Column | Van Gerwen denkt door

Hoezo moet kunst schuren?

Auteur: Rob van Gerwen | Illustratie: Lennie Steenbeek

Je hoort tegenwoordig vaak dat kunst moet schuren. Meestal verdedigt men dan werken die mensen tegen de haren instrijken of hen voor een politieke kwestie willen mobiliseren.

Mensen schuren dingen, maar kunst moet figuurlijk ‘schuren’, ze moet beledigen, kritisch zijn. Men vindt dat kunst politiek dwars moet liggen, de wereld moet veranderen. Een idee waarmee kunstenaars zich onder druk (laten) zetten om steeds activistischere werken te maken.

Jonas Staal bijvoorbeeld plaatste in 2004 in verschillende steden bermmonumenten voor Geert Wilders en organiseerde later New World Summits, politieke bijeenkomsten. Mensen treurden om de ‘verongelukte’ Wilders (of niet), of ze namen op de Summits aan een politieke discussie deel. Als je beseft dat Staals werk niet is wat het lijkt (geen echt monument, wel een echte politieke bijeenkomst), vraag je je af: Hoe moet ik dit als kunst waarderen?

Staals ingrepen zijn geen kunst en ze hebben geen politiek effect. Staal bijt in zijn eigen staart. Je zou cynisch kunnen denken dat het wel kunst is omdat het maatschappelijk geen effect sorteert. Alsof al wat maatschappelijk nutteloos is daarom dan wel kunst zal zijn.
Wil kunst schuren, dan moet het wel kunst zijn. En misschien schuurt een werk dan soms — door zijn artistieke verdienste. Jenny Saville schuurt niet door letterlijke boodschappen, maar door haar stijl, net als Marlene Dumas, Paul Cézanne, Francis Bacon, Lucian Freud, Rob Scholte — doet niet alle grote kunst het?

Wie met Santiago Sierra’s werken geconfronteerd wordt, wordt misschien boos om hoe hij met mensen omgaat — totdat je beseft dat je je zelf ook zo gedraagt, of er tenminste in het dagelijks leven niemand van weerhoudt. Mocht Sierra’s kunst ‘schuren’, dan werkt dat zo goed omdat niet alleen de thematiek, maar vooral ook zijn artistieke werkwijze hem zelf overtuigt. Hij verhoudt zich daar als kunstenaar toe, al jaren. Hij voelt zich er thuis bij, het is zijn manier van kunstmaken.

Wanneer het publiek geraakt wordt door een werk van Sierra, beseft het ook zelf bij dit werk op zijn plek te vallen. Die aanwezigheid bij het werk, eerst van de kunstenaar, dan van de kunstbeschouwer, vormt de kern van kunst. Kunst mag best ‘schuren’, maar noodzakelijk is dat geenszins. Maar ze moet wel kunst zijn en een thuis bieden aan de betrokkenen.

Activisme is te letterlijk om lang te boeien. Het raakt je niet, het bevestigt je. Schurende kunst moet eerst kunst zijn, anders is het … Preken. Voor eigen parochie.

De Canon van Rop

Hooggespannen verwachtingen

Auteur: Jeroen Rop |Foto: Jeroen Rop DNV GL, TenneT, ZJA. Wintrackmast  (2016)

Aan de lezer die hier graag weer eens een schilderijtje besproken ziet: heb nog even geduld. Voor ik weer in vervoering raak door de schilderkunst, waarschijnlijk binnenkort al, neem ik u eerst mee langs wat andere persoonlijke fascinaties die nu eenmaal niet onbehandeld kunnen blijven in deze inmiddels alle kanten op vliegende canon. Zo er al trouwe lezers zijn – van het kaliber fan van het eerste uur – dan weet dit selecte gezelschap hoezeer ik houd van kunst die niet expliciet bedoeld is als kunst. Niet-kunst biedt mij heerlijk de ruimte om ongebreideld te speculeren en vooral de mogelijkheid om al associërend een woud aan verbintenissen te leggen waar ik steevast genoeglijk in verdwaal.

Deze keer in de reeks kunst die geen kunst wil zijn: hoogspanningsmasten. Waar windmolens als onnatuurlijke elementen in het landschap voor stevige discussies zorgen, glippen onze hoogspanningsmasten er al jaren op een wonderlijke manier tussendoor. Voor de natuurpurist moeten ze minstens zo horizonvervuilend zijn, maar veel negatiefs horen we er verder niet over. We zijn zo gewend geraakt aan die Vladimir Sjoechov-achtige vakwerkmasten door heel het land dat ze niet langer storen. Als er een beeld de essentie van zo’n mast in het Nederlandse cultuurlandschap op een schitterende manier vangt is dat wat mij betreft Pylon (2006) van kunstenaar Erwin Zwakman. Het verheft de zo alledaagse hoogspanningsmast tot iets magisch.

Kennelijk moet het anders op de energietransportmarkt. Netbeheerder TenneT zet sinds een paar jaar in op een ander model, geschikt voor een nieuw hoog belastbaar stroomtraject. De Wintrackmast, een ‘bi-pole’ systeem – hier rechts in aanbouw – zorgt volgens ontwerpers Zwarts & Jansma Architecten met zijn ranke vormentaal en neutrale kleurgebruik voor visuele rust in het landschap. Of dat zo is weet ik niet: de esthetiek van de pylonen genereert naar mijn gevoel een zweem van onbestemde symboliek. Iets mystieks. Vreemd idealistisch. Het zijn moderne totempalen, gestileerde engelen. Wachters. Onheilbrengers. Boze krachten. In mijn fantasie kunnen de zijarmen bewegen zoals in een télégraphe Chappe, waarmee duister geheimschrift over onze hoofden wordt doorgeseind. Intrigerend zijn ze, dat wel. Het architectenbureau ontving hiervoor de Nationale Staalprijs. Maar rust bezorgen ze mij helemaal niet.

Zodra de masten voorzien worden van isolatoren en stroomdraden degraderen ze tot ordinaire kabeldragers waarbij het mystieke er meteen af valt. Dan kan het grote gewennen van start. Eens zien of ze mijn hart weten te winnen. Over twintig jaar breng ik verslag uit, trouwe lezer.

Column | Van Gerwen denkt door

Covid en kunst

Auteur: Rob van Gerwen | Illustratie: Lennie Steenbeek

Hoe moet je onder de huidige omstandigheden doordenken over kunst als je je ervaringen niet met anderen kunt delen? Abstract doordenken is geen optie, want filosofie van de kunst is een toegepaste filosofie, afhankelijk van de stand van haar onderwerp, de kunst en onze ervaring daarvan. Het covid-isolement zelf leert ons iets over kunst.

Na Teams-vergaderingen ben ik vaak van slag. Ik ga nutteloze dingen doen. Ik schuif-lees een stuk op medium.com — dat ik al weken (niet) wilde lezen. Ik tik aantekeningen uit. Dat is niet nutteloos, maar urgent is het ook niet. Ik zet een film aan, kijk een kwartier, vind er niets aan, haal hem van mijn harde schijf. Die hoef ik niet meer te bekijken: tijdwinst. Ik haal klussen van mijn schouders, non-klussen eigenlijk. Na een uur herpak ik me en zet me aan een echte.

Op andere dagen lukt het opstarten niet goed. Dan ga ik hardlopen — dan beweeg ik tenminste. Verder zit ik uren op mijn stoel. Het doet soms pijn om overeind te komen en in de keuken een glas thee te halen.

Vier dagen in de week zie ik geen andere mensen, of alleen via mijn computerscherm. Mijn vrouw vertrekt na het ontbijt en komt bij het avondeten pas weer thuis, met verhalen over haar werk. Wat heb ik te vertellen?

Ik wil weer bij mijn collega’s zijn en niet in Teams-vergaderingen. Ik wil hen kunnen aankijken en dat kan in Teams niet, daar zie je alleen `filmpjes’ van iedereen. Aankijken en lichaamstaal werken hier niet. ‘Observeren’ is het eerder. Gaan wandelen met collega’s is geforceerd, dat neemt de vervreemding evenmin weg. Ik wil op de universiteit zijn, achter mijn computer zitten en weten dat er ook anderen zijn, hen langs zien lopen, me op mijn plek voelen. Zien dat het goed met hen gaat, laten zien dat het goed met mij gaat. En me achter mijn beeldscherm terugtrekken. De ellende van de covid-19 sluiting van de samenleving is best subtiel.

Naast dat wegwerken van nodeloze klusjes bemerk ik dat ik ook minder plezier in muziek heb. Een teken aan de wand voor een muziekliefhebber als ik. Met Spotify heb ik alle muziek binnen bereik en leer ik het af om naar mijn eigen selectie te luisteren — zoals vroeger naar mijn cd’s. Alsof nu ik `alles’ kan horen, niets me nog raakt. Zo leeg moet ook het eeuwige leven zijn; vanwaar de haast? Niets moet nu, want alles kan later nog. Mijn toewijding lijkt geknakt en niets lijkt nog urgent.

Hoe moet je onder zulke omstandigheden doordenken over kunst? In je eentje van kunst genieten is maar voorlopig. Je wilt je ervaringen delen met anderen. Kunst genieten, de ander aankijken, je leven leiden, ze zijn onlosmakelijk verbonden.

Nepmuziek in televisiereclames

Plagiaat is verkeerd als ze ten koste gaat van het origineel

Auteur: Rob van Gerwen | Illustratie: Lennie Steenbeek

In popmuziek spreken we van covers, in klassieke muziek van uitvoeringen wanneer een werk opnieuw en op een andere manier uitgevoerd wordt — doorgaans is het ook wel duidelijk van wie het origineel was. Juridisch is een cover of uitvoering plagiaat als je je schatplicht niet meldt. Dit is een objectief criterium en zo gebruiken rechters het ook. Best begrijpelijk, maar dat maakt het nog niet verdedigbaar.

Ik zou zeggen dat je alles mag hergebruiken als je het maar nieuw leven inblaast, reanimeert. Dus als een cover beter is dan zijn origineel is het wat mij betreft geen plagiaat. Maar een cover kan het origineel ook kapot maken en alleen dan, zou ik zeggen, is het te veroordelen. Artistiek, moreel – en ik zou willen – pas dan ook juridisch. Maar de rechter is niet per se thuis in de kunstkritiek, dus zou zij zich moeten laten bijstaan. En waarom niet?

Deze keer gaat het mij om de gewoonte van bedrijven om in hun reclames op televisie overbekende hitjes te laten ‘coveren’ op een manier die het origineel beledigt. Plus, ze zingen alleen dat refrein dat iedereen zo goed kent, waardoor de verraste luisteraar plots met die hit in zijn hoofd zit en vervolgens met de vraag hoe die wel klonk, zonder zich die originele gestalte evenwel goed te herinneren omdat de imitatie blijft rondzingen.

SodaStream gebruikt Aretha Franklins Think, zielloos nagezongen. Dagelijks op televisie, het kan niemand ontgaan. Het origineel wordt erdoor tenietgedaan. MacDonald’s gebruikt Don’t You Forget About Me (van The Simple Minds), ook ‘stuk’ gezongen. De dierenbescherming laat dit nummer ook nazingen, vanwege de vergeten dieren (sentimentele kitsch). Plus supermarkt misbruikt To ove Somebody van The Beegees, en weer een andere reclame lokt ons met een verbastering van het prachtige Lovely Day van Bill Withers.

Deze bedrijven propageren hun merk met alle mogelijke middelen, liefst zo goedkoop mogelijk. Dus kiezen ze niet voor de originele liedjes, maar kunnen ze evenmin het respect opbrengen om te proberen die te reanimeren. De bedoeling van de zangers is niet om het mooier dan het origineel te maken, ze willen ons alleen herinneren aan het origineel, louter om het eigen merk ‘in de markt te zetten’.

Dat is waarom plagiaat en vervalsing verkeerd zijn. Wat er in deze reclames gebeurt gaat ten koste van de kunst. Tijd om de copyright wetgeving aan te passen?

PS. De Jumbo reclame met het origineel van Minnie Ripertons Lovin’ You is een prettige uitzondering.

Foto’s met Punctum

Auteur: Rob van Gerwen | Illustratie: Lennie Steenbeek

Soms `prikt’ ons iets in een foto, volgens Roland Barthes. Het studium van een foto is het verhaal dat we er dankzij onze culturele achtergrond in kunnen zien. Het punctum is dat wat ons `prikt’. Dat laatste probeer ik te begrijpen.

Bij mij thuis hangen oude zwart-wit foto’s uit mijn jeugd en die van mijn vrouw. Laatst keek ik naar Birgit toen ze een jaar of vijf was, een liefje. Daarna viel mijn oog op een foto van thuis, bij ons op de achterplaats. Drie van de kinderen zitten in een fietskar die ome Piet voor ons had gelast op de NS-Werkplaats in Tilburg. Ik sta niet op die foto, maar herinner me die kar goed, heb er nog lopend oud papier mee opgehaald. Ik zie nog voor me hoe hij aan de bagagedrager bevestigd moest worden. Ik ervaar, nu, de gemoedelijkheid van mijn broers en zus opgepropt in die kar. Wat ik in deze foto zie is me al bekend.

Iedereen kan zien dat het kleine Birgitje een lief meisje is en dat de kinderen Van Gerwen in die kar gezellig aan het spelen zijn, maar als ik die laatste foto bekijk ken ik die situatie al. Is het dit wat Barthes met punctum bedoelt? Hij spelt het niet uit, mogelijk omdat het hier om iets subjectiefs gaat.

Barthes zoekt in een berg foto’s er een van zijn onlangs overleden moeder waar ze echt op staat. Hij vindt die foto ook uiteindelijk. Zijn moeder staat in een winterse tuin, zes jaar oud. Zo heeft Barthes haar natuurlijk nooit eerder gezien. En toch is ze dit helemaal voor hem. Hoe herkende hij haar zo zeker in deze foto?

Ik noem het subjectieve zekerheid. Je leidt die zekerheid niet af van de foto (het studium), ze gaat er aan vooraf, soms. Ieder ander kan kijken zolang men wil zonder ooit diezelfde subjectieve zekerheid te verkrijgen. Dit vormt zeker een deel van de uitleg van punctum.

Waarom kan fotografie dit — en kunnen tekeningen of beschrijvingen het niet? Dat komt omdat alleen een foto iets werkelijks bewijst en in dit soort gevallen beschik jij daar al over. Jij bewijst subjectief het objectieve bewijs in de foto. Anderen kunnen alleen afleiden hoe het was voor deze drie kinderen in die fietskar. Wat is precies het verschil?
(Ik waag het met een vraag te eindigen omdat iedereen weet waar ik het over heb)

Van Gerwen denkt door

Lotgevallen, waarom interesseren ze me niet…

Auteur: Dr. Rob van Gerwen | Illustratie: Lennie Steenbeek

‘Een dode tweelingzus die misschien nog leeft.’ Dramatisch. Wie ter adoptie wordt afgegeven ‘omdat je tweelingzus al overleden is’ en ontdekt dat het anders zat, raakt in de war over haar leven en over iedereen met wie ze dat deelde.

Ik begrijp het en ik zou niet in haar schoenen willen staan.
Maar het interesseert me niet echt… en ik voel me niet slecht bij mijn gebrek aan medelijden. Ik denk omdat dit verhaal niet verder reikt dan dit ene geval. Het heeft geen universele betekenis — hoogstens een statistische. Ik kwam tot dit besef door een droom die ik had:

Na een conferentie in Engeland wil ik mijn logies afrekenen. Het blijkt dat ik het huisje waar ik gelogeerd heb ook kan kopen voor dat geld. ‘Doe eens gek’, denk ik en koop het huisje. En ik vlieg nog niet terug naar huis, maar neem mijn intrek in mijn recente aankoop. Na een uurtje loop ik bij de buren naar binnen, Polen die het Engels volledig machtig zijn. Hun zoon ken ik al. We klooien wat met zijn skateboard.

Dat duurt blijkbaar nogal, want als ik naar mijn huisje terugkeer is het al donker. Er zijn vrouwen in mijn huis. Schoonmaaksters? Ze kijken me raar aan. Ik vraag wat ze hier doen en wijs hen op de koelkast waar mijn snijworst ligt, naast hun etenswaren. Ze zijn niet overtuigd. Overal liggen hun spullen. De mijne zijn weg. Een man zegt nog dat er over in de kranten geschreven staat, maar ik luister niet. Ik ben in paniek. Wat is er aan de hand? Mijn laptop, reispapieren, geld, sleutels, kleren, boeken …

De droom interesseert me, omdat hij me nog eens laat voelen hoe ontheemd ik altijd ben op grote conferenties in de VS; hoe iedereen er voor zichzelf bezig is en ook dat ‘vreemde’ Engels. Hoe een collega daar eens zei dat ik me zo helder kon uitdrukken terwijl hij na mijn voordracht te kennen gaf dat hij wel 99 vragen had maar er toch maar eentje ging stellen. Zijn moedertaal gaf hem een voorsprong bij zijn vriendschappelijk sarcasme.

Nu valt alles op zijn plek: je staat op achterstand als je niet in je moedertaal uit de voeten kan, als je niet ‘thuis’ bent in een land, een cultuur — als je een ‘vreemde’ bent.

Die droom, de uitleg, het is niet louter mijn verhaal. Hij laat een universeel probleem zien, geen eenmalige gebeurtenis.
Zo bedoelde Aristoteles het toen hij schreef poëzie hoger te achten dan de geschiedschrijving; vanwege haar universele waarheden en niet vanwege wat Alkibiades toevallig meemaakte.