‘De speelruimte die we als kunstdocenten creëerden heeft toch zijn vruchten afgeworpen’
Blog / Dagmar Baars / 14-03-2026

Studentenbeoordelingen van vakken kunnen meedogenloos zijn. Maar wat zeggen die nu werkelijk? Iets over jou als docent? Of zijn die meningen reflecties van hun eigen denkkaders en verwachtingen? Kunsteducator Dagmar Baars reflecteert in haar 27e blog op het oordeel van haar studenten.
Ik zit aan tafel te wachten op mijn collega. De module die we samen hebben ontwikkeld is tussentijds geëvalueerd met studenten. “Wáár heb ik het staan?”, zegt ze, terwijl ze door de mappen op haar laptop speurt naar de resultaten.
Het doet me denken aan de wachtkamer bij het APK-station. Zwijgend naast andere bestuurders wachtte ik eerder die week het verdict af. Door het raam zie ik een man mijn auto doorlichten: lampen aan, lampen uit, gas geven, remmen. De auto wiebelt. Ik hoop dat mijn stalen lieveling niets onthult wat ik nog niet wist. Een hapering, een mankement; het zou hoogverraad zijn. Een vrouw achter de balie schreeuwt mijn kenteken door de met plavuizen gevloerde ruimte. Alsof het een kwestie van leven of dood is, probeer ik in haar blik alvast iets af te leiden. Is dit de blik van iemand met slecht nieuws? Als ze de sleutel overhandigt, zegt ze: “Je hebt geluk, hij is er weer doorheen.”
Helaas bleek dat geluk niet met me te zijn meegereden naar mijn werk. “Ah! Gevonden!”, zegt mijn collega, en steekt van wal. Uit haar aantekeningen komt naar voren dat studenten de module tot nu toe anders hebben ervaren dan wij als docenten.
De module Beeld, onderdeel van de minor Kunst en Creatie van Fontys Academy of the Arts, heb ik samen met een collega ontworpen met de focus op (beeldend) onderzoek en nieuwsgierigheid. ‘Het maakt niet zoveel uit wat je doet, áls je maar doet’, zou – nonchalant geformuleerd – de ondertitel van de module kunnen zijn. En juist daarover struikelden studenten, blijkt uit de evaluaties en, achteraf gezien, ook uit de lessen. We zagen als docenten hoe het ‘niet weten waar en hoe te eindigen’ veel stress gaf. Voor sommige studenten werkte dit haast verlammend, ondanks ons enthousiasme en onze herhaaldelijke pogingen om de gemoederen te bedaren.
Gedrild door een systeem waarin meestal vooraf al bekend is wat je gaat doen, hoeveel tijd het kost, wat je eraan hebt en wat je ervoor krijgt, was onze werkwijze voor de studenten even wennen. Er lag bij hen de verwachting dat ze zouden leren hoe je een ‘mooi’ werk maakt, maar er werd vergeten dat dat niet altijd de uitkomst is van een oprecht beeldend onderzoek.
Ook wilden sommige studenten hun vingers liever niet branden aan een meanderend proces, iets wat vaak voorafgaat aan het ‘mooie’ en zich kenmerkt door een nieuwsgierige en zoekende houding. Liever je navigatie op scherp terwijl je soepeltjes over het veilige asfalt naar je bestemming snelt, dan over een hobbelig maar sfeervol landweggetje, met alle risico’s van dien. Heel begrijpelijk. Vooral als je kijkt naar hoe we over het algemeen onderwijs inrichten en wat we doorgaans vragen van jonge mensen. Alleen, wat nu?
Hoewel het erop leek dat halverwege de module onze missie spaak zou lopen omdat studenten ‘te veel onduidelijkheid’ ervoeren, heb ik inmiddels het gevoel dat de speelruimte en de vragen die we als docenten creëerden misschien toch hun vruchten hebben afgeworpen. Omdat de minor een tijdelijke studie-uitstap van een half jaar naar keuze is, vloog iedereen na de afronding weer terug naar verschillende opleidingen in Nederland. De landing bleek alleen niet voor iedereen even zacht. De overgang vanuit de minor was voor sommige studenten te groot. Eenmaal terug tussen de vele toetsmomenten en strakke kaders werd de creatieve speelruimte gemist. Dit leidde tot twijfels en bij een enkeling tot beëindiging van hun studie.
Misschien is het te veel lof voor ons eigen werk, maar ergens ben ik er op een vreemde manier toch een beetje trots op dat we mogelijk een beetje hebben bijgedragen aan deze keuzes en overwegingen. Blij dat we, door te wrikken aan kaders en verwachtingen die we normaal zijn gaan vinden, mensen in beweging hebben gebracht. Speelruimte geeft onduidelijkheid, maar ook veel mogelijkheden die waardevol zijn in een fase van ontwikkeling. Dus wat mij betreft hebben we tóch geluk en zijn we ‘er weer doorheen’.
Dagmar Baars treedt al bijna tien jaar op als ‘bemiddelaar’ tussen kunst en beschouwer. Dat doet ze als docent aan Hogeschool de Kempel en Fontys Academie voor Beeldende Vorming – én met haar eigen onderneming EindBaars Producties.