021-2022, toen zij in vwo 4 zaten.

KZ01/23

De canon van Rop

Echte romantiek

Voor elk nummer van Kunstzone kiest Jeroen Rop een kunstwerk uit waar hij de ogen van de lezer voor wil openen

Auteur: Jeroen Rop | Bruin potje op een oud stoofje Anton Pieck 1906 (met dank aan het Anton Pieck Museum)

Hoewel ik zelden een pretpark bezoek ben ik zo iemand die op feestjes zinloze feiten over attracties en hun geschiedenis kan opdreunen. Niemand heeft daar iets aan. Ik ook niet. Toch weet ik me gesteund in deze nutteloze obsessie door bijvoorbeeld de website Eftepedia, een gedetailleerd en informatief naslagwerk over de Efteling. Van alle podcasts over pretparken kan ik Ochtend in Pretparkland aanbevelen. Binnen het genre een juweel van een podcast waarin redacteur Erwin Taets regelmatig door diezelfde Efteling wandelt terwijl hij de luisteraar volpropt met informatie.

Die specifieke Eftelingaandacht uit verschillende hoeken is begrijpelijk: er zijn zo ik weet weinig themaparken waar vormgeving, storytelling en aandacht voor detail zo doordacht samengaan als in Kaatsheuvel. Voor ontwerpers Peter Reijnders en Ton van de Ven heb ik grote bewondering, terwijl ik met schilder en illustrator Anton Pieck – de sprookjesbosmeester zelf – een stuk meer moeite heb. Begrijp me goed, zonder Pieck geen Efteling. Zijn tekenstijl, zo kenmerkend nostalgisch, bepaalt ook bijna vijftig jaar na zijn afscheid de sfeer in het park. Maar Piecks illustraties en prentkunst worden door velen als romantisch bestempeld. Hoewel dat logisch lijkt, ga ik juist daar vol in de remmen. Het klopt naar mijn gevoel niet. De negentiende-eeuwse Romantische schilderkunst behandelt weliswaar thema’s als nostalgie maar de invulling van dat verlangen naar een al dan niet verzonnen verleden steekt anders in elkaar. Waar de nostalgie van Pieck als een zware walm tussen de scheefgezakte huisjes en dichtgesneeuwde straten hangt, voert de melancholie van de Romantiek dieper. Pieck sleurt ons op een verplichtende manier zijn fictieve wereld in: we kunnen geen kant op met onze eigen ideeën. Dat doet een romantisch schilder als Caspar David Friedrich niet. Die laat ons terloops iets voelen. Zijn natuur is onheilspellend. Bezield.

Het schilderij dat we hier zien raakt me plots wel. Een stilleven met wat spullen op tafel. Een heel brood, nog wat ongemakkelijk zwevend tegen een bord. De koperen theepot met emaille warmhouder, hoe aardig uitgewerkt ook, kan me niet veel schelen. Het is dat raam. Het licht dat binnenkomt maakt van het venster een paar ondoordringbare vlakken. Toch gebeurt daar, in die ogenschijnlijke leegte, alles. Daar zindert iets onbestemds. In alle stilte een ondefinieerbare spanning. Ik kan het licht voelen, aanraken. Dit stilleven is geschilderd door de elfjarige Anton Pieck. Hij won er vijf tubes waterverf mee.
Alsjeblieft. Dat is weer zo’n feitje dat je op een feestje kunt vertellen.

KZ01/23

Copyright en kopieerplicht

Over imitatie en originaliteit in de schilderkunst

Auteur: Paul van den Akker | Afbeelding 1. Bronzino De Heilige Familie met Sint Johannes (Panciatichi Madonna) (1538-40) Olieverf op paneel, 117 x 89 cm, Galleria degli Uffizi, Florence https://fotoinventari.uffizi.it/it/ricerca – Afbeelding 2. Frans Franciscus Holy Family (After Bronzino) (2001) Olieverf op doek, 70 x 50 cm, Gemeentemuseum Helmond 

Imitatie van kunstwerken is van alle tijden. Eeuwenlang vormde het kopiëren de basis van het kunstonderwijs. Ook volleerde kunstenaars waren gewoon andermans werk als uitgangspunt te nemen, maar vanaf de renaissance vooral om ermee in competitie te treden. Dit artikel vertelt over imitatie, emulatie, originaliteit en reproductie in de oude kunst en over de terugkeer ervan in de hedendaagse kunst.

De 19e-eeuwse Franse schilder Lecoq hield er eigenzinnige opvattingen over het kunstonderwijs op na. Opgeleid aan de École des Beaux-Arts in Parijs kreeg hij in 1841 op negenendertigjarige leeftijd een aanstelling als docent bij een van de afdelingen van deze opleiding, de zogenaamde Kleine School. Of Lecoq een goede tekenaar of schilder was, valt moeilijk te beoordelen. Er zijn slechts een paar werken van hem overgeleverd, wat voornamelijk aan Lecoq zelf te wijten valt. Ervan overtuigd dat je studenten met het oog op hun artistieke ontwikkeling beter niet kunt confronteren met het werk van hun leermeester, had hij besloten nooit in hun bijzijn te werken, nergens te exposeren en uiteindelijk het schilderen helemaal op te geven.
Een oud-student karakteriseerde hem in een necrologie als een leermeester die zijn pupillen ‘niet wilde blootstellen aan de verleiding om zijn manier te imiteren’. Want, zo citeert hij Lecoq, ‘hoe onpersoonlijker [een docent] zich weet te presenteren, hoe beter hij hun persoonlijkheid zal waarborgen’. Met dit standpunt verzette Lecoq de koers van zijn loopbaan. Tegelijk was het een pleidooi om te breken met een belangrijk uitgangspunt van de academische kunstopleidingen, die sinds de 16e eeuw in West-Europa waren opgericht. En een breuk met de nog oudere onderwijspraktijk op kunstenaarsateliers, waar leerlingen juist door middel van imitatie het vak leerden.

Lees het hele artikel in KZ01/23

Aanbod kunstzinnige oriëntatie

Auteur: Folkert Haanstra | Beeld: Grootouders Folkert Haanstra

Onder regie van de Inspectie van het Onderwijs vindt in schooljaar 2024/2025 weer een peiling plaats van het onderwijsniveau van kunstzinnige oriëntatie. Dit periodiek onderzoek moet twee vragen beantwoorden: Welke kennis en vaardigheden hebben leerlingen in groep 8 en hoe ziet het aanbod van scholen er uit? Dit artikel gaat over welke vragen je over het aanbod zou moeten stellen.

In 2015/2016 vond de vorige peiling kunstzinnige oriëntatie plaats (Inspectie van het Onderwijs, 2016). 132 scholen vulden een vragenlijst in over kenmerken van hun aanbod en leerlingen van die scholen maakten opgaven op het gebied van beeldende kunst, dans, drama/theater en muziek. Het ging daarbij zowel om maken als beschouwen. Na publicatie van de peiling besteedden media veel aandacht aan de uitkomst dat het niveau van tekenen achteruit was gegaan vergeleken met de vorige peiling in 1996/1997. Er ontstond discussie over de vraag of het niveau echt achteruit was gegaan (waren de opgaven en manier van beoordelen wel juist?) en zo ja, wat de oorzaken van de teruggang konden zijn (Haanstra, 2020).

Geen samenhang
Wat veel minder aandacht kreeg was dat er vrijwel geen relaties waren tussen de gemeten kennis en vaardigheden op kunstzinnig gebied en de gemeten kenmerken van het onderwijsaanbod. Leerlingkenmerken zoals sekse, verwacht onderwijsniveau na de brugklas en vrijetijdsactiviteiten op het gebied van kunst en cultuur (voor de school niet beïnvloedbare factoren) bleken wel samenhang te vertonen met leeruitkomsten.
Een sombere conclusie over het vrijwel ontbreken van samenhang tussen gemeten schoolkenmerken en leerprestaties kan zijn dat het onderwijs in kunstzinnige oriëntatie er niet veel toe doet en dat de achtergrondkenmerken van leerlingen kennis en vaardigheden bepalen. Dat zal tot op zekere hoogte het geval zijn, maar daarnaast kan het aanbod van scholen onvoldoende in kaart zijn gebracht. De gemeten kenmerken moeten dan anders of uitgebreider worden bevraagd en misschien ontbraken bepaalde factoren in de vragenlijst over het aanbod.

Om bij de komende peiling te helpen bij het stellen van de goede vragen over factoren van het onderwijsaanbod die de leerprestaties beïnvloeden is binnen het lectoraat Kunsteducatie van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten een uitgebreide literatuurstudie verricht. Centrale vraagstelling van de studie is: Wat is er bekend over onderwijsfactoren in relatie tot leerprestaties op het gebied van kunstzinnige oriëntatie in (het einde van) het primair onderwijs?

Lees het hele artikel in KZ01/23

INHOUD KZ01//2023

 

THEMA: NAMAAK OF ZELFBEDACHT
19 Intro Namaak of zelfbedacht
20 Copyright en kopieerplicht Over imitatie en originaliteit in de schilderkunst
26 A slice of (real?) life Over traditie en innovatie in de theaterles
29 De lucht tussen je kleren jatten, hoe doe je dat?
30 Stravinsky met soul ‘Een tijdloos verhaal over verleiding, teleurstelling en de duivel’
33 De verkleedkist maakt het verschil
36 Doe maar (net niet) na! Kunstwerken als mede-docent
40 Copy-paste met credits Tekst jatten voor een nieuw verhaal
43 Inspiratiebronnen en voorbeelden in de beeldende vakken en muziek
46 Niets is werkelijk origineel

ALGEMEEN
08 Schep ruimte! De tool Ruimte en de gezamenlijke ontwikkeling van cultuureducatie in leergemeenschappen
12 In de huid van Bach
14 Kunstdocenten in de basisschool Een eersteklas oplossing voor het lerarentekort?
16 Aanbod kunstzinnige oriëntatie
48 Nieuwe structuur kunstvakken Advies voor beweging in de bovenbouw
52 Enthousiasme, klooien en leren Rotterdamse leercommunity voor technologie in muziekonderwijs
55 De kunst van betekenisvol ontwerp Een competitie die de expertise van toekomstige kunstdocenten als educatief ontwerpers zichtbaar maakt
58 De tas (1)

RUBRIEKEN & COLUMNS
03 Redactioneel
06 Beeldreportage Esther Bruggink
13 Jonge Kunstbelevers Milan van Boxtel
24 Beeldreportage Jan van de Wiel
28 De Canon van Rop Echte romantiek
34 Centerfold Ifi Liu
42 Buitenblik Loes Faber
50 Weerwerk De Stem van de Burger
54 Van Gerwen denkt door De wanhoop nabij
59 De stagiair(e) Elias Cafmeyer
60 Beeldreportage Dood Paard
62 Achter de schermen
64 Cultuurbarbaar
66 Lidstaat & Helpdesk VLS/VONKC
67 Colofon

CSE’s kunstvakken 2022 … verder in beeld

Auteurs: Annick van Beukering, Hugo Gitsels, Henriëtte Heezen, Marieke Kraft & Peter Schoenmakers | Beeld: The Color Inside, James Turrell, 2013

Dit artikel sluit aan bij het artikel over de centrale examens 2022 in de kunstvakken op het vmbo zoals dat te lezen is in Kunstzone 06 (pag. 56). Het bestaat uit twee delen en is te downloaden via de link onderaan dit stuk.

In het eerste deel wordt een beeld geschetst van de tijdvakken en de normering, vervolgens worden de cijfers kunstvak-examens gepresenteerd (alle niveaus), dat wil zeggen aantallen scholen, aantallen kandidaten, examenresultaten en de waardering van de examens door docenten. In het tweede deel wordt de inhoud van de centrale examens 2022 voor h/v muziek, h/v kunst, h/v tehatex besproken. We lichten er voor de verschillende vakken enkele bijzonderheden uit, zoals de moeilijkste vraag, de vraag die het beste onderscheid weet te maken tussen vaardige en minder vaardige kandidaten, de vraag die het landelijke nieuws haalde en de vraag die leidde tot kritische opmerkingen via de Examenlijn.

Annick van Beukering, Hugo Gitsels, Henriëtte Heezen, Marieke Kraft en Peter Schoenmakers zijn werkzaam bij de Divisie CTE, stichting Cito.

https://kunstzone.nl/wp-content/uploads/WEB_CSEs-kunstvakken-2022_Artikel.pdf 

Misdaadfotografie in de kunstles

Auteurs: Annemée Dik & Richie Walker | Beeld: Resultaat moordopdracht

Fotografie is een relatief nieuw medium in de kunstles. Docenten denken vaak onterecht dat ze veel technische kennis moeten hebben voordat ze met fotografie aan de slag kunnen in hun les. Wij ontwikkelden met ludodidactiek een les waarmee leerlingen leren over fotografische perspectieven, die ze meteen kunnen toepassen.

We maakten deze les voor het vak vakdidactiek van de deeltijdopleiding van de Breitner Academie. Onze opdracht was een les of oefening te maken in een bepaalde educatieve stroming, van vrije expressie tot ArtScience.

Ludodidactiek
Wij kozen voor ludodidactiek, een stroming uit het beeldend onderwijs waarin je spelenderwijs leert. Ludodidactiek is niet hetzelfde als gamification, al gaat het bij beide begrippen om de toepassing van spelprincipes (Renger & Valk, 2020). Ludodidactiek vervangt het leerdoel door een of meerdere speldoelen. In een ludodidactische les leren leerlingen in een spel en fungeert de leraar als spelleider. Het begrip ludodidactiek bestaat sinds 2016. Docenten die zich willen bekwamen in ludodidactiek kunnen terecht bij HKU, Hogeschool voor de Kunsten Utrecht.

Lesontwerp
Bij het ontwerp van de les lieten we ons inspireren door de lugubere misdaadfotografie van freelance fotojournalist Weegee (1899-1968). Het foute karakter en het harde contrast van de zwart-witfoto’s sprak ons aan. We bedachten de les met behulp van het Playful Design Canvas, een schema met de belangrijkste elementen van het spel, zoals context, visualisatie, en begin, verloop en eind van het spel.

In ons spel werken de leerlingen voor een detectivebureau dat dreigt failliet gaat. De enige manier om het bureau van de ondergang te redden is door misdaadfoto’s te vervalsen. Leerlingen creëren hun eigen spannende verhaal door foto’s in scène te zetten. Uit ervaring weten we dat leerlingen dit kunnen: ze weten hoe een spannende sfeer eruitziet en hoe ze deze moeten verbeelden met beeldtaal die ze kennen uit boeken, series, films of spelletjes.

Spelverloop
Leerlingen kunnen punten verdienen, in het spel subsidie genaamd, door foto’s te maken van bepaalde voorwerpen en daarbij fotografische begrippen toe te passen, zoals perspectief en contrast. De leerlingen krijgen de opdracht om binnen een korte tijd (10 à 15 minuten) 40 punten te verzamelen in maximaal twee foto’s. In het Boek der foto subsidie vervalsingen staan de punten die de leerlingen kunnen verdienen.

Het spel is zo ontworpen dat het makkelijk is uit te breiden naar het niveau van de leerling. Docenten kunnen ook zelf punten toevoegen voor andere fotografische begrippen. Wil je de leerlingen een serie laten maken? Pas het aantal foto’s en punten aan.

We hebben de opdracht meerdere keren uitgetest, ook bij het vak fotografie op een middelbare school waar Annemée lesgaf. Daar werd het door de brugklassers als een van de leukste fotografielessen van het jaar gezien.

Annemée Dik is fotograaf en geeft les op het Cartesius Lyceum in Amsterdam.
Richie Walker is illustrator en geeft les op Spinoza20first in Amsterdam.
Renger, W-J.  & Valk, R. (2020). Ludodidactiek: Spelen terwijl je leert. Van twaalf tot achttien, 30(9), 14-16.

 

‘Ik blijf zoeken naar inspiratie’

Auteur: Lisa van Bennekom | Foto: Lisa van Bennekom

Bij het tienjarig bestaan van de master Kunsteducatie in 2017 interviewde ik Wendy Viel, alumna van de master Kunsteducatie (Hanzehogeschool Groningen). Nu de opleiding vijftien jaar bestaat, blikken we samen terug. Hoe is het haar de afgelopen jaren vergaan?

 Toen we elkaar vijf jaar geleden spraken, werkte je als vakdocent drama op een vmbo-school, was je cultuurcoördinator, freelance regisseuse en speldocent op de Jeugdtheaterschool in Leeuwarden. Je drive om je steeds te blijven ontwikkelen viel tijdens dat gesprek op en ik ben benieuwd waar je nu werkt.
‘Ik geef nog steeds theaterlessen op die middelbare school, maar alleen nog in de bovenbouw. Daarnaast ben ik hoofd Educatie bij Meeuw Jonge Theatermakers. In die functie geef ik leiding aan Meeuw jonge onderzoekers. Leerlingen van scholen die ons bezoeken gaan – voorafgaand aan de voorstelling – tijdens workshops met ons op onderzoek uit. Er worden dan actieve filosofische gesprekken gevoerd, waarin we het thema van de voorstelling uitpluizen en onderzoeken, bijvoorbeeld in de vorm van een spel. Bij Meeuw werken we met jonge acteurs en we willen dat de voorstelling voor hen én voor het publiek een fijne ervaring is. Het werkt goed om dan als publiek eerst te onderzoeken hoe je je tot de voorstelling verhoudt, zodat je je ermee kunt verbinden.

Sinds kort ben ik ook educatiemaker bij het Jonge Harten Festival. Dat festival programmeert theater voor jonge mensen en ik denk na over de vraag hoe we jongeren de zaal in krijgen, hoe het voor hen een toffe ervaring wordt.’

Vijf jaar geleden had je de wens om ooit les te geven op een hbo-opleiding en zelfs de ambitie om een eigen school op te richten, een school waar leerlingen op nieuwe manieren leren.
‘De wens om een nieuwe school op te richten heb ik niet meer. Binnen ons huidige onderwijssysteem loop je dan al snel tegen een muur.
De drive om me te blijven ontwikkelen heb ik nog steeds. Ik blijf altijd zoeken naar nieuwe inspiratie en mensen om mee samen te werken.
Dat laatste doe ik bijvoorbeeld met de opleiding Docent Theater van NHL Hogeschool. Ik beoordeel voor deze opleiding afstudeervoorstellingen- en onderzoeken, en bij Meeuw begeleid ik stagiaires uit het hbo.
Toekomstige theaterdocenten komen nog niet altijd in aanraking met jonge acteurs, zoals bij de talentopleiding Meeuw. Ik geef studenten trainingen in hoe ze kunnen werken met deze talenten, die alles kunnen doen wat je van hen als theaterdocent wilt. Wat zet je dan in om ze verder te helpen?’

Je was destijds cultuurcoördinator maar had het gevoel dat je als jonge docente voor deze functie nog het vertrouwen van je collega’s moest winnen. Hoe is dat nu?
‘Terugkijkend was dat iets wat in mezelf zat. Het waren mijn gedachten over hoe mensen naar mij keken. Ik heb mezelf daardoor kleiner gemaakt. Dat is iets wat ik nu zeker niet meer doe. Met leeftijd en ervaring komt ook het besef dat je geen junior meer bent. Ik heb nu wel wat te melden, weet ik.’

Denk je nog weleens aan je tijd bij de master Kunsteducatie?
‘Ik denk nog weleens aan de master als ik aan het schrijven ben, een jaarverslag of subsidieaanvraag bijvoorbeeld. Dan hoor ik de docent die mijn scriptie van commentaar voorzag in mijn hoofd. ‘Kan het concreter? Schrijf heldere taal!’ Ondanks dat het pittig was om de studie te volgen naast mijn werk, ben ik ben nog steeds blij dat ik het gedaan heb. Ik had destijds de behoefte om de noodzaak van mijn vak beter te leren onderbouwen. Die woorden vinden hebben me veel zekerheid gegeven.’

INHOUD KZ06//2022

 

THEMA
19 Intro Zeven meesterproeven
20 Onderzoekend in de onderwijspraktijk
23 Minecrafting the curriculum
28 Leerkracht van betekenis Kunstonderwijs op de basisschool
31 Spelen is ook leren Kunsteducatie biedt speelruimte
36 Met kunst het algoritme bevragen
40 Verbindend en transdisciplinair in het mbo
44 Wie ben jij als docent?

ALGEMEEN
08 Muziekscholen weer naar majeur? Heeft muziek in ons land nog wel toekomst?
12 Samenwerken met je idool
14 Ode aan de Twijfel Kunstenaars, filosofen en vakdocenten brengen met jongeren een Ode aan de Twijfel
16 Terug- en vooruitblikken Masteropleidingen Kunsteducatie reflecteren
48 Wat vinden onze lezers ervan? Rapportage lezersonderzoek Kunstzone
52 Een bezem door je taalgebruik
55 Onvergetelijk Museumbezoek voor mensen met dementie
56 CSE’s kunstvakken vmbo 2022
60 Muziekdocent 2022 Tineke van Dijk

RUBRIEKEN & COLUMNS
03 Redactioneel
06 Beeldreportage WHO CARES
13 Jonge Kunstbelevers Megan Lehmann
26 Beeldreportage Regelcircus
34 Centerfold Esther Kroezen
39 De Canon van Rop Berlage in Usquert
43 Buitenblik Dorothee van Kammen
50 Weerwerk Lisa Calmer
54 Van Gerwen denkt door Kunst, goed leven en internet
58 Beeldreportage Aimee de Jongh
61 De stagiair(e) Sylvain Houben
62 Achter de schermen
64 Cultuurbarbaar
66 Lidstaat & Helpdesk VLS/VONKC
67 Colofon

Leerkracht van betekenis

Kunstonderwijs op de basisschool

Auteurs: Suzanne Zandstra & Michel Hogenes | Beeld: Meester van de toekomst Leerling groep 7 Hilversumse Schoolvereniging. Linosnede 12 x 18 cm

Er ligt veel op het bordje van de groepsleerkracht, waaronder ook het geven van betekenisvol kunstonderwijs. Suzanne Zandstra (2022) deed onderzoek naar wat leerkrachten nodig hebben om dit te kunnen doen. Zij zijn namelijk degenen die leerlingen dat betekenisvolle kunstonderwijs moeten geven waar ze recht op hebben.

De plek waar alle kinderen, ongeacht hun culturele of sociaaleconomische achtergrond terecht komen, is het funderend onderwijs, dat wil zeggen het basis- en voortgezet onderwijs. En om al die kinderen te bereiken zouden alle kunstdisciplines daar op een goede manier moeten worden aangeboden.

Slimme manieren zoeken
In de basisschool worden de kunstdisciplines door verschillende professionals gegeven. Er is de groepsleerkracht, opgeleid aan een pabo,  de vakspecialist, dat wil zeggen een groepsleerkracht die een post-hbo-opleiding ‘vakspecialist’ in een van de kunstdisciplines heeft gevolgd op de pabo, en de vakleerkracht, dat wil zeggen een kunstdocent die een hbo-kunstvakopleiding in een kunstdiscipline heeft gevolgd. In alle gevallen gaat het om professionals die kritisch moeten nadenken over de invulling van kunstonderwijs.

Op een kwart van de basisscholen in Nederland geeft een vakleerkracht les (Inspectie van het Onderwijs, 2017). Uit dezelfde rapportage blijkt dat op 8,3% van de scholen een vakleerkracht muziek werkzaam is. Scholen besteden gemiddeld de meeste tijd aan beeldende activiteiten, namelijk 65 minuten, gevolgd door muziek (31 minuten) en drama (17 minuten).
Er is echter een grote variatie tussen scholen te zien. Leerkrachten en schoolleiders lopen bij de wens om meer kunstonderwijs te verzorgen tegen het probleem aan dat méér niet altijd mogelijk is.
Veel kwesties die in de maatschappij spelen, worden op het bordje van het onderwijs gelegd. Het is daarom van belang te kijken hoe we niet alleen meer kunstonderwijs in de klas kunnen realiseren, maar ook hoe we de kunstdisciplines op een slimmere manier een plaats kunnen geven.
Een voorbeeld daarvan is de – al langere – aandacht voor samenhang tussen de kunstdisciplines en andere vak- en vormingsgebieden (zie o.a. Gresnigt, 2021). Door vak- en vormingsgebieden in samenhang aan te bieden, ontstaan onderwijseenheden die betekenisvoller voor kinderen zouden zijn dan losse, opzichzelfstaande lessen en activiteiten.
Van Sprang (2021) voerde een onderzoek uit naar de meerwaarde van het in samenhang aanbieden van wereldoriëntatie en theaterlessen; de uitkomst was veelbelovend. De theaterlessen waren een vorm van ‘creative meaning making’, met als doel kinderen meer grip te laten krijgen op de aangeboden lesstof voor het domein wereldoriëntatie. Op deze manier konden de kinderen een eigen betekenis geven aan de lesstof en zich er toe verhouden, in plaats van louter kennis tot zich te nemen.

Onderzoek De kunst afkijken
Volgens de onderwijsinspectie zijn het de groepsleerkrachten die de dragers zijn van de kunstdisciplines op de basisschool (Inspectie van het Onderwijs, 2017). Dit betekent dat pabo’s ervoor moeten zorgen dat hun studenten bij het afronden van de opleiding startbekwaam zijn om betekenisvol (kunst)onderwijs te kunnen verzorgen.
Toch voelen niet alle leerkrachten zich even competent als het gaat om het geven van kunstzinnige oriëntatie, het domein binnen de kerndoelen waar alle kunstdisciplines onder vallen (Hagenaars, 2020; Van Meerkerk, 2022).

Om het onderwijs in de kunstdisciplines op de pabo van De Haagse Hogeschool te verbeteren, startte Suzanne Zandstra het onderzoek De kunst afkijken. Aan de hand van focusgroepgesprekken (door een gespreksleider gestructureerde groepsdiscussies die beogen de onderzoeker inzicht te geven in de ervaringen, opvattingen en preferenties van de deelnemende respondenten over een specifieke vraagstelling, red.) onderzocht zij de vraag welke competenties startende leerkrachten moeten verwerven om op betekenisvolle wijze kunstzinnige oriëntatie vorm te geven in de middenbouw van grootstedelijke basisscholen. De gesprekken werden gehouden met pabostudenten, pabodocenten en leerkrachten uit het basisonderwijs (tevens stagebegeleiders van de studenten).

Lees het hele artikel in Kunstzone #6.

Wie ben jij als docent?

Auteur: Ellen van der Aart | Beeld: Anke Zijlstra. Zelfportret in Dans Scheldekaai Antwerpen

Meer inzicht in jezelf als docent kan ertoe bijdragen dat de ander in de lesomgeving beter weet waarvoor hij bij jou terecht kan. Professionele zelfreflectie geeft inzicht in het eigen handelen, in waarom en hoe je lesgeeft. In mijn onderzoek De Binnenwereld bekeek ik veelgebruikte zelfreflectiemethoden en onderzocht ik de kracht van kunst maken in het proces van zelfreflectie.

Zelfreflectie is een manier om te leren van opgedane ervaringen, nieuwe inzichten te ontdekken en te komen tot effectiever gedrag (Korthagen, 2019). Via zelfreflectie bekijken we situaties uit het verleden, analyseren we ons handelen en bepalen we toekomstig handelen. Het is, in de alom bekende methoden, voornamelijk een activiteit van het hoofd; een proces waarin we met woorden die we al kennen, betekenis geven aan een situatie die we al kennen.
Zo blijven we op vertrouwd terrein. Dat voelt comfortabel, maar ontneemt ook ruimte om daadwerkelijk tot nieuwe inzichten te komen die toekomstig handelen kunnen bepalen. Bestaande zelfreflectiemethoden laten onbewuste denkprocessen maar weinig aan bod komen. Terwijl deze juist essentieel zijn in het verkrijgen van nieuwe inzichten, zo blijkt uit literatuur. Het onbewuste denken laat ons originelere invalshoeken bedenken en dieper graven (Dijksterhuis, 2021).

Als kunsteducator en maker ken ik de kracht van kunst. Het verruimt ons blikveld en biedt ruimte aan ons onbewuste denken. Mede door de inzichten in mijn onderzoek ben ik van mening dat zelfreflectie op het professionele handelen anders en beter kan. Ik neem je graag mee in het onderzoek dat ik bij de master Kunsteducatie van Fontys deed en de zelfreflectiemethode die ik ontwikkelde. Maar eerst sta ik stil bij docentschap en de rol van eigenheid.

Eigenheid
Docentschap draait voor mij om de dialoog met de leerling, leren kijken vanuit andere perspectieven en een verbinding creëren. Eigenheid is voor mij in docentschap essentieel. Met eigenheid bedoel ik datgene dat zichtbaar is in alles wat we laten zien aan anderen, een altijd aanwezige kern. Want wie je bent als persoon doet er toe in de klas. Het gaat er namelijk voor de klas niet alleen om wat je vertelt, maar ook hoe je het vertelt en waarom. Het leraarschap is ‘nooit [een] neutrale aangelegenheid’ (Kelchtermans, 2012, p. 9). Leraren dragen vanuit vakmanschap en eigenheid bij aan de algehele educatieve ontwikkeling van de leerling, zoals Kelchtermans stelt.
Wanneer je als docent jezelf wil (blijven) ontwikkelen is focus op eigenheid legitiem en relevant. Docenten zijn bij uitstek reflectieve professionals. Zij zien in de lespraktijk het effect van het eigen handelen en geven via interactie in de klas daaraan vorm. Reflecteren op het professionele handelen is één van de zeven competenties van de leraar (Wij Leren, z.d.).

Twijfels
Bestaande, veelgebruikte reflectiemethoden worden niet altijd omarmd omdat docenten twijfelen aan de meerwaarde van de uitkomsten, zo laat onderzoek van Auckland University zien (Haigh, 2000). Docenten gebruiken vaak dezelfde methode(n), waardoor er ingesleten patronen ontstaan en een frisse blik uitblijft. Persoonlijke gedachten uitspreken ligt ook gevoelig, wanneer deze een-op-een gedeeld worden met anderen (Haigh, 2000).
Over de meerwaarde en effectiviteit van reflecteren is weinig gepubliceerd. Wél is het een onderwerp dat onderwijskundigen en psychologen bezighoudt. Zij uiten twijfels over de effectiviteit van het puur mentale, rationele reflecteren. Er is nood aan alternatieve aanpakken (Korthagen, 2021) en er liggen kansen om niet-talige elementen toe te voegen (Luken, 2015). Ze leggen de vinger voor mij op de zere plek.


Kim den Dulk. Zelfportret in voorwerpen

Lees het hele artikel in Kunstzone #6.

Samenwerken met je idool

Auteur: Ingrid Cornelissen | Heb je mijn zusje gezien? Foto Bjorn Frins

Regisseur Lieke Benders (theatergroep Hoge Fronten) was als kind al fan van de boeken van Joke van Leeuwen. Ze bewerkte het prentenboek Heb je mijn zusje gezien? tot een theatervoorstelling voor de allerkleinsten (2,5+) en vroeg de schrijfster om mee te spelen in de voorstelling. In een gesprek met beide kunstenaars wordt het maakproces kort onder de loep genomen.

‘Van mijn zakgeld kocht ik Deesje‘, vertelt Benders, ‘en daarna las ik bijna al haar boeken.’ De waardering voor elkaars werk is wederzijds en de twee werkten al vaker – succesvol – samen. Ook van niet wiet, wel nel, Van Leeuwens boekje voor beginnende lezers, maakte Benders een theaterbewerking. Toen ze de schrijfster vroeg om mee te spelen in de voorstelling Heb je mijn zusje gezien?, stemde Van Leeuwen daar direct mee in. ‘Ik had al eerder gezien dat Lieke in staat was om van een dun boekje een voorstelling te maken en toch dicht bij de kern te blijven.’
In Heb je mijn zusje gezien? gaat een kind op zoek naar haar zusje en komt allerlei vreemde personages tegen. Het boek bestaat uit zeven prenten met eenvoudige, zich herhalende, zinnen. Hoe maak je daar theater van?

Meteen een goede tekst
Benders stelde een veelzijdig team samen, waar Van Leeuwen onderdeel van uit maakte. Uiteraard was ze zenuwachtig om haar te regisseren, al was het maar om de enorme staat van dienst van de schrijfster. Gaandeweg verdween dat gevoel.
De tekeningen in het boek inspireerden Benders en ze nodigde Van Leeuwen uit om nieuw materiaal te schrijven. Liedjes en versjes over kleuren bijvoorbeeld, en over hoe handig het is om zakken te hebben.
‘Joke is waanzinnig. Ze komt met een tekst en dat is bam, meteen goed. Ze schrijft het perfecte materiaal.’ Al spelenderwijs makend kwamen zowel vorm als inhoud tot stand. Gaandeweg werd ook de structuur van de voorstelling duidelijk: elke tekening werd een scène. Benders koos voor basale materialen zoals karton en eenvoudige instrumenten als een neusfluit. Op die manier bleef ze dicht bij het boek.

Van Leeuwen is weliswaar een performer, maar geen actrice. Ze heeft wel ‘podiumpresence’. Benders liet haar dan ook geen rol spelen, maar zichzelf. ‘Als een soort vertellende en musicerende tekenaar schetst Van Leeuwen de grote lijnen waartegen het verhaal zich afspeelt’ (uit: Theaterkrant 21 juni 2021). De samenwerking resulteerde in een kleurrijke voorstelling die peuters en kleuters vanaf het eerste moment betovert (zie: www.hogefronten.nl).

Onderzoekend in de onderwijspraktijk

Auteur: Mirelle Kloosterman | Beeld: L.A. Raeven Annelies, looking for completion (2018). Robot Love, Campina melkfabriek Eindhoven, VICE Still YouTube.

‘Ik vind het belangrijk dat een activiteit je verrast. Vooral als deze te maken heeft met out of the box denken. Als je verrast wordt, kijk je er meer open tegenaan. Je weet immers niet wat je te wachten staat.’

Met deze uitspraak reageerde een leerling uit vwo-5 op een van de interventies die ik deed in het kader van mijn masteronderzoek. Aanleiding voor deze interventie en mijn onderzoek was dat ik tijdens mijn lessen kunst (algemeen), beeldende vorming en CKV constateerde dat leerlingen moeite hebben met onderzoek doen en met de houding die dat van hen vraagt.

Veilige vragen
Leerlingen kiezen vaak bekende thema’s en stellen ‘veilige’ vragen waar ze relatief makkelijk een antwoord op kunnen krijgen. Collega’s herkenden deze, zo op het oog, weinig onderzoekende en nieuwsgierige houding bij hun leerlingen. Bij mij ontstond de vraag hoe ik als docent een context kan bieden die leerlingen tot een meer open en onderzoekende houding uitdaagt. Een houding die eraan bijdraagt dat ze meer vragen stellen, hun oordeel uitstellen en het lef hebben om zich ergens in te verdiepen. In mijn onderzoeksvraag ‘Welke pedagogisch-didactische strategieën kunnen worden ingezet om een onderzoekende houding van leerlingen in leer- en maakprocessen te stimuleren’ stelde ik het handelen van de docent als ontwerper van het onderwijs centraal.

Denken in vragen
Het onderzoek is uitgevoerd als een participatief actieonderzoek, met collega’s en leerlingen van RSG Ter Apel. Het onderzoek bestond uit drie lijnen, met elk een onderzoeksgroep. De eerste groep bestond uit leerlingen vwo-5 die deelnamen aan het project ArtSciences. Samen met mijn collega van biologie heb ik bij dit project gekozen voor het controversiële onderwerp klonen, omdat er in het reguliere curriculum biologie én beeldend weinig aandacht voor is. Het werk Annelies, looking for completion (2018) van het kunstenaarsduo L.A. Raeven diende als voorbeeld. Dit werk bood voldoende mogelijkheden om klonen vanuit beide vakken te benaderen én om het medisch-ethische debat hierover te voeren.
We onderzochten welke strategieën we konden hanteren om een onderzoekende houding bij leerlingen te stimuleren. In eerste instantie stelden wij de vragen, trokken ons langzaamaan terug en lieten leerlingen elkaar bevragen. In die fase gaven we geen antwoorden. We stelden wedervragen, waardoor het onderzoekende denkproces bij de deelnemers van de onderzoeksgroep bleef. Wanneer je als docent ook niet de antwoorden hebt, ga je meer mee in het proces van onderzoeken, zo bleek tijdens het onderzoek.

We stelden vast dat als een docent aspecten van een onderzoekende houding laat zien dat leerlingen stimuleert om het voorbeeld te volgen. Nieuwsgierig zijn en vragen stellen geven aan het proces een belangrijke impuls. Leerlingen voelden zich uitgedaagd omdat ze werkten met een voor hen verrassend voorbeeld. Ze kregen vooraf geen informatie over het kunstwerk. Door vragen te stellen in plaats van in antwoorden te denken, bleken ze in staat hun oordeel uit te stellen en konden ze vanuit meerdere perspectieven het werk bekijken.

Een andere uitkomst was het inzicht dat structuur bieden iets anders is dan instructies geven. Leerlingen hadden behoefte aan het benoemen van concrete fasen in het onderzoek. Zonder dit overzicht voelden enkele leerlingen zich geremd in hun onderzoekende houding. Het door ons ontwikkelde stappenplan ervaarden de leerlingen echter als te concreet met onvoldoende ruimte voor eigen keuzes. Voor leerlingen betekent een duidelijk kader scheppen dat docenten hun verwachtingen ten aanzien van de leerlingen en mogelijke obstakels met hen bespreken.

Lees het hele artikel in Kunstzone #6.

Column | Van Gerwen denkt door

Kunst, goed leven en internet

Auteur: Rob van Gerwen | Illustratie: Lennie Steenbeek

Het algoritme van Spotify verwatert de smaak. Ik denk dat Spotify dat laat gebeuren omdat ze niets verdienen zodra de muziek stilvalt, bijvoorbeeld als er een CD is afgelopen. En omdat de muziek daarom altijd moet spelen, komen er ‘aanbevelingen’ na een CD.

Het zijn die aanbevelingen van Spotify die de smaak ondergraven; de scherpe kantjes worden van de muziek afgeslepen, waardoor je uiteindelijk van de muziek moet gaan houden waar iedereen al van houdt. Zo wordt ons afgeleerd om te proberen onze eigen smaak te verbeteren, en gaan we meer en meer meedeinen met een soort geluidsbehang.

Dit is geen esthetische keuze van Spotify. Ze laten ons niet om onzentwillen naar zoveel mogelijk soorten muziek luisteren, maar willen, letterlijk, centen verdienen aan ieder nummer dat afgespeeld wordt. Het is een commerciële keuze, maar ze heeft grote esthetische gevolgen: de teloorgang van de smaak.

Net zo heeft de gegevensdiefstal van platforms als Facebook — die zich uitbetaalt dankzij welgemikte advertenties — grote morele gevolgen. De platforms oogsten onze muiskliks en delen mensen in typen in omwille van die advertenties. Wij worden daarna via die advertenties en de bijbehorende filterbellen als die typen bejegend.

Maar dit is gewoon discriminatie, iemand niet als een persoon zien maar als een exemplaar van een type — zwarte, bejaarde, man, hetero, non-binair. En wat zo’n pijn doet wanneer we ons gediscrimineerd voelen, is dat een of ander systeem ons beschouwt als een exemplaar van een type en we hier geen verweer tegen hebben omdat we ook zelf een rol in dat systeem spelen.

Om iemand als een persoon te kunnen zien, moet je diens subtielste psychologische en morele eigenschappen opmerken. Narratieve kunstwerken, vooral romans en films, maken ons hier gevoelig voor door de relevante details te tonen van de handelingen, gedachten en gevoelens van een personage, inclusief de ervaringen die deze met andere personages deelt.

Maar er bestaan ook slechte narratieve kunstwerken, sentimentele films bijvoorbeeld, die genoegen nemen met platte personages, waardoor we juist niet die persoonlijke details te zien krijgen, terwijl de goede films ons de personages wel als personen leren erkennen. Om in de kunst het kaf van het koren te scheiden heb je evenwel je smaak nodig.

Kortom, wat onze smaak afvlakt, zoals Spotify, ondergraaft het menselijk project om goed te leven — te leven zonder anderen te discrimineren. Voortdurend staat zo op internet de mens onder druk, maar dus ook de kunst.

Muziekdocent 2022

Tineke van Dijk

Auteur: Mariska van der Vaart | Beeld: Leerlingoptreden bij bekendmaking Muziekdocent van het Jaar. https://vls-muziekdocenten.nl/.

Het Ichthus College in Veenendaal heeft het getroffen met muziekdocent Tineke van Dijk. In juni werd ze muziekdocent van het jaar 2022. De vorige winnaar Petra Smit (Christelijke Scholengemeenschap Buitenveldert), reikte de prijs uit.
De verkiezing van de Muziekdocent van het Jaar is een initiatief van Buma Cultuur & Buma Music Academy (BMA) in samenwerking met VLS.

Tineke: ‘Het is een wam bad. Meteen na de nominatie kreeg ik zoveel complimenten! Volgens de leerlingen moest ik muziekdocent van het jaar worden omdat ze het zo leuk hebben bij het vak muziek, ze genieten ervan. Toen ik gekozen was gaf de school een enorm groot feest in de aula, met al mijn leerlingen.’

Funfactor
Tineke vertelt dat ze hard heeft moeten werken om te komen waar ze nu is. Onderwijs kan ploeteren zijn en niet iedereen ziet het vak muziek als interessant of nodig. Ze is positief ingesteld, altijd op zoek naar manieren om iets wél te laten lukken. De funfactor is belangrijk.
‘De eerste ervaring moet positief zijn, we moeten eerst plezier hebben in de les en in de muziek. Pas daarna kun je je doelen halen. Ik geniet van het lesgeven en dat merken leerlingen. Ik ben altijd bezig om materiaal te vinden dat leerlingen interessant of leuk vinden; ik kijk naar TikTok, YouTube, zoek methodes en steeds andere inspiratiebronnen.’

Tineke: ‘Muziek is een vak waarin leerlingen uit kunnen blazen, hun stress kwijt kunnen door samen muziek te maken. Bij muziek is er altijd iets dat je kunt, op je eigen niveau. Je kunt iedere leerling stimuleren. Het mooiste van mijn vak vind ik dat je in je les een leerling kunt laten stralen. ‘Met het vak muziek kan ik ook op emotioneel vlak iets voor hen betekenen. Er gebeurt veel in de pubertijd. Ik vind het mooi dat ik als volwassene een stukje met de leerlingen mee mag lopen. Ik probeer ervoor te zorgen dat zij zich goed voelen, dat ze een blij hart hebben gekregen door de muziekles. Soms hebben leerlingen iets anders nodig dan ik had voorbereid, dan buig ik mijn les om.’

Ademruimte
Ze benadrukt: ‘Ademruimte in het vak muziek is echt heel erg nodig. Het proces en samen muziek maken is belangrijker dan de cijfers. Er moet meer tijd en ruimte zijn om muziek te maken, samen zingen is bijvoorbeeld sociaal verbindend. Er wordt teveel beknibbeld op het muziekonderwijs. Er zou meer tijd moeten zijn voor het vak.’

‘De master gaf mij zelfvertrouwen’

Auteur: Lisa van Bennekom | Foto: Lisa van Bennekom

Rond het tienjarig bestaan van de master Kunsteducatie interviewde ik Soesja Pijlman, alumna van de master Kunsteducatie (Codarts Rotterdam) voor een jubileumuitgave. Nu de opleiding vijftien jaar bestaat, blikken we terug. Welke ontwikkeling heeft Soesja doorgemaakt? En welke rol speelde het volgen van de master Kunsteducatie daarbij?

Toen we elkaar vijf jaar geleden spraken, werkte je bij de opleiding Codarts Circus Arts als coördinator van de theoretische afstudeerprojecten en de vooropleiding, en was je betrokken bij het programma Mentoren op Zuid. Wat doe je nu?
‘Ik werk nog steeds voor Codarts Circus Arts en geef daarnaast lessen acrobatiek aan één van de DAMU-scholen, de Havo/vwo voor Muziek en Dans in Rotterdam. Ik ben gestopt bij het programma Mentoren op Zuid, en werk als projectleider Cultuurparticipatie bij Kunstgebouw, de provinciale organisatie voor cultuuronderwijs en -participatie in Zuid-Holland. Ik had de behoefte om meer in de breedte met kunst en cultuur bezig te zijn. De circuswereld is klein en vanuit deze functie is mijn impact groter. Ik vind het belangrijk dat iedereen de mogelijkheid heeft om met kunst en cultuur in aanraking te komen, om zijn of haar talent te ontdekken.’

Heeft het volgen van de master invloed gehad op deze nieuwe stappen?
‘Ja, de master Kunsteducatie heeft zeker invloed daarop gehad. Ik ben er zelfs van overtuigd dat ik de baan als projectleider bij Kunstgebouw niet had gekregen zonder de kennis, inzichten en vaardigheden die ik verwierf tijdens de master. De opleiding leerde me breder denken over kunst en cultuur en heeft me ook meer zelfvertrouwen gegeven. Tijdens de master leer je verbanden leggen en samenwerken met mensen uit andere domeinen. Die ervaring gebruik ik nog steeds. Ook raak ik niet in paniek van de beleidsmatige kant van dit werk. Ik voel me een vertaler tussen beleid en de mensen in de praktijk. Natuurlijk weet ik inmiddels een stuk meer dan toen ik mijn diploma behaalde, maar dat komt ook omdat ik leerde om vragen te blijven stellen. De tools om kennis te vergaren heb ik daar opgedaan.’

Je vertelde vijf jaar gelden dat je in de toekomst de gaten in de ketenverbinding van jeugdcircus tot hbo wilde dichten. Hoe staat het daarmee?
‘Daar ben ik nog steeds mee bezig en ik zal niet rusten voor dat gelukt is! Ik heb gesproken met het ministerie van OCW over het toelaten van het voortraject Circus in de DAMU-regeling. Op dit moment is acrobatiek alleen nog een onderdeel van het voortraject Dans. Helaas wil het ministerie de evaluatie van die regeling in 2024 afwachten. Voor de levendigheid van de circuswereld zou het goed zijn als er een specifiek voortraject komt voor de hbo-opleiding tot circusartiest omdat ik zie hoe jongeren in Nederland worstelen om hun circuscarrière handen en voeten te geven. Het zijn nu vooral buitenlandse studenten die hier komen studeren. De kans dat Nederlandse studenten hier blijven werken of gaan lesgeven is natuurlijk veel groter.’

Je wilde destijds zelf geen nieuw circustheater maken omdat je niet nóg een matige voorstelling aan het bestaande repertoire wilde toevoegen. Heb je nog een voorstelling gemaakt?
‘Nee, ik heb geen voorstelling meer gemaakt omdat ik tot het inzicht ben gekomen dat ik geen maker van circustheater ben. Ik sta op de barricade voor een voortraject waarin jongeren de kans krijgen om zich voor te bereiden op de hbo-opleiding tot circusartiest. Zelf hoef ik niet meer zo nodig op een podium te staan. Ik reflecteer graag op voorstellingen. Als je me op die manier voedt, ben ik in staat om veel terug te geven.’

Suzan Overmeer op werkbezoek in Aruba

In gesprek met de minister over muziekonderwijs 

Suzan overhandigt Kunstzone #5 aan Minister Thijsen. Foto: 24ora.com

Aruba, 3 oktober 2022

Suzan Overmeer, coördinator van de studie ‘Muziekonderwijs’aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag bracht onlangs een beleefdheidsbezoek aan de plaatsvervangend minister dhr. Ady Thijsen.

Tijdens het gesprek vertelde Overmeer dat ze met Arubaanse student Shannon Bueno een werkbezoek heeft gebracht aan Aruba om de situatie van muziekdocenten te bekijken. Na ontmoetingen met verschillende mensen, werd er bevestigd dat er grote behoefte is aan muziekleraren in het muziekonderwijs op Aruba.

Vanuit het Koninklijk Conservatorium werd op Aruba een presentatie gegeven aan jongeren over een mogelijke toekomst als muziekdocent. Volgens Suzan Overmeer is het belangrijk om meer Arubaanse jongeren op te leiden tot muziekleraar.

Gemotiveerde muziekleraren die momenteel op Aruba lesgeven en een pedagogische achtergrond hebben, moeten ondersteund worden. Een manier om ondersteuning te bieden is volgens Overmeer via stages voor Koninklijk Conservatoriumstudenten. Momenteel zijn er twee derdejaars studenten die geïnteresseerd zijn in een kernstage op Aruba voor een lange periode. Overmeer vertelde minister Thijsen dat zij op zoek is naar financiering om de stage mogelijk te maken.

De minister gaf aan hoe belangrijk het is dat er belangstelling is voor muziekonderwijs op scholen in Aruba vanuit het Koninklijk Conservatorium en staat positief tegenover een uitwisseling binnen de wereld van Arubaanse muziek, zoals de Arubaanse volksmuziek. Thijsen wees Overmeer op de mogelijkheden van het Europese fondsen, zoals de OCTA van de Europese Unie, om financieel bij te dragen aan dit project.

Tot slot bedankte Suzan Overmeer minister Thijsen voor het prettige gesprek en overhandigde hem een exemplaar van Kunstzone, een tijdschrift over kunst en cultuur in het onderwijs, waarvan de 5e editie is gewijd aan kunstonderwijs in Caribisch Nederland.

Dit artikel is vertaald vanuit het Papiaments. Het originele artikel is te lezen via: https://24ora.com/suzan-overmeer-di-koninklijk-conservatorium-a-bishita-minister-plenipotenciario-suplente/.

Samen komen we er wel uit

Wat vinden pabo- en Docent Muziekstudenten van hun onderlinge samenwerking?

Auteur: Suzan Overmeer | Illustratie: Roland Conté

Op veel plaatsen in het land werken studenten van Docent Muziek-opleidingen en pabo’s samen. Soms gaat het om een eenmalige ontmoeting en is het doel om kennis te maken en inspiratie op te doen. Er zijn er ook die verder gaan; studenten coachen elkaar en geven feedback op elkaars lesvoorbereiding en lessen.

Op 7 oktober 2020 tekenden alle conservatoria en pabo’s het MuziekopleidersAkkoord, een initiatief van de organisatie Méér Muziek in de Klas. Een van de speerpunten in het akkoord is de samenwerking tussen studenten van de beide opleidingen. In de aanloop naar het akkoord waren overigens op diverse plaatsen al gezamenlijke projecten gestart.
In 2021 startte een kernteam Stagebegeleiding met daarin muziekdocenten en coördinatoren van zowel pabo’s als Docent Muziek-opleidingen. Het team organiseerde allereerst een aantal landelijke ontmoetingen voor beide type opleidingen om kennis over dit onderwerp te delen en te ontwikkelen.

Onderzoek
Wat levert de samenwerking tussen studenten nu precies op? Het is voor de hand liggend om te denken dat conservatorium-studenten pedagogische en didactische vaardigheden van een pabo-student kunnen leren.
En op zijn beurt leert de pabo-student dan muzikale vaardigheden van een Docent Muziek-student. Maar hoe denken studenten daar zelf over? Het kernteam Stagebegeleiding doet in het voorjaar van 2022 een klein onderzoek naar verwachtingen en ervaringen van studenten. Vooruitlopend op de resultaten van dit onderzoek laten we in dit artikel enkele studenten aan het woord.

Coachende rol
Jesse Stoffer is tweedejaars student aan de opleiding Docent Muziek van het conservatorium ArtEZ in Zwolle. Hij werkte samen met studenten van pabo NHL Stenden. Die bestond uit een online intervisietraject en Jesse was de coach van een groepje van vijf pabo-studenten.
Jesse: ‘Eerst stuurden de pabo-studenten hun lesvoorbereidingen op. Ik gaf dan feedback via de mail. Daarna gaven ze de lessen in hun stage, daar maakten ze filmopnames van. Ik bekeek die filmpjes en besprak mijn bevindingen met hen via Teams.’ Jesse vertelt dat hij geen speciale verwachtingen over de samenwerking had. ‘Ik ging er blanco in. Ik was even bang dat ze niet zo gemotiveerd zouden zijn om muziekles te geven, maar dat viel harstikke mee.’

Jesse relativeert zijn coachende rol enigszins: ‘We leerden echt van elkaar en hielpen elkaar. Ik haalde veel inspiratie voor mijn eigen lessen uit de voorbereidingen van de pabo-studenten. Een student had bijvoorbeeld een les over regengeluiden gemaakt, heel leuk en ook heel muzikaal.’
Jesse kon hen goed ondersteunen bij muzikale aspecten: ‘Een van hen gaf een ritme-les. Zij deed het ritme voor en na, en legde dan de boel weer stil. Ik vond het belangrijk dat de puls bleef doorgaan, zodat de leerlingen voelden hoe ritme en puls samengaan en de les muzikaal bleef.’

Meer inzicht in muziekmethodiek
Anika Jorritsma zit in haar vierde jaar op de pabo NHL Stenden in Leeuwarden. Ze kreeg ondersteuning van een conservatoriumstudent gekregen bij haar onderzoek naar het gebruik van muziekinstrumenten door kleuters. Die begeleidde haar bij de muzieklessen: ‘Het was erg leuk om samen te werken met studenten van het conservatorium, maar we zaten beiden op hetzelfde niveau van de opleiding en daarom heb ik niet veel geleerd. We lopen op de pabo natuurlijk al vier jaar stage in het basisonderwijs en moeten de studenten van het conservatorium erg helpen met dingen als klassenmanagement. Dat is best lastig in een situatie waarin zij ons moeten begeleiden. Maar de liedjes die een student ons heeft geleerd, gebruik ik nog steeds in mijn lessen.’

Femke Benjamins en Johan Pilat, beiden vierdejaars van de pabo NHL Stenden, hebben vooral positieve ervaringen met het intervisietraject dat ze hadden met een student van ArtEZ. Femke: “Op de pabo leer je om muziek `volgens het boekje’ te geven. Je leert een lied uit Eigenwijs volgens voorgeschreven stappen. De student van het conservatorium gaf ons veel meer input op het gebied van muziekmethodiek. Ook kregen we bruikbare aanwijzingen over houding en stemgebruik. De kwaliteit van mijn muziekles is echt verbeterd.’ Johan: ‘Voor mij is muziek belangrijk. Ik heb zelf allerlei muziekdiploma’s en heb de vakspecialisatie muziek en de minor gedaan. Als je dat niet doet is het muziekonderwijs op de pabo echt heel beperkt. De samenwerking met de conservatoriumstudent heeft bij mij tot nog meer inzichten geleid.’

Meer leren over niveau en vakkenintegratie
Omgekeerd is de vraag wat een conservatorium-student kan leren van een pabo-student. Femke: ‘Ik denk dat wij hen meer kunnen leren over de praktijk op school en over de integratie met andere vakken. Ook weten we meer over de niveauverschillen binnen een klas. Een muziek-student denkt misschien: ‘deze liedjes zijn geschikt voor groep 3,’ maar het niveau van leerlingen onderling kan enorm verschillen, bijvoorbeeld in taal. Sommige liedjes zijn dan helemaal niet meer zo geschikt.’

Femke had in jaar 1 al willen beginnen met de samenwerking. ‘Ik hoop echt dat er meer muziekonderwijs op de pabo komt. De samenwerking heeft mij enorm geholpen in mijn zelfvertrouwen. Ik denk nu niet meer na over of die noot nou helemaal goed was of niet’, dat is geen ramp.’
Ook voor conservatorium-student Jesse was het project geslaagd.
‘Het was goed geregeld en voor mij heel leerzaam. Ik kreeg als feedback dat de vijf pabo-studenten blij waren met de coaching. Die rol was voor mij even wennen. Soms wist ik het perfecte antwoord ook niet, maar samen kwamen we er wel uit.’

On The Movie

Over de post-hbo-leergang filmeducatie

Auteur: Vincent Hodde | Foto: Studenten tijdens Breitner themaweek Fluid Fragments, 2020

(Kunst)docenten hebben steeds meer behoefte om film in hun lespraktijk te brengen. Gelukkig groeit het (na)scholingsaanbod op dit gebied. Sinds dit schooljaar kunnen docenten uit het po, vo en mbo de opleiding On The Movie volgen, waarin je alles leert over filmtaal, filmmaken en doceren. Coördinatoren Meldrid Ibrahim en Wypke Jannette Walen vertellen er graag over.

In de post-hbo-leergang filmeducatie bundelen de Breitner Academie, het Netwerk Filmeducatie en de Nederlandse Filmacademie hun krachten om bekwame filmdocenten op te leiden. Het programma van de opleiding is ambitieus te noemen. In vier modules van zeven weken leren de deelnemers om films te analyseren en te maken. Ook ontwikkelen ze filmopdrachten voor hun eigen klas. En dat allemaal naast hun baan als docent. Gelukkig hebben Ibrahim en Walen ervaring met deeltijdstudenten die een dag naar de academie gaan en daarnaast een druk leven hebben: ‘Daar hebben we expliciet rekening mee gehouden in het programma.’ De naam van de opleiding is een woordspeling die hier mede betekenis aan geeft: docenten die in beweging zijn, een reis afleggen.

Randvoorwaarden
Ibrahim en Walen verzorgen als coördinator vooral de randvoorwaarden: ‘Wij bieden met de gastdocenten de inhoud van deze opleiding, maar kunnen niet differentiëren op de vele verschillende doelgroepen waar de deelnemende docenten les aan geven.’ Elke deelnemer neemt zelf verantwoordelijkheid: men kiest eigen focus in het programma en maakt direct de vertaalslag naar de klas. De visie van de coördinatoren is namelijk dat je meteen in de klas moet uittesten. ‘Dat is echt iets waar we voor staan: dat je doet! En daar dan slim in wordt. En niet direct naar perfectie streeft, maar ontdekkend te werk gaat en daarin een voorbeeld bent voor je leerlingen.’

De opleiding is bedoeld voor leraren die actief met filmeducatie aan de slag willen. Op basis van ervaringen met de nascholingsmodule filmeducatie die ze verzorgde, weet Ibrahim dat deelnemers op een activerende manier willen beginnen: hoe sneller ze zelf filmopdrachten in hun klas kunnen geven, hoe beter. Bij de eerste nascholingsmodule in 2020 constateerde ze dat de didactiek eigenlijk te laat kwam. De tweede nascholingsmodule startte daarom direct met Wicked Film Assignments (Heijnen & Bremmer, 2020) waarmee deelnemers opdrachten formuleerden en testten.

Ibrahim en Walen willen de deelnemers vooral inspireren zodat zij als een expert filmeducatie in de goede taal en vorm kunnen gieten voor hun eigen leerlingen. De docenten kennen hun doelgroep het best en zijn didactisch heel ervaren. ‘Wat ze bij ons halen zijn nieuwe inzichten en materiaal om mee te experimenteren in hun klas.’
Kenmerk van een docentenopleiding is dat de deelnemers in de rol van hun leerlingen zitten: ‘Wat ze bij ons doen, is wat ze hun leerlingen laten doen’ – eerst ervaren ze het uitvoeren van een filmopdracht en vervolgens nemen ze het stokje over.

Authentieke educatie
De opleiding is gebaseerd op het model van authentieke kunsteducatie (Heijnen, 2015) waar de Breitner Academie echt voor staat. Binnen dit model is het de norm dat de relatie met professionele kunst, de maatschappij en de belevingswereld van leerlingen altijd verankerd is in de lessen. Volgens Ibrahim en Walen wordt het voor een leerling interessant als het met hen te maken heeft: ‘Wat je als opdracht geeft moet relevant zijn voor leerlingen, in plaats van dat het enkel een technische excercitie is.’ Dit model kenmerkt zich door de mate van vrijheid die de deelnemers hebben. Opdrachten zitten niet op slot en er is veel ruimte voor eigen inbreng om aansluiting te vinden bij de leefwereld van leerlingen.

Er is goed nagedacht over het programma. Ibrahim en Walen hebben aan het begin alle relevante leerlijnen en competentiesets bij elkaar gelegd. De vraag wat een filmdocent moet kunnen stond daarbij centraal: filmdocent als toeschouwer, als analyticus, als maker en als innovator/lesontwikkelaar. Desalniettemin zouden ze het programma idealiter elke week wel willen aanpassen. Walen: ‘Ik heb niet het gevoel dat we een in steen gebeiteld programma hebben. We doen steeds aanpassingen op basis van nieuwe inzichten. Het coole van zelf een programma bedenken is dat je het ook zelf kan aanpassen. We kunnen het voortdurend finetunen.’

Dagboek
Om het proces te bewaken is er een On The Movie journal voor de deelnemers. Hierin staan alle competenties en deelnemers worden  uitgenodigd hun ontwikkeling bij te houden. Ze staan stil bij hun lespraktijk, wensen en maakervaring. Daarbij staat wat zij als essentiële ontwikkeling willen doormaken centraal. Het journal helpt om de bevindingen makkelijker met elkaar te bespreken en elkaar te inspireren tijdens de intervisiemomenten. Op deze manier worden deelnemers extra gestimuleerd om er een waardevolle reis van te maken.

Praktische info over de opleiding: https://www.breitner.ahk.nl/opleidingen/bij-en-nascholing/post-hbo-leergang-filmeducatie/

Meer (na)scholing filmeducatie: https://filmeducatie.nl/scholing

Verboden toegankelijk

Fysieke inclusiviteit en musea

Auteurs: Astrid en Eveline van Dael | Beelden: Eveline van Dael

Deurproblemen: Hier heb ik vast gelegd hoe ontzettend groot deuren kunnen zijn en hoe je begeleider handen te kort komt.

Wanneer je aan inclusiviteit denkt, denk je al snel aan gender of afkomst. Maar de groep die snel vergeten wordt – en in iedere andere groep kan voorkomen – is die van mensen met een beperking.
De groep waar ik van de ene op de andere dag in terecht kwam.

In oktober 2020 raakte ik besmet met het coronavirus. Wat de meeste leeftijdsgenoten ervoeren als een verkoudheid, bleek voor mij anders; ik werd erg ziek en kon op een goede dag alleen met mijn rolstoel het huis uit. Die omslag in mijn leven leidde er – onder andere – toe, dat ik mijn ogen uitkeek waar het ging om de toegankelijkheid in musea.
Naar het museum gaan deed ik graag voordat ik ziek werd. Zelfs mijn studie stond in het teken van kunsteducatie. Museumbezoek in een rolstoel pakte echter anders uit dan ik verwachtte. Ondanks dat men erg zijn best doet, mijn bezoeken verliepen niet bepaald. En dat begon al bij de drempel.

Twerkende entree
Het is 2014. Rapper en zangeres Nicki Minaj dropt de monsterhit Anaconda. Nu, jaren later, word ik er bij het betreden van een willekeurige ruimte regelmatig aan herinnerd. Wij komen vaak al twerkend een museum binnen. Niet omdat we zo vrolijk zijn (dan dachten we wel aan Herman van Veen), maar omdat de deur niet automatisch opengaat. Bovendien is die vaak te zwaar om hem eenvoudigweg met één arm te openen. Je zult begrijpen dat je je dan niet erg welkom voelt. Vooral omdat je – uit ervaring inmiddels – weet dat dat pas het begin is.

Als het mij en mijn begeleider gelukt is om binnen te komen, valt ons op dat veel musea geen rekening houden met het perspectief van een bezoeker met een lager standpunt. Dat kan ik in mijn rolstoel zijn, maar ook een bezoeker met dwerggroei of een kind. Dat is dubbel vervelend. Het is confronterend om tegen jezelf, duidelijk zichtbaar in de weerspiegeling van het glas voor het kunstwerk, aan te kijken.
Ik ben dan misschien wel een work of art, maar een museumbezoek is voor mij ook een vorm van escapisme.

Het is gelukkig niet alleen maar kommer en kwel. Met name de oosterburen lijken zich iets bewuster te zijn van mentale en fysieke inclusiviteit. Het Kunstmuseum Bonn is hier een goed voorbeeld van.
Zo zijn daar, voor de rollers onder ons, gladde vloeren, ruime expositieruimtes en kunstwerken op prettige hoogtes. Voor de kleurenblinde bezoekers zijn er brillen te leen om hun kleurenblindheid te corrigeren. Helaas is ook Bonn niet helemaal barrièrevrij. De taalbarrière mag dan wel niet zorgen voor blauwe plekken, maar is alsnog wel behoorlijk lastig te nemen.

Musea kunnen meer en beter
Om deze nieuwe ervaringen te verwerken, besloot ik met mijn zus/begeleider een blog te gaan schrijven; Verboden Toegankelijk.
Daarin schrijf ik over de obstakels die ik tegenkom en hoe ik deze ervaar. Ik hoop er mensen mee te kunnen nemen in mijn wereld, herkenning te bieden en dit thema onder de aandacht te brengen. Wat ik ook duidelijk wil maken, is dat we nog een lange weg te gaan hebben op het gebied van toegankelijkheid. Je ziet dat musea echt hun best doen om iedereen van dienst te zijn, maar ze slaan de plank mis. Zijn de aanpassingen soms bedacht door mensen zonder beperking?
Ik weet nu als geen ander dat er veel dingen zijn waar je zonder beperking niet eens over na zou denken. Bijvoorbeeld die smalle lift, waar zowel een rolstoel als een begeleider in zouden moeten passen, of genoeg ruimte in de expositieruimte is om te kunnen keren in een rolstoel.

Het is gewoon jammer dat in deze tijd waarin inclusiviteit zo’n heet hangijzer is, musea niet lijken te willen kijken naar wat zij zelf beter kunnen doen. Het is fantastisch dat er steeds vaker een podium geschonken wordt aan niet-westerse culturen en al het andere dat ‘anders’ is. De vraag is alleen wat dat waard is, als niet iedereen deel kan nemen aan deze revolutie.

De stagiair(e)

Shannon Bueno

Auteur: Mariska van der Vaart | Foto: Ana Altuve

Shannon Bueno is tweedejaarsstudent Docent Muziek, Koninklijk Conservatorium Den Haag

Ik liep stage op basisschool Waalse Louise de Coligny in Den Haag en gaf met een medestudent les aan alle groepen. Het was een ontzettend leuke stageplek omdat de school kunst en muziek belangrijk vindt. Leerlingen komen ook met andere vormen van kunst in aanraking zoals beeldende kunst en theater.

Van Aruba naar Nederland
Om mijn studie te kunnen volgen en opgeleid te worden als muziekdocent, moest ik verhuizen van mijn geboorteland Aruba naar Nederland. Dit betekende veel verandering in mijn leven. Ik moest zoveel leren op verschillende gebieden, zoals voor mezelf zorgen, goed plannen, alles zelf regelen en voor mezelf opkomen. Ik moest wennen aan een nieuw land, een nieuwe cultuur en een nieuwe voertaal. Ook moest ik wennen aan het weer en de kou. Dat alles gecombineerd met een nieuwe studie. In het begin was dit echt heel moeilijk en stressvol, maar ik ben blij met wat er allemaal is uitgekomen. Als ik terugkijk ben ik ontzettend trots op wat ik heb kunnen bereiken tot nu toe, ik ben als persoon erg gegroeid.

In het onderwijs merk ik vooral verschil in hoe mondig de leerlingen en studenten in Nederland zijn. Op Aruba is dat minder.
In mijn eerste les stelde ik mezelf voor en leerde de leerlingen een liedje in het Papiamento. De leerlingen moesten ook raden waar ik vandaan kom. Eén jongen zei tot mijn verbazing: ‘Aruba!’ Dat vond ik heel grappig, want dat had ik niet verwacht. Hij bleek een Arubaanse moeder te hebben.

Inspirerend
Vanaf mijn vijftiende kreeg ik jazzzang in groepen, van Lenora Helm. Zij luisterde aandachtig, gaf zorgvuldige feedback en had daardoor veel invloed en resultaat. Iedereen kon iets leren. Mede door haar voel ik passie voor muziek. Zij is mijn bron van inspiratie, als muzikant en als docent.

Kinderen zijn de toekomst. Docenten hebben de verantwoordelijkheid om die toekomst te helpen vormen. Positief zijn, motiveren en gemeende complimenten geven heeft een grote invloed op een kind. Wat wij onze leerlingen leren, nemen zij mee. Het gaat niet alleen om ons vak, maar ook om wat we als mensen kunnen leren. Als we een goede  toekomst willen, moeten we zorgen dat we een positieve invloed hebben op onze leerlingen. Ik wil leerlingen meegeven dat ze altijd moeten blijven dromen en streven naar hun passie.

Over vijf jaar
Over vijf jaar zal ik nog steeds bezig zijn met muziek en zang. Misschien volg ik dan een master op het conservatorium. Als muziekdocent in het basisonderwijs of voortgezet onderwijs doe ik mijn uiterste best om mijn leerlingen te inspireren.

De kunst van het doorgeven

Een lesprogramma over culturele diversiteit

Auteur: Nicolien Lamme | Illustratie: Roland Conté

Dat in een klas leerlingen van verschillende afkomst en culturen zitten, is tegenwoordig eerder regel dan uitzondering. We moeten daarom het gesprek over inclusie blijven voeren. Volgens Stichting Musea Bekennen Kleur moeten we beginnen bij de jongste generatie.

Weten jouw leerlingen waar hun klasgenootjes vandaan komen? En hoe doe je dat, het gesprek openen over culturele diversiteit in groep 8?
Sinds maart 2020 zijn verschillende Nederlandse musea en erfgoedinstellingen verenigd onder de noemer Musea Bekennen Kleur. Ze zijn dit samenwerkingsverband aangegaan om op te staan tegen institutioneel racisme en andere vormen van discriminatie. Samen sta je immers sterker om bij te dragen aan een inclusieve wereld. Omdat je daar niet vroeg genoeg mee kan beginnen én musea iets kunnen leren van de jongste generatie, heeft Musea Bekennen Kleur het lesprogramma De kunst van het doorgeven ontwikkeld voor groep 8.

Eigen culturele diversiteit onderzoeken
Het lesprogramma werd dit jaar voor de tweede maal uitgevoerd door verschillende Nederlandse musea op basisscholen door het hele land. De klas volgt vijf lessen van een museumdocent, één vindt plaats in het museum. De lessen bevinden zich nog in een pilotfase en worden uitgebreid geëvalueerd. De museumdocenten vullen bijvoorbeeld na elke les een evaluatieformulier in en de Universiteit Utrecht onderzoekt het effect van de lessen op de leerlingen.

Lees het hele artikel in Kunstzone #5.

Doel van de lessen is om leerlingen meer inzicht te geven in culturele diversiteit. Leerlingen leren wat culturele diversiteit is, hoe het tot uiting komt en waarom het belangrijk is. Aan de hand van activerende werkvormen gaan ze aan de slag met begrippen als cultuur, normen, waarden, rituelen en tradities. Leerlingen leren niet alleen deze begrippen kennen en gebruiken, maar betrekken ze ook op zichzelf en hun directe omgeving. Wat is een typisch ritueel in mijn cultuur, en hoe is dat voor mijn klasgenoten?
Leerlingen krijgen ook inzicht in de rol die een museum kan spelen bij het thema culturele diversiteit; een museum kan onderbelichte verhalen tonen en vergeten geschiedenissen vertellen.

Ik sprak Aspha Bijnaar, directeur van Stichting Musea Bekennen Kleur. ‘Ik wil dat kinderen de urgentie voelen om zelf met culturele diversiteit en inclusie aan de slag te gaan’, zegt ze. ‘Dat ze de plekken herkennen waar het nog niet in orde is en dan daar een gesprek over kunnen aangaan. We moeten namelijk allemaal blijven praten over het diverser worden van de samenleving. De jeugd moet hierbij vanuit een vanzelfsprekendheid de juiste begrippen kunnen gebruiken en toepassen.’

Een prachtig en ambitieus streven zag ik bij de uitvoering van het programma op een basisschool in Utrecht. Wat me vooral opviel is dat leren over culturele diversiteit voornamelijk plaatsvindt als er ruimte is voor uitwisseling. Uitwisseling is een rode draad: tussen de verschillende kinderen in de klas, tussen de klas en leeftijdgenootjes op Curaçao, en tussen de klas en het museum.

Lees het hele artikel in Kunstzone #5.

Dat smaakt naar meer

Twee jaar CmK op Saba en Bonaire

Auteur: Annick Driessen | Beeld: Saba, band met rapper

Het eind van de eerste periode Cultuureducatie met Kwaliteit op de BES-eilanden nadert. De basis staat. Hoe ziet die eruit, wat zijn de eerste resultaten en welke vervolgwensen zijn er? De lokale penvoerders vertellen.

Meer dan de helft van de Nederlandse basisscholen geeft cultuuronderwijs met subsidie via de regeling Cultuureducatie met Kwaliteit (CmK) van het Fonds voor Cultuurparticipatie. Sinds 2021 doet ook Caribisch Nederland mee. Op elk eiland wijst het openbaar lichaam, de lokale overheid, een coördinerende partij aan, de penvoerder. Op Bonaire is dat Plataforma Kultural, met directeur Marieke Knol, op Saba de enige Sabaanse middelbare school, Saba comprehensive school, waar Anton Hermans directeur is.

Penvoerderschap
Het penvoerderschap duurt in Caribisch Nederland twee jaar. Knol: ‘Onze rol is vooral als intermediair. We brengen de verbindingen tot stand tussen scholen en het culturele veld en jagen het programma aan. Culturele stichtingen verzorgen de uitvoering.’
Een middelbare school als penvoerder zoals op Saba, is uitzonderlijk. Hermans: ‘We hebben eerst alle onderwijspartijen bijeengebracht, maar voor CmK zijn meer partners nodig. Dus betrokken we het openbaar lichaam erbij en dé verbindende partij, de Saba Association of Caribbean States (SACS). Die had al eerder de basis gelegd voor culturele samenwerking op ons eiland. Voor het project Triple C, een voorloper van CmK, bemiddelde zij om mensen uit Cuba hierheen te halen, voor acrobatiek en voor dans – van ballet tot hiphop.
Ons doel is om muziek, drama en dans in onze programma’s op te nemen, in school en naschools, en breder in te zetten in de maatschappij. SACS heeft daarvoor contact gelegd met alle relevante organisaties, zoals  naschoolse opvang, dagverblijf, lagere en middelbare school en de clubs, waarin alle leerlingen verplicht na school kunstvakken volgen. Vanwege die netwerkfunctie hopen we dat SACS in de nieuwe periode penvoerder wordt.’

Duurzaam
Op Bonaire was cultuureducatie bij aanvang van CmK nog tamelijk ad hoc georganiseerd, vertelt Knol. ‘Bonaire heeft een heel rijke cultuur, er wordt veel muziek gemaakt, verhalen verteld, we hebben dans, gedichten – alleen op school was daar tot voor kort weinig ruimte voor. Maar sinds 2010 is er veel geïnvesteerd in het onderwijs. Aanvankelijk lag eerst de nadruk op het cognitieve vlak en nu dat op orde is, is er ook aandacht voor cultuur.’

Lees het hele artikel in Kunstzone #5.

Daniel dos Santos Planas

Auteur: Lennie Steenbeek | Beeld: Daniel dos Santos Voorstudie

Daniel begint ons gesprek met een verontschuldiging. Zijn resultaat voor het CE Kunst (algemeen) was niet al te best. Dat, terwijl het zijn favoriete vak is!
Hij had al zijn pijlen op kernvak wiskunde gericht en daar heeft zijn voorbereiding voor het kunstexamen onder geleden. Hoe dan ook, hij is geslaagd.

Daniel heeft altijd interesse gehad in de kunsten. Dat begon met het natekenen van zijn favoriete tekenfilmpersonages. Thuis was er ook veel aandacht voor muziek en hij ontwikkelde een brede muzikale smaak. Zijn vader draaide bijvoorbeeld westerse rockbands als Foreigner en The Police, van zijn moeder kreeg hij de liefde voor Bachata en Salsa mee. Of hij zelf iets aan muziek doet? ‘Wie maakt in 2022 nu geen muziek? Iedereen wil rapper worden toch’, zegt hij. Acteren vindt hij ook interessant en hij deed een aantal jaren geleden zelfs een acting class in Miami. Al was dat daar toen niet helemaal zijn crowd, zijn belangstelling voor acteren bleef.

De keuze voor een kunstvak was dan ook snel gemaakt. Op Curaçao had hij al beeldende vorming en CKV gehad, eenmaal in Nederland koos hij, ondanks zijn E&M profiel, weer voor kunst. Met zijn vriendin die het vak op Curaçao volgt, heeft hij het over de verschillen gehad. Die zitten met name in de onderwerpen. Daar zijn die meer gericht op het Caribisch gebied en Amerika dan op Europa. Een periode als Hofcultuur in de 16e en 17e eeuw, hier dit jaar examenstof, wordt daar niet behandeld.
Logisch, maar terwijl we dit bespreken bedenk ik me dat, ondanks de vanzelfsprekende band tussen Nederland en de Antillen, er in het Nederlandse kunstonderwijs eigenlijk geen aandacht is voor Antilliaanse kunst, net zo min als voor Surinaamse of Indonesische (zie ook het artikel van Kitty Zijlmans in Kunstzone 04 2022).
Vindt hij dat jammer? ‘Het is wat het is’, zegt hij, maar hij had het uiteraard wel gewaardeerd.

De overgang van onderwijs op Curaçao naar Nederlands onderwijs was niet gemakkelijk. Taal is een obstakel: ‘Ik spreek goed Nederlands, maar ik denk in het Engels of het Papiaments. Vragen begrijpen en beantwoorden is dan lastig en tijdrovend.’ Wat betreft de faciliteiten vindt hij het in Nederland wel beter georganiseerd, bijvoorbeeld dat alle lessen online eenvoudig terug te vinden zijn.

Hij blijft in Nederland om verder te studeren en, zoals velen, zal hij voorlopig niet terugkeren naar Curaçao. Op Facebook ziet hij debatten over deze kwestie voorbij komen. Daar zegt de oudere generatie: ‘Al die slimme, jonge Antilianen die naar Nederland vertrekken zien we nooit meer terug.’ Daniel mist Curaçao, maar erkent: ‘als je ziet hoe groot de wereld buiten Curaçao is wil je niet meer terug.’

Daniel (Curaçao, 2000) kwam in augustus 2020 naar Nederland om zijn havodiploma te behalen.

Het Leerorkest laat Aruba klinken

Auteur: Suzan Overmeer | Muziekles Leerorkest Aruba

‘Hoe meer kinderen muziek maken, hoe mooier Aruba klinkt’ staat op de website van het Leerorkest Aruba. En muziek klinkt er. Op vijf basisscholen spelen kinderen onder schooltijd viool, trombone, dwarsfluit en andere instrumenten. Het Leerorkest Aruba ontstond als een sociaal project, maar wordt ook gezien als een kans om het vak muziek weer op de basisscholen te brengen.

Schooljaar 2019-2020 startte een pilot van het Leerorkest op twee Arubaanse basisscholen. Op dit moment krijgen kinderen uit groep 5 en 6 van vijf scholen wekelijks instrumentaal les en zijn er online muzieklessen beschikbaar voor de andere groepen. Volgend schooljaar worden de instrumentale lessen ook aan groep 7 gegeven, het jaar daarna aan groep 8. Zo groeien de lessen als het ware mee met de kinderen.
Juliette van Romondt, coördinator van het Leerorkest op Aruba: ‘We zijn gestart in een lastige periode. Vanwege corona konden we de klassen niet in, vandaar dat we online lessen maakten. Die gaan we nu uitbreiden tot een leerlijn voor alle Arubaanse scholen, in samenwerking met tv zender Tele Aruba en het expertisecentrum van het Leerorkest Amsterdam. Ook wordt ingezet op naschoolse lessen. Er zijn twee scholen waar ruimtes zijn om na schooltijd muziekles te geven, daar gaan we waarschijnlijk in 2023 beginnen.’

Lees het hele artikel in Kunstzone #5.

Kunstopdracht

Auteur: Mariska van der Vaart | Beeld: Liedtekst en bladmuziek Fiesta di Dera Gai

Zingen en dansen horen bij de traditionele Arubaanse feesten zoals het Fiesta di Dera Gai, dat op 24 juni wordt gevierd. Dera Gai betekent ‘Begraaf de haan’ en het is een lied dat gezongen werd bij het oogstfeest Dera Gai. Men begroef dan een (levende) haan tot aan zijn nek in de grond. Geblinddoekte feestgangers kregen drie kansen om – al dansend – de haan met een stok te onthoofden.
Dit zou de aarde vruchtbaar maken. Aan dit oogstfeest is later het Fiesta di San Juan, de viering van de onthoofding van Johannes de Doper, toegevoegd. De onthoofding van de haan past immers goed bij het verhaal van Johannes de Doper die op last van Herodes onthoofd werd.

Er wordt nu geen levende haan meer gebruikt, maar een exemplaar van kunststof. Folkloristische dansgroepen spelen met zo’n namaakhaan het ritueel van het begraven en onthoofden van de haan na, en voeren daarna een traditionele dans uit.
Dera Gai is tegenwoordig een Arubaans culturele viering met muziek, zang en dans en een mengelmoes van volkse, traditionele en christelijke symbolen. Veel voorkomende kleuren bij dit feest zijn rood en geel, belangrijke instrumenten zijn de viool, de wiri en de tambù.

Opdracht
Verdeel de leerlingen in groepjes van vier tot zes. Met de ritme-instrumenten die voorhanden zijn maken zij met hun groepje een ritmische begeleiding bij het lied en presenteren dit.

  • Zoek het lied op en luister er samen met de leerlingen aandachtig naar. Zing het lied klassikaal. Er zijn meer versies, die kunnen dan met elkaar vergeleken worden. Verdeel vervolgens de klas in twee groepen. De leerlingen klappen of stampen mee in de maat op iedere tel. Elke groep: voert een eigen ritme uit. Bijvoorbeeld: groep 1 doet een stamp op tel 1, groep 2 doet een klap op tel 2.
  • Het lied nodigt uit tot onderzoek: wat is een wiri, wat is een tambú? Welke muziekinstrumenten lijken daarop? Dat kan vervolgens de aanzet zijn tot verder onderzoek naar Arubaanse muziek en cultuur.


Een voorbeeld van het lied staat op YouTube.

Beluister hier meer versies van Dera Gai Aruba.

INHOUD KZ05//2022

 

THEMA
19 Intro Veel talent en weinig mogelijkheden
20 Kunstvakdocenten overzee
26 Het Leerorkest laat Aruba klinken
29 Jonge (theater)talenten van Curaçao naar Europees Nederland
30 Dans in Caribisch Nederland Veel talent maar weinig professionele mogelijkheden
33 Daniel dos Santos Planas
36 Dat smaakt naar meer Twee jaar CmK op Saba en Bonaire
40 Empowerment op Sint Eustatius
43 Ruim baan voor cultuur op de Cariben
46 Van muzikaal naar muzikaal-didactisch

ALGEMEEN
08 Vijf pijlers van verankering Onderzoek naar de verankering van filmeducatie in 2021
14 De toolkit van Studio vmbo
16 De kunst van het doorgeven Een lesprogramma over culturele diversiteit
48 Het kunstvaklokaal (5)
52 Teamwork Hoe leer je kunststudenten samenwerken?
55 Naar een didactiek van de folk
58 Jong beeldend talent ontmoeten

RUBRIEKEN & COLUMNS
03 Redactioneel
06 Beeldreportage Art Couture
12 Kunstopdracht
13 Jonge Kunstbelevers Joram Hendriks
24 Beeldreportage Kòrsou – Curaçao
28 De Canon van Rop Een ander land
34 Centerfold Heleen Cornet
42 Buitenblik Kevin Osepa
50 Weerwerk Ida Boxem
54 Van Gerwen denkt door Abramović aankijken
59 De stagiair(e) Shannon Bueno
60 Beeldreportage Terra Ultima
62 Achter de schermen
64 Cultuurbarbaar
66 Lidstaat & Helpdesk VLS/VONKC
67 Colofon

Docent Minco en leerling Rocco over het vmbo-examen muziek 2022

Redactie: Marjo van Hoorn | Beeld: Examenvraag 29, 2022 vmbo muziek – tijdvak 1

Op de Vinse School in Amsterdam deden dit jaar zeven leerlingen het vmbo-examen muziek. Kunstzone vroeg aan een leerling en diens docent hoe zij zich voorbereidden op dat examen en hoe het examen zelf ging.

Docent Minco
Ja, ik heb met mijn leerlingen veel aandacht besteed aan de voorbereiding op het examen. Tijdens de reguliere lessen waarin ze veel musiceren, komen veel van de begrippen die ze moeten (her)kennen regelmatig voorbij. De vorm van de nummers, verschillende vormen van grafische notatie, begrippen die horen bij de uitvoeringspraktijk, ritme en ook klankkleur nemen ze dan vaak spelenderwijs tot zich.
In aanloop naar de examens hebben de leerlingen klassikaal en individueel geoefend met de oude examens die beschikbaar zijn via examenblad.nl. Voor velen was het herkennen van de ritmische figuren in het nootschrift het lastigste. Met behulp van de app Earz, waar we sinds het (corona)thuisonderwijs een schoolabonnement op hebben, konden ze dit zelfstandig trainen. Tijdens de solfège oefeningen in de les merkte ik daar duidelijk progressie in.

Ik ben wel tevreden over het examen van dit jaar, maar sommige vragen schoten wel hun doel voorbij. Bijvoorbeeld vraag 11, waarbij de leerlingen op de zestiende noot nauwkeurig haken moesten plaatsen om aan te geven waar, alleen gelet op toonhoogte, verwerking van een melodie van toepassing was.
Nog afgezien van het feit dat deze vraag tamelijk complex geformuleerd is, waren de geluidsfragmenten ook verwarrend.
Ze waren immers niet perse de sleutel tot het juiste antwoord en gaven leerlingen op die manier extra reden tot twijfel.
Ook vraag 21 met de goudkleurige vibrafoon vond ik onnodig misleidend. Desondanks waren de meeste vragen geschikt en passend bij de voorbereiding die de leerlingen hebben gehad. Ook de afwisseling tussen het soort vragen en de muziekstijlen was in orde.
Vraag 30 vond ik een erg leuke. De koppeling die de leerlingen moesten maken tussen beeld en muzikale componenten hebben ze de afgelopen periode veel geoefend. Ze moesten daarbij vooral  afleren om niet in te vage ‘sfeer’-begrippen te blijven hangen, maar concrete zaken te benoemen die ze in de muziek horen en die ze konden koppelen aan beeld. Ook de solfègevragen waren, met uitzondering van vraag 11, goed te doen.

Ik kan niet zeggen dat ik ontevreden ben over de examenresultaten.
Mijn leerlingen volgen het hele jaar ‘gemengd’ muziek; in de les kunnen ze samen musiceren met leerlingen van 3 m/h/v t/m 6v.
Het voordeel is dat ze zo veel oppikken van klasgenoten uit andere jaarlagen en niveaus. Slechts een relatief korte tijd heb ik mijn mavo-4 leerlingen apart gehad, om ze voor te bereiden op hun examens. Van de zeven leerlingen zijn er zes opgegaan voor het 1e tijdvak dit jaar, de cijfers liggen tussen de 6,6 en 7,6. Ze doen, vind ik, wel recht aan wat ze kunnen.

Rocco (17 jaar)
Bij mijn voorbereiding heb ik vooral de examens van de laatste paar jaren gemaakt. Maar ik heb mezelf ook geleerd gewoon logisch na te denken bij de vragen, en niet te diep erin te gaan kijken. Dat helpt echt goed. En gelukkig hadden we een hele goeie mentor die ons er doorheen leidde (thanks Minco).

Ik verwachtte dat er veel vragen zouden zijn over klassieke muziek; over welke instrumenten er te horen waren en hoe de muzikanten de instrumenten bespelen. Die vragen zijn vaak een beetje saai, eerlijk gezegd. Ik heb liever vragen over wat modernere muziek of muziek uit de jaren ’60, ’70 en ’80. Daar gebeuren namelijk vaak hele muzikale dingen die interessant zijn om over getoetst te worden. Jammer genoeg waren die klassieke muziekvragen er dus wel, maar gelukkig waren er ook een paar leuke vragen zoals die over Tom en Jerry. Je moest daarin uitleggen wat het verband was tussen het beeld en de muziek. Leuk om te doen en de muziek was ook nog eens nostalgisch. Met dat filmpje van Tom en Jerry vond ik het niet eens erg om daar te zitten en het examen te maken.
De vragen over muziekvideo’s waren ook leuk en interessant. Je kon deze vragen ook gewoon wat anders beantwoorden dan de andere vragen, dit ging meer over jouw mening, hoe jij erover denkt en niet een officieel antwoord dat goed is.

De vragen waren niet perse moeilijk, maar wel uitdagend en dat vind ik best leuk, vooral bij muziek. Ik vond de vragen over klassieke muziektermen vaak een beetje lastig, wel interessant, maar lastig.

Mijn vrije tijd bestaat voor 80% uit muziek maken en luisteren.
Ik maak vooral muziek zonder tekst, dus instrumentaal.
Bijvoorbeeld house, triphop, ambient, dansmuziek en elektronische muziek. Het liefst wil ik alle genres leren spelen, maar dat kost tijd en ik ben pas een jaartje begonnen met het serieus te nemen.
Door zelf muziek te maken was dit examen trouwens ook makkelijker te maken.

Ik wil het liefst artiest worden en gewoon maken wat ik wil.
Dat is mijn droom. In de tussentijd wil ik mijn eigen lp winkel hebben en gewoon rond muziek zijn, de hele tijd. Maar eerst even school afmaken…

Kunstwerken om te gedenken

Auteur: Hanne Hagenaars | Doina Kraal, The survival of the Faintest, 2009 (Foto: Peter Cox)

Het werk van Job Koelewijn bestaat niet meer. Op de afbeelding zie je een mobile die de kunstenaar Doina Kraal maakte ter nagedachtenis aan haar oma: The survival of the Faintest.

In 1997 bezocht ik de tentoonstelling Wat af is, is niet gemaakt tijdens het Festival aan de Werf in Utrecht. Daar zag ik een sculptuur die mij totaal uit het lood bracht. Een oorspronkelijk witte, ouderwetse mannenonderbroek die met zetmeel was opgestijfd, vervolgens zwart gekleurd en op een sokkel geplaatst. Het kledingstuk leek wel gedragen door een onzichtbaar persoon. De titel 1929-1992 verwijst naar het geboorte- en sterfjaar van de vader van de kunstenaar Job Koelewijn. Het was de onderbroek die zijn vader droeg toen hij doodging, vertelde iemand mij. Het zette allerlei levendige scenario’s in werking. Hoe vraag je om die onderbroek aan je moeder? Misschien hielp de kunstenaar met het afleggen van zijn vader en nam hij ongemerkt de onderbroek mee. Het directe contact met de dood, middels de handen van de zoon en vervolgens als een in memoriam op een kunsttentoonstelling, dat is bijna ondraaglijk intiem. Mogelijk is het niet de laatst gedragen onderbroek, en is dat verhaal een mythe, maar evengoed confronteert het mij als kijker met rituelen rondom de dood, met het kwetsbare lichaam. Een klein monument met een ongekende intimiteit.

Hoe iemand te gedenken is een onderwerp dat me al lang fascineert. De dood is de grote onbekende in ons leven, iedereen is er wel een beetje bang voor. Doodgaan is een eenzaam moment, een overgang naar het onbekende; en geliefden in dit leven kunnen niets anders doen dan de ander laten gaan. De dood maakt achterblijvers eenzaam, er is gemis en ze weten niet zo goed wat te zeggen, vaak is er een gebrek aan woorden om over de dood te praten. In welke taal is de dood bespreekbaar? Verlies en gemis zijn onzichtbaar, hoe geef je dat vorm? Hoe zorg je ervoor dat je iemand niet helemaal kwijtraakt, hoe hou je deze persoon in ere?

Over je verlies praten met anderen voelt soms als lastigvallen, want het brengt mensen nogal eens in verlegenheid. Het voelt alsof je ze een kilo verpakt beton in handen legt. Te zwaar, niet te tillen. Maar vrijuit praten maakt het voor achterblijvers lichter, is mijn ervaring.

Oproep
Heb je wel eens een werk gemaakt om iemand te gedenken? Een vriend of vriendin die is overleden, een familielid, of een dier waar je intens van hield. Het werk kan van alles zijn, een portret, een tekening, een trui van die geliefde die je nog steeds draagt. Alles is mogelijk.
Stuur je werk met een korte beschrijving naar mij (hannehagenaars@gmail.com). Ik werk aan een boek over kunstwerken die iemand gedenken. Je werk maakt kans om in het boek te worden opgenomen of op een website te worden getoond. Dat gebeurt natuurlijk altijd in overleg.

 

 

 

 

VONKC verruimt de blik van westerse naar mondiale kunst

Auteur: Maria Hermanussen | Heri Dono, Wayang Legenda, 1988. Uit: Dono, H., Welling, W., & Spanjaard, H. (2009). The Dono Code. Installations, sculptures, paintings. KIT (p. 17)

Leerlingen en studenten komen steeds vaker van overal ter wereld vandaan, klassen worden diverser, de kunsten zijn pluriformer en mondialer dan ooit. Kunstdocenten merken vaak dat ze niet de kennis hebben om daar in hun lessen bij aan te sluiten. Tegelijkertijd zien ze de beperkingen van het westers kunstkader (met de nadruk op kunst uit Europa en de VS), die de kunst daarbuiten nagenoeg buitensluit.

Iemand die al lange tijd deze eenzijdige, uitsluitende kijk op de ontwikkeling van de kunsten ter discussie stelt, is Kitty Zijlmans. Kunst en cultuur zijn geen westerse vinding, betoogt ze, maar het product van voortdurende interculturele betrekkingen en uitwisselingen. Altijd al hebben kunstenaars zich laten inspireren door wat er in de wereld gebeurt. De beïnvloeding die over en weer plaatsvindt, klinkt volgens Zijlmans te weinig door in de canon van de westerse kunstgeschiedenis.

Hoor-en werkcolleges
VONKC nodigde Zijlmans uit om in vier bijeenkomsten de ontwikkelingen in de kunst in een mondialer perspectief te plaatsen. Twee daarvan zijn inmiddels voorbij, twee volgen nog, op respectievelijk 13 september en 17 oktober van dit jaar. Het eerste deel van zo’n bijeenkomst bestaat uit een hoorcollege. Daarin behandelt Zijlmans steeds twee thema’s, zoals Ik en de Ander en Engagement. Ze vormen de leidraad om werk van, merendeels hedendaagse kunstenaars uit alle delen van de wereld te beschouwen en te analyseren.
De kluwen aan invloeden die het werk in vorm, inhoud en esthetiek bepaalt, worden door Zijlmans geanalyseerd. Ze laat tevens zien dat een kunstenaar, waar ook ter wereld, dichtbij en ver weg, bewust en/of toevallig, bronnen vindt die inspireren en het werk overtuiging en zeggingskracht geven.
Tijdens het tweede deel van de bijeenkomst – een werkcollege – wordt de stof van het betreffende hoorcollege benut om gezamenlijk een eerste aanzet te doen voor te ontwikkelen lesmateriaal.

Voor alle kunstdocenten en -disciplines
Het programma Kunst in Mondiaal Perspectief richt zich op kunstvakdocenten die op alle niveaus van het onderwijs lesgeven. Dat de kunstgeschiedenis en de beeldende kunst de ‘lead’ nemen is niet opmerkelijk. World Art Studies is een betrekkelijk nieuw vakgebied, waarin de theoretische en inhoudelijke kennis op het gebied van de beeldende kunst tot nu toe verst is gevorderd.
De acht thema’s die Zijlmans in de colleges behandelt, zijn zo gekozen dat ze herkenbaar en relevant zijn voor alle kunstdisciplines. Dat geldt ook voor de analyses en de (werk) processen die aan de orde komen. Zijlmans benadering van het kunstwerk als een knooppunt van ontwikkelingen en invloeden, zijn, met andere woorden, van toepassing op alle kunsten.

Hoe dans, theater, muziek, film en beeldende kunst een stap kunnen maken in de ontwikkeling van een eigen mondiaal kunstkader wordt het onderwerp van ‘disciplinedagen’ die VONKC in de eerste maanden van 2023 organiseert.

Zie: Kunst in Mondiaal Perspectief

INHOUD KZ04//2022

 

THEMA
19 Intro Troost en uitlaatklep
20 Geen Wolk – Fragmenten uit Geen Wolk. Hoe kunst mijn leven redde
26 Muziek en kunst op het azc
29 Film als expressie
30 Wereldverbeteraars – Inspirerende voorbeelden van lokale kindgerichte initiatieven
33 Welcome to Grayson’s Art Club!
36 Met muziek kun je ze weer AAN zetten
40 Theater en zorg vullen elkaar aan
43 Luisteren naar de leefwereld – Ethisch pedagogisch handelen
46 Openbaring

ALGEMEEN
08 Van leer- naar leefervaring – Cultuureducatie op drie roc’s
12 De kunst van het ontwerpen
14 Studio Monchy
16 Kunst in mondiaal perspectief
48 Het kunstvaklokaal (4)
52 Samen komen we er wel uit – Wat vinden pabo- en Docent Muziekstudenten van hun onderlinge samenwerking?
55 De menselijke cyborg – ArtsSciences-onderwijs voor jongeren met autisme
58 EuDaMus – Europese dag van muziek op school

RUBRIEKEN & COLUMNS
03 Redactioneel
06 Beeldreportage – Portret-Project
13 Jonge Kunstbelevers – Malaak Rasoul
24 Beeldreportage – Midzomernachtsdroom 2022
28 De Canon van Rop – Uit het goede hout
34 Centerfold – Maris Dijkman
42 Buitenblik – Margrite Kalverboer
50 Weerwerk – The Case 360
54 Van Gerwen denkt door – Achtergrondgebrom
59 De stagiair(e) – Jolien Dabekaussen
60 Beeldreportage – Daantje Bons
62 Achter de schermen
64 Cultuurbarbaar
66 Lidstaat & Helpdesk VLS/VONKC
67 Colofon

Achter de schermen

Auteur: Henk Langenhuijsen | Beeld: The Ruggeds: Still Waterbrothers

Vanuit een buitenwijk in Eindhoven vinden de dansers van The Ruggeds steeds meer de weg naar het theater. Het Limburgse theatergezelschap Het Laagland vindt juist de deur naar buiten en zoekt in Geleen contact met de bewoners in de wijk. In de rubriek Achter de Schermen, een serie over het maakproces, gaat Kunstzone in gesprek met de makers over hun drijfveren.

The Ruggeds zijn naar eigen zeggen al meer dan vijftien jaar ‘een moderne familie, verbonden door breaking’ (zie ook de beeldreportage in Kunstzone 6, 2021). De dansers vormen een vriendengroep en dat zie je terug in hun dansperformances. Vertrouwen en kwetsbaar durven zijn, vormen het fundament voor het collectief. De groep met elf dansers, die in wisselende samenstelling optreedt, was onder meer te zien in het Amerikaanse televisieprogramma World Of Dance, met battles op olympisch niveau, en had internationaal succes met de shows Adrenaline en Between Us.

Het breakdancecollectief won twee jaar geleden de Charlotte Köhler Prijs, een aanmoedigingsprijs voor jong talent van het Prins Bernhard Cultuurfonds. De afgelopen periode waren ze in het theater te zien met State Shift met de solo Turns en het duet Waterbrothers. Twee stukken over met de flow meegaan of tegen de stroom in zwemmen, waarin de dansers met hun soepele lijven laten zien hoe breaking zich bij hen heeft ontwikkeld. Hun acts bestaan uit vloeiende, elegante bewegingen met een verhaal. Licht en geluid versterken de sfeer die eerder zacht is, intimiteit suggereert en meer biedt dan de straatvechtersmentaliteit onder straatlantaarnlicht.

Lees het hele artikel in Kunstzone #4.

Luisteren naar de leefwereld

Ethisch pedagogisch handelen

Auteur: Marike Hoekstra | Space for stupidity Marike Hoekstra

Aansluiting bij de leefwereld van leerlingen vergroot de betrokkenheid van kinderen en jongeren bij het kunstonderwijs. Door actuele thema’s, jongerencultuur en nieuwe media een plaats te geven in de kunstlessen, worden de interesses en vaardigheden die leerlingen vooral buiten de context van de klas opdoen, erkend als belangrijke kennisbronnen.

Door die aansluiting ontstaat ruimte voor een wederkerige uitwisseling van kennis en ervaring; leerlingen worden mede-eigenaar van het curriculum en ontwikkelen artistieke strategieën om aan hun belevingswereld uitdrukking te geven.
Kunstonderwijs dat op deze manier voor leerlingen relevant gemaakt wordt, stelt docenten echter ook voor een ethisch dilemma. Het gaat dan om de vraag hoe een docent begeleiding kan bieden aan een leerproces waarbij de belevingswereld van de leerling het uitgangspunt is. Verandert de pedagogische rol van de docent naarmate de leerling meer ruimte voor eigen inbreng krijgt en ook emotioneel betrokken raakt?

Ruimte geven verandert de relatie
De student kijkt me vanaf het scherm onzeker aan. Ze loopt tegen de grenzen van haar betrokkenheid aan. Voor haar afstudeeronderzoek had ze bedacht een lesaanpak te ontwikkelen om de hbo-studenten van de vakopleiding waar ze stage loopt, te helpen om te gaan met het verlammende streven naar perfectionisme, waardoor ze niet durven te experimenteren. Op basis van haar eigen ervaringen wist ze dat perfectionisme een student behoorlijk in de weg kan zitten, en dat herkende ze in het gedrag van haar studenten. Vragenlijsten en gesprekken met de studenten zouden haar inzicht geven in de manier waarop studenten omgaan met opdrachten en de hoge eisen die zij aan zichzelf stellen. Daarmee zou ze goed voorbereid zijn om een gerichte aanpak te ontwikkelen.

De laatste weken was ze in gesprek gegaan met de studenten en ze merkte dat die zich daardoor gekend voelden. Dat bevestigde haar in het belang van haar onderzoek en de juistheid van haar pedagogische overwegingen. Maar, zo bekende ze aarzelend, het maakte haar ook onzeker. Want de ruimte die ze hen in het gesprek bood, veranderde de relatie tussen haar en haar studenten. Als docent werd ze in vertrouwen genomen over heel persoonlijke problemen, en ze vroeg zich af of dat wel de bedoeling was. Ging ze nu niet te ver mee in de leefwereld van de studenten? Kon ze zo nog wel hun docent zijn?

Lees het hele artikel in Kunstzone #4.

Met muziek kun je ze weer AAN zetten

Auteur: Ellen van Hoek | Foto: Antonio La Rocca

‘We hebben allemaal gezien hoe ze terug kwamen; als zombies. In elkaar gedoken, oortjes in, hoody over het hoofd. Ik ben daar wel van geschrokken.’
Met mij in gesprek zijn twee muziekdocenten in het vo, Kirsten en Martijn. Ze voelen allebei de noodzaak zich uit te spreken over dit onderwerp: kan muziek een uitlaatklep zijn voor middelbare scholieren?

Vandaag was er een pauzeconcert,’ vertelt Martijn, ‘voor de eerste keer sinds de coronaperiode. Tijdens open avonden waar een beperkt aantal leerlingen muziek maakten, verzorgden de bovenbouwers een concert in de pauze. Dat was echt fan-tas-tisch!! De hele school liep uit, men stond vol overgave mee te bewegen. Zo’n heerlijk gevoel.
Dan merk je inderdaad de sociale binding, omdat muziek door al die mensen heen trilt. Dat heeft me eigenlijk wel ontroerd en dat gebeurt me niet snel, maar je ziet ze opbloeien. Even weer in gesprek met elkaar, geen verschillen, geen hokjes, niets; allemaal samen muziek beleven. Je zag de zon opkomen. Maar ja, muziek maken is natuurlijk pas een uitlaatklep als je het kunt, muziek maken.’
Martijn maakte pas recent de overstap naar het onderwijs. Hij was jarenlang actief als musicus, maar zijn inkomsten kwamen van buiten de muzieksector.

Uitlaatklep in daltonuren en pauzes
‘Ja ik was wel geschrokken, toen de leerlingen weer terugkwamen. En dan ga je extra je best doen om weer een vonk in die ogen te krijgen. Door ze dingen te laten maken, dingen waar ze trots op zijn, eigenaarschap te geven.’
Kirsten werkt al meer dan 20 jaar als muziekdocent, geeft les aan de opleiding Docent Muziek aan het Conservatorium van Amsterdam en heeft een voorliefde voor het vmbo. ‘Ik zie op school geregeld situaties ontstaan waarbij leerlingen muziek als uitlaatklep ervaren,’ zegt ze.
‘Ik geef les op een Daltonschool en daar heb je daltonuren. In die uren kiezen de leerlingen naar welk vak ze willen gaan. Tijdens die uren heb ik de leerlingen gevraagd: waar hebben jullie behoefte aan, wat vinden jullie leuk? Ze kwamen toen met dingen als een Pioneer DJ set, een goede opname microfoon met een standaard, een Akaï midi pianootje.
Ik had wat budget om dat aan te schaffen.
Tegelijkertijd heb ik een Logic Pro (Logic Pro is een digitaal audiomontagesysteem, red.) op mijn laptop gezet, waar ze mee mochten werken. Wat daar ontstond, dát was zeker een uitlaatklep.

Lees het hele artikel in Kunstzone #4.

Welcome to Grayson’s Art Club!

Auteur: Thea Vuik | Beeld: Art Club Tea Towel Grayson Perry Thick cotton with woven Art Club logo tag and hanging loop_63cm x 46cm

Kunstenaar Grayson Perry moedigt samen met zijn vrouw Philippa iedereen aan zich door middel van kunst  te uiten. Kunst is goed voor je, wie je ook bent, aldus het echtpaar. De lockdown ten gevolge van covid-19 bleek een uitgelezen moment om dit via de tv-serie Grayson’s Art Club (Channel 4) vorm te geven.

Hoe dealt een natie – in dit geval de Britse – met uitzonderlijke omstandigheden, hoe verwerk je die in je dagelijkse leven? Grayson Perry stuurde via diverse sociale media een oproep, waarin hij iedereen vroeg deel te nemen door een videoboodschap van negentig seconden te uploaden op de website Grayson’s Art Club, met drie foto’s van eigengemaakte kunstwerken.

Ontwapenende ontmoetingen
Het grootste deel van de opnames voor de serie zijn gemaakt in Graysons studio. Het echtpaar nodigde daar ook bekende amateurs of gevestigde kunstenaars uit om met hen nieuwe kunstwerken te maken. Het meest ontwapenend zijn de zeer persoonlijke reacties op de pandemie (via videogesprekken) van mensen die kunst maakten om hun leven te veranderen. Samen vormen ze een blijvend artistiek verslag van de ongekende tijden die wij samen meemaakten.

Grayson Perry is toegankelijk en zit niet te vergeten, vol humor. Dat zal mede de oorzaak zijn dat het programma in Engeland een grote hit is. De eerste twee seizoenen van Grayson’s Art Club zijn opgenomen tijdens de lockdown. Het brede publiek werd gevraagd zich tot kunst te wenden om ‘betekenis te vinden in wat we collectief doormaken’. Seizoen drie draaide om de natie te inspireren ‘meer kunst te maken om te verlichten wat we nu allemaal onder ogen krijgen, wat dat ook moge zijn.’
De nieuwe thema’s weerspiegelen de steeds veranderende stemming van de Britten: liefde, helden en heldinnen, het gewone leven, in mijn hoofd, vakantie en de toekomst.

Inmiddels is ook dat derde seizoen afgelopen. Het valt te verwachten dat er opnieuw een tentoonstelling van een selectie uit het ingezonden werk gemaakt wordt, met Perry als curator. Vorig jaar stuurden ruim zeventienduizend mensen hun kunstwerk in. De tentoonstelling met door Perry gekozen kunstwerken en die van gastberoemdheden van seizoen twee is te zien in het Bristol Museum and Art Gallery en loopt tot 4 september 2022.
Of er een serie vier komt is niet zeker, maar blijf vooral kunst maken, zegt Perry. ‘Maak een nestje voor je gevoelens over het leven en koester die gevoelens. Zodat ze later vrij het nest uit kunnen vliegen.’

Lees het hele artikel in Kunstzone #4.

Uit het goede hout

Auteur: Jeroen Rop | Bald Eagle, 2019, Roelf Rop. Foto: Jeroen Rop

Liefhebbers van grote roofvogels moeten nu even opletten. Pal voor ons strijkt uit het niets zomaar een arend neer. Het imposante dier, een Amerikaanse zeearend, heeft een houten vis in zijn houten klauwen, slim gesneden uit een kronkelhazelaar. Een Afrikaanse leeuw mag dan de koningsstatus hebben onder alle landdieren: in de lucht mag wat mij betreft de zeearend die titel dragen. Niet voor niets vinden we arenden in allerlei heraldische wapens en andersoortige symboliek terug. Soms fraai, soms huiveringwekkend. Een arend straalt macht uit, autoriteit. Je kunt ze geknipt uit blik of gegoten in beton aanschaffen als kitschobject. Bij voorkeur kijkt zo’n beeltenis, veelal verkocht in tuincentra, nog net wat chagrijniger dan een echte arend.
Aardig daarom dat dit exemplaar – zichtbaar met veel liefde en aandacht in elkaar gezet – dat nou precies niet doet. Deze arend struikelt bijna voorover op zijn tak. De vleugels eens niet theatraal half gekromd of horizontaal, zoals een dominee die de zegen uitspreekt, maar volledig naar boven uitgestrekt. Het dier is nog volop bezig met de landing en het veiligstellen van zijn vis. Op dat kwetsbare moment is hij raak vastgelegd. De massieve poten, bedekt met een bijna abstract verenpatroon hebben iets weg van een Umberto Boccioni-achtig futurisme en vormen een contrast met de realistische vleugels met aan de uiteinden flinterdun gesneden grote slagpennen.
Stukje bij beetje kwam deze vogel tot leven: maanden werd er gezocht naar de meest geschikte techniek om alle elementen uit verschillende houtsoorten op de juiste wijze samen te voegen. Er bestond tijdenlang niets dan een vleugel uit een plank teakhout en een sluimerend vervolgplan waarbij twijfels en perfectionisme – vaak zo vervelend schurend tegen creativiteit – de zaak onnodig vertraagden. Aan creativiteit ontbreekt het de kunstenaar namelijk niet: ooit bouwde hij een radiografisch gestuurde oceaansleper op schaal uit het blote hoofd na en trok daarmee een flinke rubberboot gevuld met een deel van zijn gezin moeiteloos door de gracht. Dat kaliber mens.
Taxidermisten of arendkenners hebben misschien nog wat te zeuren over de misschien niet honderd procent kloppende proporties van het houtsnijwerk: dat is hier niet van belang. Dit kunstwerk gaat uiteindelijk ook over de arend als symbool. Geen symbool van macht of autoriteit, maar van durf, doorzetten, trots en engelengeduld. Hij is eindelijk klaar. Het ding is niet te koop, staat niet in een museum. Het rust op een oude dressoirkast en is gemaakt door Roelf Rop. Dat is mijn vader.

De Kunst van het ontwerpen

Auteur: Ellen Oosterwijk | Beeld: #Dewereldnaardeklote Winnaars De kunst van het ontwerpen 2020, Leon Kemp, Ilse Kok en Madelon Roest Breitner Academie, AHK. Still Vimeo

Op 30 september 2022 wordt voor de vierde keer de prijs De kunst van het ontwerpen uitgereikt, een aanmoedigingsprijs voor het meest innovatieve of prikkelende kunsteducatieve ontwerp van aankomende kunstdocenten en kunsteducatoren.

In de kunstwereld bestaan legio prijzen en mogelijkheden die beogen niet alleen een aanmoediging te zijn voor studenten of beginnende kunstenaars, maar het hen ook te vergemakkelijken een plek in het werkveld te veroveren. Een aantal jaar geleden constateerde het KVDO, het hbo-netwerk kunstvakdocentenopleidingen (docent muziek, dans, theater en beeldend) dat er voor toekomstige kunstdocenten als educatief ontwerper nauwelijks dergelijke stimulansen zijn.

Daarom werd besloten om de landelijke prijs De kunst van het ontwerpen te initiëren, om het werkveld kennis te laten maken met nieuwe, innovatieve en prikkelende kunsteducatieve ontwerpen van toekomstige kunstdocenten en -educatoren. De ontwerpwedstrijd werd in 2018 voor het eerst georganiseerd.

Twee prijzen
De educatieve praktijk vraagt om docenten en educatoren die onderwijs (mede) kunnen ontwikkelen en vormgeven. Een afgewogen visie daarbij is extra belangrijk voor het kunstonderwijs, dat immers een dynamisch vakgebied is met steeds nieuwe artistieke uitingen, wispelturige makers en veranderlijke opvattingen.
Dit jaar zijn er voor het eerst maar liefst twee prijsuitreikingen.
Eén voor studenten uit het derde en vierde jaar van de bachelor opleidingen en  alumni uit studiejaar 20-21, en één voor studenten van de interdisciplinaire masteropleidingen Kunsteducatie. Zij konden allemaal hun educatieve ontwerpen voor 12 juni 2022 indienen.

De jury’s en de uitreiking
De vakjury bestaat uit experts uit het veld van kunst en educatie en staat onder voorzitterschap van Sanne Scholten (directeur LKCA). De jury beoordeelt de ingezonden ontwerpen op onder meer relevantie, actualiteit en geschiktheid voor de praktijk.

De meest innoverende ontwerpprojecten worden op vrijdag 30 september gepresenteerd in Rotterdam, de organisatie is in handen van Codarts en Willem de Kooning Academie.
Het gaat een feestelijke middag worden, met korte presentaties van de genomineerde studenten, een keynote over interdisciplinair kunstonderwijs, muziek en natuurlijk de prijsuitreiking door de juryvoorzitter.

Tijdens deze middag kiest het publiek de winnaars van de publieksprijs in beide categorieën. Het beroepenveld wordt dan ook van harte uitgenodigd om bij deze middag in Rotterdam aanwezig te zijn, of die te volgen via een live stream.

Ellen Oosterwijk is Course Leader Docentenopleiding Beeldende kunst en vormgeving aan de Willem de Kooning Academie en lid van het KVDO.

Dans en onderwijs

van ruim 50 jaar dansexpressie naar toekomstige onderwijsvernieuwingen  

Auteur: Saskia Sap | Beeld: Kit Winkel Dansexpressie les met kinderen Dierenonderonsje, Stichting Educatieve Dans, Still Vimeo

Anders dan muziek en beeldende vorming heeft dans nog niet zo heel lang een plaats in het Nederlandse onderwijs. Vooral dankzij pioniers als Kit Winkel en Jan Wilmans is er in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw een opening gekomen, waardoor dans voor brede groepen kinderen en jongeren toegankelijk werd.

Wat zijn de actuele kansen voor dans in het onderwijs? Deze vraag stond  centraal tijdens de Dans & Onderwijsdag voor dansdocenten, educatiemedewerkers van dansgezelschappen, leerkrachten (v)so, po of vo en andere professionals in danseducatie die in december 2021 werd gehouden. LKCA organiseerde de conferentie samen met VONKC en Holland Dance Festival. Ruth Wilmans, oud-docent dansimprovisatie, choreograaf, onderzoeker en tevens dochter van eerder genoemd echtpaar, hield de keynote: De essentie van dans in het onderwijs.

Wilmans ging terug naar de jaren 1969 tot 1981, toen Kit Winkel hoofd was van de docentenopleiding dansexpressie in Amsterdam en het als haar missie zag om dans voor alle kinderen en jongeren beschikbaar te maken. Om dat te bereiken zou dans de scholen in moeten. Expressie werd gekozen boven technische dansvaardigheden, omdat de dans voor ieder kind – op een persoonlijke manier – haalbaar moest zijn.
Vaak werd dan gekozen voor een thema, waarbij niet altijd muziek nodig was en de docent ook kon werken met kleine muziekinstrumentjes.
Winkel legde haar ideeën voor de danslessen onder andere vast in Dansexpressie OLM bulletin (SLO, 1984). Wilmans liet haar lezing vergezeld gaan van uniek filmmateriaal, met Kit Winkel in de jaren zeventig die kinderen lesgeeft.

Plaats onderwijs
Met gerichte acties en grote inspanning lukte het Winkel om het vak ‘educatieve dans’ (later gewoon ‘dans’ genoemd) een wettelijke basis te geven in het onderwijs. Toch lijkt in 2022, vindt Wilmans, zó veel jaren later, dans nog steeds niet werkelijk ‘geland’ te zijn in basisscholen.
Hoe komt het dat na al die inspanningen de oogst nog steeds zo mager is?
Ze geeft daarvoor drie mogelijke verklaringen.
Als eerste zijn we in het (toch altijd nog) calvinistische Nederland niet bepaald ‘lichaamsvriendelijk’. Eigenlijk was lang alleen sociale dans (tijdens het ‘uitgaan’) en technische dans zoals klassiek ballet toegestaan. Deze danssoorten hadden veel (geschreven en ongeschreven) regels, die bij de beoefenaars ervan bekend waren. De nieuwe creatieve en expressieve benadering van dans ging over gevoelens en over vrijheid. Dat bleek moeilijk te accepteren. Haar tweede verklaring is, dat dansstudenten vonden (en vaak nog vinden) dat pabo-studenten geen dans kunnen geven. Dit beperkt(e) de mogelijkheden van dans in het primair onderwijs.

Als derde verklaring voert ze aan dat in het danswerkveld over het algemeen veel strijd en concurrentie is. De situatie dat er verschillende benaderingen van dans zijn, heeft vaak tot gevolg dat men elkaar de ruimte niet gunt en dat heeft vooral de educatieve dans benadeeld.

Wetenschap en samenwerken
Sinds kort is er echter een prettige samenwerking inzake toekomstige onderwijsvernieuwingen (b.v. bij voorheen Curriculum.nu).
Het zal vervolgens gaan om de implementatie van de voorstellen die gedaan zullen worden.

Wilmans geeft twee suggesties hoe dat aan te pakken. Allereerst: betrek de wetenschap bij de missie van dans, om duidelijk te maken wat het nut is van dans in het onderwijs. Onder andere Erik Scherder heeft onderzoek gedaan naar de relatie tussen dans of bewegen en leren. Tegelijkertijd is het belangrijk om je te verbinden met Angelsaksische en Duitse vakgenoten; in die landen wordt veel over dans en educatie gepubliceerd. Haar tweede suggestie is om vooral samen te werken; pabo’s, dansacademies, dansdocenten, vakverenigingen, primair onderwijs, voortgezet onderwijs en politiek. Alleen met vereende krachten kan dans geconsolideerd – en verder worden uitgebouwd – in het onderwijs.

Wilmans riep tot slot op om het stokje over te nemen, en vooral vol te houden. Dans kan inclusief en laagdrempelig zijn, dat bewees Kit Winkel 50 jaar geleden al. ‘Geef de poëzie van het bewegen een vaste plaats in het onderwijs en bied álle kinderen de kans om zich uit te drukken in dans. Dat blijft als dansprofessionals onze opdracht.’

Lespakket bij Indonesië-exposities
‘De kunst is ze te raken’

Auteur: Jens Middel | Beeld: Revolusi! Het verhaal van. . .

De onafhankelijkheidsstrijd in Indonesië was een cruciale gebeurtenis. Voor het land zelf, maar ook voor Nederland én voor de rest van de wereld. Het is daarom belangrijk dat jongeren er kennis over opdoen.
Hoe geef je aansprekend les over dit complexe, indrukwekkende onderwerp? Voor het antwoord op die vraag bundelden het Rijksmuseum, het Indisch Herinneringscentrum en uitgever ThiemeMeulenhoff de krachten.

Samen ontwikkelden deze educatieve partners digitaal lesmateriaal voor het vmbo en mbo. Het gaat om drie videoportretten, van elke vijf minuten. Daarin komen jongeren aan het woord die een link hebben met voormalig Nederlands-Indië. ‘Zij behoren tot de ongeveer twee miljoen mensen in ons land die nog altijd de gevolgen voelen van Nederlands koloniale aanwezigheid in Indonesië’,  vertelt Jazzy Taihuttu, die de filmpjes regisseerde en samen met director of photography Esmee Jacobs het concept bedacht.

De jongeren vertellen in de online video’s hoe die koloniale aanwezigheid niet alleen een rol heeft gespeeld in hun familiegeschiedenis, maar ook doorwerkt in hun eigen leven – tot op de dag van vandaag. ‘Bijvoorbeeld in hun creatieve uitingen’, zegt Taihuttu. ‘Bij actrice Denise in haar theaterwerk. Bij muzikant Jiri11 in zijn rapnummers. En bij Romée en Myrthe in de kleding die zij ontwerpen en maken.’
De video’s gaan vergezeld van opdrachten om de koloniale geschiedenis te leren kennen. En met interactieve gespreksvormen om ‘toen’ en ‘nu’ met elkaar te verbinden. Ook zijn er specifieke opdrachten voor diverse schoolvakken, van geschiedenis en Nederlands tot kunstvakken als muziek. Zo stimuleert het lespakket docenten en jongeren om samen de koloniale overheersing en de onafhankelijkheidsstrijd te doorgronden.

Verhalen via kunst
Volgens Taco Dibbits, hoofddirecteur van het Rijksmuseum, is het de kunst mensen te raken als je hun aandacht wilt vasthouden – ‘en dit ís zo’n rake manier om verbanden tussen verleden, heden en toekomst in de klas bespreekbaar te maken. Ze brengen een complexe en onderbelichte geschiedenis dichterbij.’ Daarmee sluit het lesmateriaal aan bij de expositie Revolusi! Indonesië Onafhankelijk van het Rijksmuseum en de tentoonstelling ONS LAND – Dekolonisatie, generaties, verhalen, van het Indisch Herinneringscentrum. ‘Ook daarin brengen persoonlijke videoportretten de geschiedenis tot leven’, zegt regisseur Taihuttu. ‘En komt kunst in diverse vormen terug als manier om verhalen te vertellen.’

Verplichte examenstof
Het Revolusi-lesmateriaal is voor iedereen toegankelijk en te vinden op Thiemo, het digitale platform van educatieve uitgever ThiemeMeulenhoff. Waarom het kosteloos aangeboden wordt? ‘We vinden het belangrijk dat deze historische periode een podium krijgt, zeker ook in het onderwijs’, legt ThiemeMeulenhoffs CEO Eric Razenberg uit. ‘En dat daarbij aandacht is voor de impact op individuen, van toen tot nu.’

Het lesmateriaal voorziet bovendien in een groeiende behoefte, aldus Razenberg. Door de exposities van het Rijksmuseum en het Indisch Herinneringscentrum is de aandacht voor de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd gegroeid. Datzelfde geldt voor boeken als De Tolk van Java (Alfred Birney2016) en Revolusi (David Van Reybrouck, 2020), maar ook voor het langverwachte rapport van expertisecentrum NIOD.
Na onafhankelijk onderzoek in opdracht van de overheid, concludeerde het NIOD dat Nederland in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949) zowel structureel buitensporig geweld had gepleegd als dat had gedoogd. ‘Oorlogsmisdaden’, zei één van de onderzoekers later. Tot dan toe had de regering steevast gesteld dat zulk geweld een uitzondering was, inmiddels onderschrijft ze de NIOD-conclusie.

Die conclusie zal over minimaal twee jaar verplichte examenstof worden, heeft Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) al bekend gemaakt. Maar scholen passen hun lesstof over Indonesië en het koloniale verleden van Nederland nu al massaal aan. Het niet-methodegebonden lespakket van het Rijksmuseum, het Indisch Herinneringscentrum en ThiemeMeulenhoff kan daarbij goed van pas komen.

Vind hier het openbare lesmateriaal Revolusi.

Jens Middel is eigenaar van Bureau Middel.

Improvisation for all!

De beleving van leerlingen tijdens collectieve vrije improvisatie in de muziekles

Auteurs: Filip Verneert & Jan Verbeeck | Beeld: Improvisatie in de muziekles

Kan je een klas met leerlingen die weinig tot geen muzieklessen hebben gevolgd samen vrij laten improviseren? We beschrijven hieronder kort ons onderzoek naar de beleving van 1282 leerlingen secundair onderwijs tijdens een les collectieve vrije improvisatie. Het project had positieve resultaten, zowel voor de betrokken leerlingen als leerkrachten. We delen daarom vier lesfiches en vijftien concrete improvisatie-oefeningen.

Onze lessen bestonden uit collectieve improvisatie-oefeningen voor leerlingen met weinig tot geen muzikale ervaring (een instrument bespelen, muziekles volgen of in een muziekgroep spelen). Aan de hand van concrete opdrachten, didactische tools of hun eigen inspiratie konden de leerlingen vrijuit experimenteren. De leerlingen maakten kennis met speeltechniek en klankproductie en leerden vooral naar elkaar luisteren tijdens het samen musiceren. Om de impact van de les op de beleving van de leerlingen te meten, gebruikten we een flowschaal.
Flow is een mentale toestand van gerichte concentratie, van volledig opgaan in een activiteit, met gevoelens van plezier en betrokkenheid. We gebruikten voor dit onderzoek een Nederlandstalige versie van de Flow State Scale for Occupational Tasks (Verneert & Verbeeck, 2022). De schaal geeft de (individuele) mate van flow weer op drie dimensies: sense of control (bv. ‘ik was me bewust van hoe goed ik de oefening uitvoerde’), absorption by concentration (bv. ‘ik ging helemaal op in de oefening’) en potential emotional experience (bv. ‘de oefening was heel plezierig’).

Resultaten
De algemene scores op de drie dimensies van de flowschaal waren gemiddeld hoger of gelijk aan 5 (op een 7-puntslikertschaal). In dit onderzoek beschouwden we een score van 5 of hoger als positief. Dat betekent dat er vanaf deze score sprake was van een hoge mate van taakgerichte concentratie tijdens de muzikale activiteit, van positieve emoties en plezier en van een gevoel in staat te zijn de taak goed uit te voeren. Hoewel we verwacht hadden dat de leerlingen die reeds een instrument bespelen hoger zouden scoren, vonden we geen verschil in flowbeleving tussen leerlingen die een instrument bespelen en leerlingen die dat niet doen. Dit toont aan dat deze werkvorm geschikt is voor alle leerlingen en dat het spelen van een instrument geen invloed heeft op de flowbeleving.

Daarnaast werden de docenten die aan het onderzoek meewerkten gevraagd naar hun ervaringen aan de hand van een online survey.
De bevraging toonde een uitermate positief beeld. Met veertien personen was de groep leerkrachten relatief klein, maar toch zijn de resultaten belangrijk. Het ging om ervaren leerkrachten voor wie improviseren en zeker collectieve vrije improvisatie meestal een nieuwe ervaring was. Alle betrokken leerkrachten willen deze werkvorm in de toekomst gaan gebruiken.

Besluit
Vrije collectieve improvisatie is een werkvorm die geschikt is voor de muzieklessen in het reguliere onderwijs. Het kan een aanvulling zijn op  reeds bestaande werkvormen. We kunnen stellen dat werken met collectieve vrije improvisatie een persoonlijke muzikale expressie mogelijk maakt, ongeacht het niveau van muzikale vaardigheden.

Improvisatie is een belangrijke educatieve tool om muzikaal leren te bevorderen zonder de spontaniteit van de leerlingen te belemmeren. We geloven dat het muziekonderwijs gebaat is bij het samengaan van het leren van muzikale vaardigheden, zoals instrumentale techniek, partituurspel en gehoorvorming, met het experimenteren en collaboratief interageren. Collectieve improvisatie kan hierbij een rol spelen op alle niveaus van muzikale ontwikkeling.

We bundelden onze ervaringen, voorbeeldlessen en -oefeningen in een gratis te downloaden rapport.

Filip Verneert is doctoraatsonderzoeker muziekeducatie aan LUCA School of Arts en de Geassocieerde Faculteit Kunsten, KU Leuven en directeur van vzw Muziekmozaïek.
Jan Verbeeck is praktijkassistent muziekeducatie aan LUCA School of Arts en docent muzikale opvoeding in het secundair onderwijs.

Verneert, F., & Verbeeck, J. (2022). Improvisation for all! Hoe beleven leerlingen collectieve vrije Improvisatie in het leerplichtonderwijs? LUCA School of Arts.

Lachen in de kunstles?

Auteur: Esther Schaareman | Beeld: Eric Gauthier Covid Cage videostill You Tube

Raken leerlingen meer betrokken bij de kunstvakken als je humor gebruikt in je lessen? Eerstejaars studenten van kunstvakdocentenopleidingen die nog niet zo lang geleden het voortgezet onderwijs verlieten, laten hun licht schijnen over deze vraag.

Jacqueline (1e jaars DBKV): ‘Humor is zo iets persoonlijks, het luistert heel nauw om dat goed in te zetten. We hebben allemaal als leerling wel de ervaring met een docent die grappig probeert te zijn en dat niet is. Omdat hij of zij de aansluiting mist, of omdat wij niet het referentiekader hebben dat die docent aan probeert te spreken.’ Job (1e jaars DoMu): ‘Maar andersom werkt het ook. Mijn muziekdocent maakte altijd veel grappen en door alles licht te maken raakte ik steeds enthousiaster om aan de slag te gaan. Dat heeft me uiteindelijk zelfs gemotiveerd om de docentenopleiding te doen.’ Joy (1e jaars DBKV): ‘Mijn docent maakte de kunstgeschiedenislessen toegankelijk door de ernst ervan te relativeren door bijvoorbeeld een klassiek verhaal naar het nu te vertalen. Dat werd al snel hilarisch. Ik zou ook graag die luchtigheid in mijn eigen lessen willen stoppen.’

Spelen met de regels
Job vindt: ‘Er zijn best veel elitaire types in de klassieke muziekwereld, je hebt al snel het idee dat alles serieus moet zijn en dat je geen fouten, laat staan grappen mag maken.’ Jacqueline vult aan: ‘Als leek, en dat ben je als leerling toch, schrikt die ernst af en dan voel je niet de ruimte om zelf iets te vinden of te zeggen of om je eigen ding te doen met zo’n kunstwerk. Dat blijft bijvoorbeeld een afstandelijk abstract werk, omdat je het niet begrijpt.’ Ze herinnert zich opdrachten waar ze als leerling aan de slag moest met beeldgrappen en het in twijfel trekken van regels: ‘Dat sloeg aan, omdat je het zo meer naar je eigen wereld kon trekken.’

Alicia (1e jaars DoMu): ‘Regels heb je nodig om tot een acceptabele vorm van samenleven te komen. In de kunst kan je daar een beetje mee spelen. Ik zou willen dat mijn leerlingen zich volkomen vrij voelen om te doen wat ze willen. Bijvoorbeeld liedteksten schrijven die volslagen belachelijk zijn, dus letterlijk om te lachen. Of dat ze compositieregels aan hun laars lappen, om te kijken wat er dan gebeurt. Kunst begint met jezelf vermaken en daarmee dan weer anderen vermaken. Of dat humor is, weet ik niet, maar dat vind ik wel super waardevol.’
Daar zijn de andere eerstejaars het allemaal mee eens. Over het havo-examen kunst (algemeen) van 2021 met als thema humor zijn de studenten het ook eens. Daar zaten wel een paar leuke fragmenten en interessante vragen bij, maar het examen was niet per se grappig. Misschien wel voor kunsthistorici en kenners, maar niet voor examenkandidaten.

In de discussie die volgt komen ze tot de slotsom dat een belangrijke taak van de kunstdocent is om leerlingen regels, binnen en buiten de kunst, te leren bevragen. Humor en controverse helpen daarbij. In het lesgeven zelf, in de voorbeelden die je als docent geeft. Door te relativeren en te ont-regelen stimuleer je een open houding en een kritische blik bij leerlingen. En dat is een vorm van engagement die ze allemaal zien zitten: ‘Daar krijgen we een betere wereld van’.

Met dank aan Job Boer, Alicia van der Gaast (Docent Muziek, Prins Claus Conservatorium, Groningen), Joy de Vegt en Jacqueline Galama (Docent Beeldende Kunst en Vormgeving, Academie Minerva, Groningen)

Kunst en burgerschap

Auteur: Lucie de Groen | Beeld: Tommy van der LooA conversation piece, Tilburg

‘Door het aangaan van een dialoog kunnen de eerste stappen worden gemaakt om weer dichter tot elkaar te komen.’ Aldus Tommy van der Loo, de maker van A conversation piece (2022). Dit kunstwerk is een dialoogtafel die momenteel wordt gebruikt in De Pont voor een nieuw educatief project, dat aansluit bij burgerschapslessen en de tentoonstelling van Kara Walker.

Walker brengt met haar werk haar ervaringen met ongelijkheid en identiteit in Amerika in beeld. Ze vertelt over labels en vooroordelen die de buitenwereld op haar plakt. ‘Wanneer ik in mijn atelier ben, ben ik gewoon Kara maar wanneer ik naar buiten ga ben ik zwart, een vrouw, een kunstenares.’ Walker daagt de bezoeker uit na te denken over zijn of haar eigen situatie en vraagtekens te zetten bij vooroordelen over gelijkheid en ongelijkheid tussen man/vrouw, zwart/wit, macht/onmacht.

Hoe zien leerlingen de kunstwerken van Walker? Wat halen ze eruit en wat brengen ze mee? Hoe ervaren zij ongelijkheid in ons land? Aan mij, stagiair museumeducatie, de taak om op deze vragen in te gaan en een brug te slaan tussen het werk van Walker en burgerschapslessen.

Na een rondleiding door de tentoonstelling gaan de leerlingen met elkaar in gesprek aan de dialoogtafel van Tommy van der Loo. Dit kunstwerk is een combinatie van een tafel en een slavenschip. De stoelen eromheen hebben verschillende afmetingen waardoor er aan tafel automatisch een zichtbare vorm van ongelijkheid ontstaat. Dit geeft direct aanleiding tot een gesprek. Het gesprek wordt geleid door jongeren van BOOTSprojects, die het project ook mede-ontwikkelden. Omdat deze jongeren leeftijdsgenoten zijn van de leerlingen (peer-to-peer) verlopen deze gesprekken soepel.

Tijdens het gesprek begeleiden de BOOTS-jongeren de leerlingen door drie fasen: ervaring, droom en doen. De leerlingen beginnen met het delen van hun eigen ervaringen: hoe kom je ongelijkheid tegen in je eigen omgeving, heb je het zelf meegemaakt? In de droom-fase vertellen leerlingen over de door hen gewenste situatie. In de doe-fase bedenken ze samen wat ze bij wijze van spreken morgen al kunnen doen om ongelijkheid tegen te gaan.

Uit gesprekken die ik bijwoonde blijkt dat leerlingen verschillende soorten ongelijkheid ervaren. Zo vertelde een jongere van Hindoestaanse afkomst dat ze een winkel was uitgezet met als reden dat de winkel geen make-up had voor haar huidskleur. Een leerling van het praktijkonderwijs vertelde in een ander gesprek geëmotioneerd dat hij gamen heel leuk vindt, maar dat hij daar niet heel goed in is en hij daarom niet meer mag meedoen met anderen. In beide gesprekken kon je goed zien dat de groep meeleeft als iemand een persoonlijke ervaring deelt. Zo benoemde de groep van de jongen die niet mag meespelen meteen situaties waarin hij wel uitblinkt. De medeleerlingen van de andere groep schrokken van de ervaring en dachten actief mee hoe ze kunnen ingrijpen bij het zien van racisme in een winkel.

Het is heel mooi om te zien hoe leerlingen hun ervaringen delen, dromen over een perfecte wereld en vervolgens iets concreet kunnen ondernemen om ongelijkheid in hun omgeving te signaleren en tegen te gaan. Een waardevolle aanvulling op burgerschap. Zo komen we uiteindelijk dichter bij elkaar.

Lucie de Groen is stagiair museumeducatie bij De Pont museum in Tilburg en derdejaars student bij Fontys Hogeschool voor de Kunsten Tilburg aan de opleiding Docent Beeldende Kunst en Vormgeving

Het kunstvaklokaal. . .

. . .van het Christelijk Lyceum Veenendaal

Auteur: Marjo van Hoorn | Foto’s: Kunstvaklokaal Christelijk Lyceum Veenendaal

 

In de serie Het kunstvaklokaal nemen we de lezer mee naar verschillende kunstvaklokalen, muziek, beeldend, theater, dans en film in scholen voor voortgezet onderwijs. Hoe zo’n lokaal eruit ziet heeft effect op de sfeer, de concentratie en manier van werken. Welke ideeën en verlangens heeft een kunstvakdocent over de inrichting van zijn lokaal? En zijn deze verwezenlijkt of niet?

‘Een expositie met dagelijks wel 2000 kijkers,’ zo omschrijven docenten beeldend Annelies de Vries en Wieke Teselink de grote etalages van hun lokaal in het hart, het A-trium, van de nieuwbouw van hun school.

Vijf grote beeldende lokalen verspreid over drie gebouwen, of één kunstdomein met kleinere lokalen? Een vraagstuk dat de sectie beeldend kreeg voorgeschoteld toen een deel van het bestaande gebouw uit 1968 zou worden ‘hergebruikt’ en geïntegreerd in een nieuw, duurzaam schoolgebouw. Na veel tekeningen maken, plattegronden napluizen, passen en meten is uiteindelijk gekozen voor de pragmatiek: liever een groot beeldend lokaal gescheiden van de andere kunstvaklokalen, dan een klein samen met de andere. Vierkante meters maken tenslotte het verschil als je leerlingen groter werk wilt laten maken, als je hen en de kunst – letterlijk – de ruimte wilt geven.

Sinds 2021 is het nieuwe gebouw in gebruik. De Vries en Teselink willen vooral zichtbaar maken hoe er gewerkt kan worden in de beeldende lessen, ze willen het werk van de leerlingen zichtbaar maken. En ze zijn dan ook heel gelukkig met de enorme ramen die uitkijken op het A-trium. Het beeldende vak presenteert zich. Iedereen die de grote centrale trap oploopt, ziet in een oogopslag wat er gedaan en gemaakt wordt. Dat nodigt niet alleen uit tot een nadere blik, het inspireert.

Het nieuwe, tamelijk smalle en langgerekte lokaal is door de sectie bewust en stapsgewijs ingericht. Het vergde namelijk wat hoofdbrekens hoe het zo goed, efficiënt, slim en tegelijkertijd aantrekkelijk in te richten.
De linkerkant van het lokaal toont gevulde vitrines met leerlingenwerk, boeken en andere inspiratiebronnen. De andere lange wand is benut voor opbergplaatsen van materiaal, gereedschap en machines. Die indeling sluit ook aan bij hun voorkeur voor thematisch werken. Ze willen dat leerlingen leren zelf keuzes te maken nadat ze een thema eenmaal hebben geïntroduceerd. Hoe kunnen ze hun idee het beste vormgeven? Het dan aanscherpen, bijsturen of verwerpen? Leerlingen kunnen rondneuzen en rommelen in de verschillende materiaal- en gereedschapsbakken en dat maakt, zeggen De Vries en Teselink, ‘dat er tijdens het creatieve proces opeens een lichtje aangaat.’

Nu oogt het vaklokaal nog tamelijk nieuw en ongerept, maar de docenten zien tot hun plezier dat de werktafels allengs ‘gebruikter’ ogen. Het ‘ateliergevoel’ mag nog meer komen, de komende tijd. Ze merken dat de opstelling die ze kozen een zekere rust en concentratie geeft. Elke tafel is als het ware een klein ‘stationnetje’ met een groepje werkende leerlingen. Beiden sluiten overigens niet uit dat er in de loop van de tijd dingen zullen veranderen; de ervaring zal het leren. De zoektocht naar meer zichtbaarheid blijft. Muurschilderingen, kleurige stellages, sokkels. Het lokaal in het nieuwe gebouw biedt tal van mogelijkheden; alles stroomt.

Humorvol kunstbeschouwen

Auteur: Manon Habekotté | Beeld: Jos De Gruyter en Harald Thys  Mondo Cane, 2019. Foto ID

Ben je wel eens de enige die op een tentoonstelling moet lachen om een kunstwerk? Als men je verstoord aankijkt, verontschuldig je je, misschien was het toch niet grappig bedoeld? Humor in kunst wordt niet altijd opgemerkt door de toeschouwer. In dit artikel licht ik vier vormen van humor toe.

De afgelopen 20 jaar is er steeds meer aandacht voor humor in hedendaagse beeldende kunst, vergezeld van tentoonstellingen die humor als onderwerp hebben (Higgie, 2007). Tot eind januari was bijvoorbeeld in het ING Art Center in Brussel de tentoonstelling HaHaHa. De Humor van de Kunst. Ook de 15e Documenta in Kassel kent een onderdeel humor. Onder de noemer lumbung calling worden in een serie gesprekken waarden van de Indonesische lumbung (een schuur waar het overschot van de rijstoogst wordt opgeslagen voor gemeenschappelijk gebruik, red.) besproken met onder andere kunstenaars, activisten, onderzoekers, boeren en festivalmakers. In de tweede aflevering staat de waarde humor centraal. In dit online te beluisteren gesprek wordt geconstateerd dat humor vaak niet opvalt maar dat het desondanks van grote waarde is als methode of mechanisme, als overlevingsmiddel, als zelfbescherming en zelfs als wapen. Door humor kunnen we hoop voelen in uitzichtloze situaties, het maakt ons menselijk en onderscheidt ons van het mechanische (e-flux, 2021; Documenta 15, 2021).

De Amerikaanse kinderboekenschrijver en essayist White zei ooit: ’Explaining a joke is like dissecting a frog. You understand it better but the frog dies in the process’. Als je een grap moet uitleggen, is die meteen niet grappig meer. Als de toeschouwer de grap van de kunstenaar niet meteen doorheeft, wordt hij over het hoofd gezien. Het blijkt lastig om te benoemen wat precies de grap is van een kunstwerk. Schrijvers van artikelen, recensies en tentoonstellingscatalogi lichten zelden toe wat een werk humorvol maakt. Ze houden het meestal bij de – veilige – stelling dat de kunstenaar humor gebruikt.

Onderstaande vier theorieën over humor verschillen sterk van elkaar, maar proberen allemaal hetzelfde te verklaren, namelijk waarom wij lachen om grappen. De gekozen kunstwerken zijn passend ter illustratie van elke theorie maar kunnen – in meerdere of mindere mate – uitgelegd worden bij elke theorie. Het gaat immers om een vergelijkbaar fenomeen: ‘an artist’s joke’ (Higgie, 2007).

Ontladingstheorie
Freud (1905) stelt dat humor ingezet wordt om gevoelens te vermijden. We bouwen spanning op door gevoelens van bijvoorbeeld nervositeit of agressie te onderdrukken. We laten de spanning los als we moeten lachen (Bardon, 2005; Morreall, 2009; Carroll, 2014). Dit wordt de ontladingstheorie genoemd. Volgens Morreall is dit een ouderwetse visie op de beleving van humor omdat de menselijke geest complexer in elkaar steekt. De spanning die we opbouwen door het onderdrukken van gevoelens is immers dezelfde spanning die ontlaadt door te lachen. Recenter onderzoek van Eysenck (1972, in Morreall, 2009) laat het tegenovergestelde zien: niet mensen die hun gevoelens onderdrukken, maar juist vrij uiten, genieten van grappen over dezelfde onderdrukte gevoelens.

Klara Lidén voerde in 2003 de performance Paralyzed uit in de metro in Stockholm. Terwijl de trein rijdt, staat Lidén ineens op en begint expressief te bewegen. Ze trekt haar jas, broek en een van haar sokken uit, en in een blauw rokje en roze bloesje beweegt ze op een vrije en wilde manier, hangend en draaiend aan de palen van de trein en klimmend over de stoelen en in het bagagerek. De videoregistratie laat zien dat de andere reizigers niet kijken of wegkijken, ze proberen hun gewone gedrag vol te houden alsof er niet iemand los gaat in de metro.
Lidéns ongeremde, clowneske gedrag op deze ongepaste plek maakt het kunstwerk humorvol, helemaal in contrast met het beheerste gedrag van de medereizigers, waardoor de situatie absurd wordt. De performance raakt de ontladingstheorie omdat die speelt met schaamtegevoelens en exhibitionisme.

Superioriteitstheorie
De superioriteitstheorie omvat een van de oudste ideeën over humor. Kort gezegd handelt deze theorie over lachen om een ander omdat we ons beter voelen (Bardon, 2005). Bergson voegt daar een interessant aspect aan toe: weerstand tegen materialisme en mechanisatie die de creativiteit onderdrukt. Bergson erkent dat abstract denken belangrijk is als je wetenschappelijk werk verricht. Maar als we ons denken laten beheersen door techniek, worden we mechanisch. Ons leven wordt dan ingericht volgens strakke regels en voorspelbare handelingen (Morreall, 2009). Willen we ons blijven ontwikkelen, moet ons denken en lichaam elastisch blijven. De starheid van mensen omschrijft Bergson als mechanische inelasticiteit. Zijn toevoeging aan de superioriteitstheorie is dat humor een lerende functie heeft. Iemand die zich inflexibel gedraagt en daarom uitgelachen wordt, kan zich weer menselijker gaan gedragen, hij leert immers een pijnlijke les. Humor is dan het lachen om de starheid van anderen. Dat is niet slecht; diegene kan ervan leren en weer creatief worden (Morreall, 2009; Bergson, 2010).

Lees het hele artikel in Kunstzone #3.

Sorry, je hoofd past niet meer

Humor als gereedschap

Auteur: Dagmar Baars | Beeld: Humor als gereedschap

Rode wangen en gevloek in de kragen want: ‘We moeten modeltekenen!’ Ondanks het gemompel en gesteun gaan de mondhoeken al snel noordwaarts. Een romp heeft nog nooit iemand nodig gehad om mens te zijn en knieën zijn overbodige luxe. En omdat het minuutje bijna voorbij is, slaan we het bestaansrecht van de neus ook maar even over; een beeld vertelt tóch wel een verhaal, ook zonder lichamelijke kenmerken.

Hoewel er tot nu toe geen één leerlijn eindigt, begint, of zich vult met humor, is het in onderwijs een constructief confettikanon. Zeker als we het hebben over beeldende vorming op de pabo en alle onzekerheden die daarbij komen kijken. Vooral die onzekerheden worden meteen zichtbaar bij een opdracht waarin de technische lat schijnbaar te hoog wordt gelegd.

Alleen gaat het hier niet om de realiteit in houtskool proberen te evenaren, maar meer over doorzetten, gebreken (h)erkennen en erom leren lachen. Het komische bestaat immers niet buiten de perken van het menselijke, of, in dit geval, buiten de beperkingen van het menselijke. Humor leeft in het lachen om onszelf en de ander, zonder dat dat deprimerend is. Het geeft een gevoel van emancipatie, troost en vrolijkheid, schrijft Simon Critchley in zijn boek On Humour (2002).

Didactische duct tape
De ‘toolkit’ waarmee studenten na de pabo de klas instappen is zwaar beladen met pedagogiek, didactiek en kennis van allerlei vakken die we op  dit moment belangrijk achten voor het basisonderwijs. Ondanks dat gewicht is het mijn streven om naast die vaste collectie ook humor als gereedschap toe te voegen. Of je het nu gebruikt als ‘pedagogisch plamuurmes’ of ‘didactische duct tape’. Als leerkracht moet je risico’s nemen en sprongen maken. Dan maak je soms een misstap of kom je toch ergens anders uit dan verwacht.

Lachen verbindt, dicht de gaatjes en maakt lichter wat ons allemaal menselijk maakt: gebreken. Ook voor mij werkt dat vaak relativerend. Regelmatig struikel ik over stoelpoten, losse tassen en jassen, maar voornamelijk over mijn eigen rommel. Een menselijk gebrek aan vermogen tot ordening. Een handicap die een tijdje terug bekroond werd met een eclatante struikelpartij over mijn tas. Waardoor ik vóór de klas, óp mijn rug, áchter het bureau belandde. Het moet er volslagen idioot uit hebben gezien, maar veel tijd om me te schamen kreeg ik niet. Er verscheen namelijk onmiddellijk een lachend hoofd tussen de vier poten: ‘Als je nou even zo blijft liggen, dan zullen we jou eens even schetsen.’