Lachen in de kunstles?

Auteur: Esther Schaareman | Beeld: Eric Gauthier Covid Cage videostill You Tube

Raken leerlingen meer betrokken bij de kunstvakken als je humor gebruikt in je lessen? Eerstejaars studenten van kunstvakdocentenopleidingen die nog niet zo lang geleden het voortgezet onderwijs verlieten, laten hun licht schijnen over deze vraag.

Jacqueline (1e jaars DBKV): ‘Humor is zo iets persoonlijks, het luistert heel nauw om dat goed in te zetten. We hebben allemaal als leerling wel de ervaring met een docent die grappig probeert te zijn en dat niet is. Omdat hij of zij de aansluiting mist, of omdat wij niet het referentiekader hebben dat die docent aan probeert te spreken.’ Job (1e jaars DoMu): ‘Maar andersom werkt het ook. Mijn muziekdocent maakte altijd veel grappen en door alles licht te maken raakte ik steeds enthousiaster om aan de slag te gaan. Dat heeft me uiteindelijk zelfs gemotiveerd om de docentenopleiding te doen.’ Joy (1e jaars DBKV): ‘Mijn docent maakte de kunstgeschiedenislessen toegankelijk door de ernst ervan te relativeren door bijvoorbeeld een klassiek verhaal naar het nu te vertalen. Dat werd al snel hilarisch. Ik zou ook graag die luchtigheid in mijn eigen lessen willen stoppen.’

Spelen met de regels
Job vindt: ‘Er zijn best veel elitaire types in de klassieke muziekwereld, je hebt al snel het idee dat alles serieus moet zijn en dat je geen fouten, laat staan grappen mag maken.’ Jacqueline vult aan: ‘Als leek, en dat ben je als leerling toch, schrikt die ernst af en dan voel je niet de ruimte om zelf iets te vinden of te zeggen of om je eigen ding te doen met zo’n kunstwerk. Dat blijft bijvoorbeeld een afstandelijk abstract werk, omdat je het niet begrijpt.’ Ze herinnert zich opdrachten waar ze als leerling aan de slag moest met beeldgrappen en het in twijfel trekken van regels: ‘Dat sloeg aan, omdat je het zo meer naar je eigen wereld kon trekken.’

Alicia (1e jaars DoMu): ‘Regels heb je nodig om tot een acceptabele vorm van samenleven te komen. In de kunst kan je daar een beetje mee spelen. Ik zou willen dat mijn leerlingen zich volkomen vrij voelen om te doen wat ze willen. Bijvoorbeeld liedteksten schrijven die volslagen belachelijk zijn, dus letterlijk om te lachen. Of dat ze compositieregels aan hun laars lappen, om te kijken wat er dan gebeurt. Kunst begint met jezelf vermaken en daarmee dan weer anderen vermaken. Of dat humor is, weet ik niet, maar dat vind ik wel super waardevol.’
Daar zijn de andere eerstejaars het allemaal mee eens. Over het havo-examen kunst (algemeen) van 2021 met als thema humor zijn de studenten het ook eens. Daar zaten wel een paar leuke fragmenten en interessante vragen bij, maar het examen was niet per se grappig. Misschien wel voor kunsthistorici en kenners, maar niet voor examenkandidaten.

In de discussie die volgt komen ze tot de slotsom dat een belangrijke taak van de kunstdocent is om leerlingen regels, binnen en buiten de kunst, te leren bevragen. Humor en controverse helpen daarbij. In het lesgeven zelf, in de voorbeelden die je als docent geeft. Door te relativeren en te ont-regelen stimuleer je een open houding en een kritische blik bij leerlingen. En dat is een vorm van engagement die ze allemaal zien zitten: ‘Daar krijgen we een betere wereld van’.

Met dank aan Job Boer, Alicia van der Gaast (Docent Muziek, Prins Claus Conservatorium, Groningen), Joy de Vegt en Jacqueline Galama (Docent Beeldende Kunst en Vormgeving, Academie Minerva, Groningen)

Kunst en burgerschap

Auteur: Lucie de Groen | Beeld: Tommy van der LooA conversation piece, Tilburg

‘Door het aangaan van een dialoog kunnen de eerste stappen worden gemaakt om weer dichter tot elkaar te komen.’ Aldus Tommy van der Loo, de maker van A conversation piece (2022). Dit kunstwerk is een dialoogtafel die momenteel wordt gebruikt in De Pont voor een nieuw educatief project, dat aansluit bij burgerschapslessen en de tentoonstelling van Kara Walker.

Walker brengt met haar werk haar ervaringen met ongelijkheid en identiteit in Amerika in beeld. Ze vertelt over labels en vooroordelen die de buitenwereld op haar plakt. ‘Wanneer ik in mijn atelier ben, ben ik gewoon Kara maar wanneer ik naar buiten ga ben ik zwart, een vrouw, een kunstenares.’ Walker daagt de bezoeker uit na te denken over zijn of haar eigen situatie en vraagtekens te zetten bij vooroordelen over gelijkheid en ongelijkheid tussen man/vrouw, zwart/wit, macht/onmacht.

Hoe zien leerlingen de kunstwerken van Walker? Wat halen ze eruit en wat brengen ze mee? Hoe ervaren zij ongelijkheid in ons land? Aan mij, stagiair museumeducatie, de taak om op deze vragen in te gaan en een brug te slaan tussen het werk van Walker en burgerschapslessen.

Na een rondleiding door de tentoonstelling gaan de leerlingen met elkaar in gesprek aan de dialoogtafel van Tommy van der Loo. Dit kunstwerk is een combinatie van een tafel en een slavenschip. De stoelen eromheen hebben verschillende afmetingen waardoor er aan tafel automatisch een zichtbare vorm van ongelijkheid ontstaat. Dit geeft direct aanleiding tot een gesprek. Het gesprek wordt geleid door jongeren van BOOTSprojects, die het project ook mede-ontwikkelden. Omdat deze jongeren leeftijdsgenoten zijn van de leerlingen (peer-to-peer) verlopen deze gesprekken soepel.

Tijdens het gesprek begeleiden de BOOTS-jongeren de leerlingen door drie fasen: ervaring, droom en doen. De leerlingen beginnen met het delen van hun eigen ervaringen: hoe kom je ongelijkheid tegen in je eigen omgeving, heb je het zelf meegemaakt? In de droom-fase vertellen leerlingen over de door hen gewenste situatie. In de doe-fase bedenken ze samen wat ze bij wijze van spreken morgen al kunnen doen om ongelijkheid tegen te gaan.

Uit gesprekken die ik bijwoonde blijkt dat leerlingen verschillende soorten ongelijkheid ervaren. Zo vertelde een jongere van Hindoestaanse afkomst dat ze een winkel was uitgezet met als reden dat de winkel geen make-up had voor haar huidskleur. Een leerling van het praktijkonderwijs vertelde in een ander gesprek geëmotioneerd dat hij gamen heel leuk vindt, maar dat hij daar niet heel goed in is en hij daarom niet meer mag meedoen met anderen. In beide gesprekken kon je goed zien dat de groep meeleeft als iemand een persoonlijke ervaring deelt. Zo benoemde de groep van de jongen die niet mag meespelen meteen situaties waarin hij wel uitblinkt. De medeleerlingen van de andere groep schrokken van de ervaring en dachten actief mee hoe ze kunnen ingrijpen bij het zien van racisme in een winkel.

Het is heel mooi om te zien hoe leerlingen hun ervaringen delen, dromen over een perfecte wereld en vervolgens iets concreet kunnen ondernemen om ongelijkheid in hun omgeving te signaleren en tegen te gaan. Een waardevolle aanvulling op burgerschap. Zo komen we uiteindelijk dichter bij elkaar.

Lucie de Groen is stagiair museumeducatie bij De Pont museum in Tilburg en derdejaars student bij Fontys Hogeschool voor de Kunsten Tilburg aan de opleiding Docent Beeldende Kunst en Vormgeving

Het kunstvaklokaal. . .

. . .van het Christelijk Lyceum Veenendaal

Auteur: Marjo van Hoorn | Foto’s: Kunstvaklokaal Christelijk Lyceum Veenendaal

 

In de serie Het kunstvaklokaal nemen we de lezer mee naar verschillende kunstvaklokalen, muziek, beeldend, theater, dans en film in scholen voor voortgezet onderwijs. Hoe zo’n lokaal eruit ziet heeft effect op de sfeer, de concentratie en manier van werken. Welke ideeën en verlangens heeft een kunstvakdocent over de inrichting van zijn lokaal? En zijn deze verwezenlijkt of niet?

‘Een expositie met dagelijks wel 2000 kijkers,’ zo omschrijven docenten beeldend Annelies de Vries en Wieke Teselink de grote etalages van hun lokaal in het hart, het A-trium, van de nieuwbouw van hun school.

Vijf grote beeldende lokalen verspreid over drie gebouwen, of één kunstdomein met kleinere lokalen? Een vraagstuk dat de sectie beeldend kreeg voorgeschoteld toen een deel van het bestaande gebouw uit 1968 zou worden ‘hergebruikt’ en geïntegreerd in een nieuw, duurzaam schoolgebouw. Na veel tekeningen maken, plattegronden napluizen, passen en meten is uiteindelijk gekozen voor de pragmatiek: liever een groot beeldend lokaal gescheiden van de andere kunstvaklokalen, dan een klein samen met de andere. Vierkante meters maken tenslotte het verschil als je leerlingen groter werk wilt laten maken, als je hen en de kunst – letterlijk – de ruimte wilt geven.

Sinds 2021 is het nieuwe gebouw in gebruik. De Vries en Teselink willen vooral zichtbaar maken hoe er gewerkt kan worden in de beeldende lessen, ze willen het werk van de leerlingen zichtbaar maken. En ze zijn dan ook heel gelukkig met de enorme ramen die uitkijken op het A-trium. Het beeldende vak presenteert zich. Iedereen die de grote centrale trap oploopt, ziet in een oogopslag wat er gedaan en gemaakt wordt. Dat nodigt niet alleen uit tot een nadere blik, het inspireert.

Het nieuwe, tamelijk smalle en langgerekte lokaal is door de sectie bewust en stapsgewijs ingericht. Het vergde namelijk wat hoofdbrekens hoe het zo goed, efficiënt, slim en tegelijkertijd aantrekkelijk in te richten.
De linkerkant van het lokaal toont gevulde vitrines met leerlingenwerk, boeken en andere inspiratiebronnen. De andere lange wand is benut voor opbergplaatsen van materiaal, gereedschap en machines. Die indeling sluit ook aan bij hun voorkeur voor thematisch werken. Ze willen dat leerlingen leren zelf keuzes te maken nadat ze een thema eenmaal hebben geïntroduceerd. Hoe kunnen ze hun idee het beste vormgeven? Het dan aanscherpen, bijsturen of verwerpen? Leerlingen kunnen rondneuzen en rommelen in de verschillende materiaal- en gereedschapsbakken en dat maakt, zeggen De Vries en Teselink, ‘dat er tijdens het creatieve proces opeens een lichtje aangaat.’

Nu oogt het vaklokaal nog tamelijk nieuw en ongerept, maar de docenten zien tot hun plezier dat de werktafels allengs ‘gebruikter’ ogen. Het ‘ateliergevoel’ mag nog meer komen, de komende tijd. Ze merken dat de opstelling die ze kozen een zekere rust en concentratie geeft. Elke tafel is als het ware een klein ‘stationnetje’ met een groepje werkende leerlingen. Beiden sluiten overigens niet uit dat er in de loop van de tijd dingen zullen veranderen; de ervaring zal het leren. De zoektocht naar meer zichtbaarheid blijft. Muurschilderingen, kleurige stellages, sokkels. Het lokaal in het nieuwe gebouw biedt tal van mogelijkheden; alles stroomt.

Liefhebben aan zee

Auteur: Mariska van der Vaart | Amare FEEST! Foto: © De Schaapjesfabriek

Amare is het gloednieuwe cultuurpaleis aan het Spui in Den Haag, het ‘huis voor cultuur, educatie, events en ontmoeting’. Groots en ruim, zo’n 54000 vierkante meter. De naam verwijst naar het Latijnse amare (liefhebben) en het Italiaanse al mare (aan zee). 

Amare biedt onderdak aan de Stichting Dans- en Muziekcentrum Den Haag, het Residentie Orkest, het Nederlands Dans Theater (NDT) en het Koninklijk Conservatorium De zalen zijn zo gebouwd dat de ruimtes flexibel te gebruiken zijn, en dat nodigt uit tot samenwerking.

Feest!
Het conservatorium verhuisde in januari 2022 en ruim daarvoor werd een educatiegroep met de drie andere organisaties opgericht. De ontmoeting is belangrijk voor de educatiegroep. Het gebouw is open, er is letterlijk ruimte voor ontmoeting. Studenten van de opleiding Docent Muziek zeggen vaak te blijven hangen in de avond, omdat er veel te beleven valt.
Margi Kirschenmann, hoofd educatie van het Koninklijk Conservatorium vertelt dat de centrale vraag destijds was hoe de vier gezamenlijk aanbod zullen creëren. ‘Iedere partner heeft zijn eigen educatie-afdeling en het conservatorium ‘is’ educatie. Er is geen sprake van een fusie, de samenwerking is een vorm van elkaar versterken.’

Er werd allereerst een familievoorstelling ontwikkeld; Feest!, rijk aan elementen en stijlen; toneel, hiphop, circus, acrobatiek, een bigband van de jazzstudenten, ballet van de jong talent- dansers, percussie van de jong talentklas, het koor van de opleiding docent muziek, streetart. . . Feest was groots opgezet – er was extra financiering voor – om de opening van Amare speciaal te doen zijn. Een dergelijk kostbaar project is niet jaarlijks te realiseren, de manier van samenwerken en programmeren wil men wel continueren. De kunst wordt dan weliswaar kleinschaliger, maar ook artistiek uitdagend te zijn.

Ontmoetingsprojecten
Amare heeft de ambitie ‘het huis’ van heel Den Haag te worden, een huis dat toegankelijk is voor alle Hagenaars. Het Residentie Orkest en het NDT plannen projecten in de wijk, want om het huis te zijn van de hele bevolking moet er wel een brug worden geslagen naar die  wijk(en).

Men gaat er daarom naar toe, zoals het geval is met het project SYMPHONY 2030. Het Residentie Orkest verbindt daarin jong en oud, buurtbewoners en de stad, met de kracht van muziek.
Studenten van het conservatorium vervullen hierbij ook een rol, bijvoorbeeld door werkveldbezoek of stages.

Een ander ‘overbruggingsproject’ is het project Symphonic Seniors.
Symphonic Seniors is een initiatief van het Residentie Orkest uit 2014, opgezet als leerorkest, dat een aantal jaren subsidie kreeg om het uit te voeren. Toen de subsidie stopte, richtten de senioren zelf een stichting op.
Met de komst van Amare is er gekeken hoe dit initiatief ondersteund kan worden, het Residentie Orkest en het conservatorium werken samen om dat te realiseren. De senioren kunnen nu op een aantal zaterdagen repeteren in Amare en studenten die het vak ensemble teaching volgen, gaan dan met hen werken. Op die manier krijgen ze een realistisch beeld van de praktijk en hebben de senioren een dirigent.
Een nieuw plan dat nog vorm moet krijgen is Meet for Music, een project waar iedere inwoner van den Haag zich voor kan inschrijven. In grote lijnen komt het erop neer dat studenten van het conservatorium een laagdrempelige muziekactiviteit organiseren. Het project wordt in het curriculum van de opleiding geprogrammeerd.

Interessant om al deze nieuwe projecten te volgen, in het bijzonder hoe Amare de nu nog soms incidentele culturele ontmoetingen met alle inwoners van Den Haag naar bestendige ontmoetingen zal weten te krijgen.

Met De Dansers mentaal en fysiek in beweging

Auteur: Lizzy Schreijer | Scènefoto Hold Your Horses  Foto © Bart Grietens

De Dansers moedigen leerlingen aan te associëren, zowel tijdens voorstellingen als bij nagesprekken. Om hen te helpen zich te verhouden tot de voorstelling, nemen ze leerlingen mee in verschillende manieren om naar dans te kijken.

Om zich tijdens de voorstelling over te kunnen geven aan het moment is het belangrijk dat leerlingen zich in de voorbereiding bewust worden van de complexiteit en kunde die in de voorstelling zit. Choreograaf Josephine van Rheenen: ‘Als de leerlingen een idee hebben van de ingewikkeldheid van de actie en van de concentratie of de spanning die de spelers voelen, kan dat leiden tot respect. Respect is een stevige basis om jongeren te betrekken bij de voorstelling en voor het gesprek na afloop. Wanneer de leerlingen al associërend praten over wat ze van de voorstelling vinden, doen ze dat vanuit een zekere betrokkenheid. Dat is al een belangrijke stap in het kijken naar dans.’

Interesse én respect
Enkel kennismaking met dans is dus niet genoeg voor De Dansers. Het is de kunst leerlingen interesse en respect bij te brengen voor iets waarvan ze nog niet weten wat ze ervan vinden. Jongeren leren zich te verplaatsen in de dansers, in wat er op het podium gebeurt. En realiseren zich wat er voor nodig is om zoiets voor elkaar te krijgen. Dit gebeurt in de voorbereiding in de klas, maar ook in het theater.
Uit nagesprekken blijkt dat leerlingen de voorstelling actief, en met een vorm van respect beleven. Zo vertelt een leerling uit klas 4 atheneum van het Dongemond College in Raamsdonksveer na een bezoek aan Hold Your Horses: ‘De scène over vertrouwen, waarin ze elkaar gooien en vangen is mij het meest bijgebleven, je moet dat echt durven.’ Een andere leerling vult aan: ‘Je moet lang oefenen om dat zo soepel te kunnen doen. Ik zit op turnen dus ik weet dat sommige bewegingen heel moeilijk zijn. Het er dan zo gemakkelijk uit laten zien, vind ik heel knap.’

Zelf ervaren
In workshops ervaren leerlingen hoe het voelt om te bewegen zoals de spelers dat doen, zodat ze ook een fysieke referentie hebben. Ze dragen bij aan het vertrouwen om een voorstelling te bezoeken, aan het respect voor wat er te zien is én aan de dansgeletterdheid van de leerling.
De workshops, ter voorbereiding op het voorstellingsbezoek en/of de verwerking achteraf, worden gegeven door professionele vakdocenten. Door zelf te dansen, maar ook door samen naar dans te kijken, erover te praten en dans te interpreteren, ontdekken jongeren meer en meer over dans.

Lizzy Schreijer is publiciteitsmedewerker van De Dansers. Ze schreef dit artikel in samenwerking met educatiemaker Sanne Wichman en artistiek leider Josephine van Rheenen. Met dank aan leerlingen uit klas 4 atheneum van het Dongemond College.

Lokaal 11

Een website rondom het examenthema ‘Te gek!’

Auteur: José Middendorp | Beeld: Luchtig Leren, Lokaal 11

Lokaal 11 is weer open. Opnieuw is voor havo-eindexamenkandidaten TeHaTex in lokaal 11 een selectie kunstenaars bijeengebracht die het examenthema vertegenwoordigen. Geïnspireerd door de barok, de kunststroming die speciaal aandacht krijgt in 2022, zijn de invalshoeken bij dit thema: dagelijks leven, onverwacht en vernieuwend materiaalgebruik én kunst die de toeschouwer op het verkeerde been zet.

Met deze invalshoeken is er genoeg om uit te kiezen. Denk bijvoorbeeld aan de sculpturen van Anish Kapoor die je tot het laatste moment laten twijfelen aan wat je ziet. Of aan de jurken van de Nederlandse ontwerpster Iris van Herpen, een virtuoos met vernieuwende materialen. Of deze kunstenaars ook in het schriftelijk examen voorkomen blijft gissen, maar leerlingen trainen met deze en andere voorbeelden wel de vaardigheden die ze moeten inzetten om een mooi cijfer te halen.

Lokaal 11 komt voort uit het gemis van een syllabus voor de havo. De initiatiefnemers willen leerlingen helpen bij de voorbereiding op hun eindexamen met oefeningen over kunstenaars die goed binnen het thema passen.
Vanaf 2023 zal er voor de havo wél een syllabus zijn. Het al vastgestelde thema is ‘Kunst en leven’. Een prachtig onderwerp waar lokaal 11 zeker weer mee aan de slag zal gaan.

www.lokaal11.com

De vervalser vervalst?  

Museum De Waag (Deventer) en educatieve excursies over meestervervalser Han van Meegeren

Auteurs: Willemijn Zwart en Marit Benes | Beeld: Infographic opbouw lesblokken Lotte Horst, Komvoor

Erfgoed vertelt ons wie we zijn, wat ons verleden is en wat ons verbindt. Met leraren uit het basis- en voortgezet onderwijs werd het huidige museumeducatieaanbod in Deventer besproken en verkend welke behoeftes er op het gebied van erfgoededucatie zijn.

Ewout van der Horst, directeur van Museum De Waag: ‘De conclusie die mij het meest verraste, was de wens om leerlingen nauwkeuriger naar schilderkunst te leren kijken. Creativiteit en eigen expressie staan niet ten onrechte centraal in cultuureducatie, maar de breed uitgesproken behoefte om leerlingen ook het kijken naar kunst en denken over kunst in een leerlijn aan te bieden maakte me erg enthousiast!’

Museum De Waag ontwikkelde naar aanleiding van deze gesprekken daarom een serie excursies, inclusief lesmateriaal voor groep 3 van de basisschool tot en met klas 6 van het voortgezet onderwijs.
Om daarmee te kijken en te denken over schilderkunst. De rode draad? Echt en nep in de schilderkunst. De Waag heeft een permanente tentoonstelling (Topstukken) op de eerste verdieping van het historische gebouw. Veel van die topstukken kunnen worden ingezet voor erfgoededucatie, zoals Het laatste avondmaal  van ‘meestervervalser’ Van Meegeren. Toch kun je ook bij veel meer werken in de collectie nadenken over de relatie tussen schilderij en werkelijkheid.

Meestervervalser-lesmateriaal
Het Laatste Avondmaal is de vervalste Vermeer waar kort na de Tweede Wereldoorlog veel om te doen is geweest. De Deventernaar Han van Meegeren kreeg in de jaren ’30 weinig erkenning voor zijn werk en begon daarom oude meesters te vervalsen. Van Meegeren werd aangeklaagd voor collaboratie met de Duitse bezetter, maar bekende in het proces geen Vermeer, maar via een tussenpersoon een vervalsing aan Herman Göring (de tweede man van nazi-Duitsland) verkocht te hebben.
Dit fascinerende verhaal én schilderij vormden het startpunt voor een leerlijn over echt en nep in de schilderkunst.
Bij de pilot van het lesmateriaal bleek de nadruk op ‘echt’ en ‘nep’ in de schilderkunst goed als stimulans te werken; leerlingen gingen gerichter en nauwkeuriger kijken. Zeker de middelste groepen – met (pre)pubers -werden getriggerd door het verhaal van Han van Meegeren en het idee van vervalsingen in de kunst.

Voor elk van de vier doelgroepen is nu een prikkelende voorbereidende opdracht voor op school beschikbaar, met een verwerkingsopdracht voor ná het museumbezoek. De uitdagende vragen uit de voorbereidende les vormen het startpunt van de activiteiten in het museum, maar het materiaal is zo ontworpen dat de excursie niet in het water valt als de les op school is komen te vervallen.

De koppeling tussen de kerncollectie van Museum De Waag en het basis- en voortgezet onderwijs in Deventer smaakt naar meer. Museum De Waag werkt momenteel aan de didactisering van het naastgelegen pand, De Drie Haringen, rijksmonument uit de Hanzetijd. In de toekomst gaan daar families en schoolklassen de handel in bont, graan, laken, haring en wijn in de hanzetijd in spelvorm beleven.

Willemijn Zwart is docent Nederlands / CKV en werkzaam als educatief ontwikkelaar bij Komvoor.
Marit Benes is leerkracht groep 5 en werkzaam als onderwijskundige bij Komvoor

Fouten > leren > maken >

Interview met filmleraar André Broens

Auteur: Vincent Hodde 

André Broens is leerkracht groep 6/7/8 op Jenaplan Basisschool Laetare in Lelystad. Juli 2021 werd hij gekozen tot Filmleraar van het Jaar voor de regio Midden. Een erkenning die hij zelf niet had verwacht; zoveel bijzonders dacht hij niet te doen met filmeducatie.

Maar sinds zijn nominatie beseft André dat hij veel met filmeducatie bezig is op school. Hij gebruikt film ter vermaak, om te inspireren, ter ondersteuning van de vakinhoud en om samenwerking te stimuleren. André heeft een duidelijk doel voor ogen; hij wil leerlingen filmvaardig maken, zodat zij zichzelf leren uitdrukken middels film.

Behalve leraar, beschouwt André zich ook als kunstenaar. Hij is veel bezig met film en kunst, hobby’s die hij de laatste jaren steeds professioneler heeft ingevuld. Hij verkoopt zijn werk via internet, heeft regelmatig kleine exposities en zijn schilderijen hangen in verschillende ziekenhuizen. Van jongs af aan is hij al met film bezig en toen hij dertien was kocht hij zijn eerste 8mm-camera. Vorig jaar rondde hij een vierjarige opleiding op ArtEZ af, met als specialisatie video.
Al die kennis en ervaring probeert hij aan zijn leerlingen mee te geven, in de klas en als begeleider van de kinderen in het jenaplansysteem op zijn school. ‘De grens tussen werk en hobby is heel lastig te trekken,’ zegt hij.

Weg van de pen
André maakt ook films met zijn leerlingen. De hoofdmoot bestaat uit het maken van lipdubs en live-actionfilms, stop-motion en zelfs tekenfilms. André: ‘We hebben een jaar over een tekenfilm gedaan!’
Zijn leerlingen leren op deze manier geduld te oefenen voordat ze het eindproduct te zien krijgen. Bovendien ontwikkelen ze een bepaalde  handvaardigheid. Je kunt film bij elk vak inzetten, vindt hij, en niet alleen bij de beeldende vakken. Juist ook bij taal, rekenen, eigenlijk elk vak waarbij iets uitgelegd kan worden met behulp van een filmpje.
Als je hem mag geloven, kan het onderwijs niet zonder film. Iedere leraar basisonderwijs zou ook met film aan de slag moeten. ‘Zorg dat je weg bent bij die pen, alles is al met potlood en papier, doe het eens anders.’

Een paar van zijn leerlingen beheersen de taal slecht, maar doordat ze  met film (en de taal daarin) bezig zijn, ziet hij dat ze toch kunnen groeien. ‘Hun motivatie voor film is groot, waardoor ze ook taal beter gaan begrijpen.’ In plaats van hen te laten schrijven, kan hij ze de optie geven een verslag te maken door middel van filmpjes. Film is een creatief vak en de motivatie van zijn leerlingen is anders dan bij andere vakken: ‘Ze zijn zo gemotiveerd, je hoeft verder niets te doen, enkel goede instructie geven, eindeisen vaststellen. En ze moeten weten wat ze ervan kunnen leren.’

Fouten maken moet
Het belangrijkste van het basisonderwijs is volgens André kunst, film en creativiteit, omdat je daar leert fouten te maken én hoe je daarvan kunt leren. Dat is de essentie: ‘Je moet fouten maken!’ Daarnaast ontwikkelen leerlingen verbeeldingskracht met film. ‘In je fantasie kun je alles, dat is voor sommige leerlingen uit bijvoorbeeld achterstandswijken extra belangrijk. Het enige wat ze denken is: ‘Ik wil hier weg. Met film kunnen ze doelen stellen én nastreven. Door film kun je de wereld op een compleet andere manier leren zien.’

Maar ze moeten ook snappen wat ze zien: ‘Ze moeten weten hoe ze gemanipuleerd (kunnen) worden.’ Daarom maakt hij elk jaar een eindfilm met groep 8, waarin ze trucs laten zien en de kijkers manipuleren. Volgens André is natuurlijk alles in scène gezet en daar mogen ze ook van genieten, maar: ‘Begrijp het, snap het, doorzie het.’

Meer informatie: www.filmeducatie.nl/filmleraarvanhetjaar

Press Play & Sing

Video’s om te leren zingen in de kleuterklas

Auteurs: Elodie De Rore, Thomas Geudens, Tine Castelein en Thomas De Baets | Screenshot: Instructievideo – Gekke bekken

Leerkrachten in het kleuteronderwijs voelen zich vaak niet voldoende muzikaal onderlegd om met hun leerlingen te zingen. We ontwikkelden een aantal aandachtspunten waarmee je direct bruikbare muzikale instructievideo’s kunt maken voor de kleuterklas.

Muziek en zingen zijn erg belangrijk voor de ontwikkeling van kleuters. Toch voelen heel wat (Vlaamse) kleuterleerkrachten zich onzeker of te weinig bekwaam om met hun leerlingen te zingen. Velen vinden het moeilijk om muzische vorming een goede invulling te geven tijdens hun lessen, leert het laatste rapport van de Vlaamse Onderwijsinspectie. Niet voor niets beveelt het recente rapport van de Commissie Beter Onderwijs aan om meer aandacht te besteden aan muzische vorming in de lerarenopleidingen voor het kleuteronderwijs.

Video-based learning
In Vlaanderen worden zelden of nooit muziekleerkrachten aangesteld in het kleuteronderwijs, en tijdens de coronacrisis werd ook stage lopen in deze context onmogelijk. Muziekpedagoge Elodie De Rore ging daarom voor haar masterproef op zoek naar een manier om leerkrachten op afstand te ondersteunen bij hun lessen muziek. Ze koos daarbij voor video-based learning: kleuters een lied leren zingen via video.

In de klas kan je met verschillende soorten video’s werken. Allereerst zijn er video’s voor entertainment. Bij deze producten staat plezier voorop. Daarnaast zijn er video’s voor educatie, waarin een vaardigheid of kennis centraal staat. Veel leerkrachten zijn echter op zoek naar een mengeling van deze twee. In zijn boek Designing digital products for kids (2020) noemt Cantuni deze derde soort edutainment. De educatieve mogelijkheden van deze video’s staan centraal, maar er wordt ook gezocht naar speelse manieren om kinderen te stimuleren om het product verder te gebruiken.

Instructievideo – Gekke bekken

DIY edutainment video’s
Voor heel wat leerkrachten en ontwikkelaars is het interessant om zelf  video’s te maken, al komt daar best wat bij kijken. Elodie werkte enkele video’s uit en kwam zo tot acht handige tips, die je al een eind op weg helpen.

Enkele tips hebben betrekking op het tempo en de opbouw. Ten eerste moet je zorgen voor een vlot en haalbaar lestempo. Vermijd een lange monoloog of dode momenten, of andere zaken waardoor leerlingen hun aandacht kunnen verliezen. Maar ga ook niet te snel. Heb je een lied met twee strofes? Maak dan twee verschillende video’s voor elke strofe, zodat je de leerlingen niet met informatie overlaadt. Ten tweede is het belangrijk om de video compact te houden door voortdurend te focussen op het doel, namelijk een lied kunnen zingen. Leer je een lied aan over de herfst? Vertel dan niet eerst honderduit over het vallen van de blaadjes. Als kinderen verwachten dat ze gaan zingen, willen ze meteen zingen. De klasleerkracht kan het thema voor de video inleiden als dat nodig is. Ten derde moeten de kinderen te allen tijde het overzicht over het lied kunnen bewaren.

Daarnaast formuleert Elodie enkele tips voor de invulling. Punt vier is: make it fun! Kleuters leren sneller wanneer ze plezier hebben. Als vijfde is er het belang van interactieve vragen als ‘Zijn jullie klaar?’ of ‘Hebben jullie zin om mee te zingen?’. Deze vragen zorgen ervoor dat de aandacht bij de les blijft. Luidkeels kunnen antwoorden met ‘ja’ of ‘nee’ vinden kinderen fantastisch. Een zesde punt is jezelf uitleven in je personage. In Elodie’s ervaring was het ‘hoe gekker hoe prettiger’. Een gekke olifant met make-up en oren prikkelt de fantasie meer dan een leerkracht die slurfloos een dierenlied zingt.

De laatste twee tips gaan over het filmtechnische aspect. Hoewel kleuters weinig notie hebben van beeldresolutie of belichting, bleken deze toch een grote rol te spelen. Als het kan, gebruik je best verschillende camerastandpunten. Filmen vanuit één hoekpunt wordt snel monotoon. Als achtste en laatste punt: zorg voor kwalitatief audio- en beeldmateriaal. Een vrolijke intro met een leuk deuntje maakt de video aantrekkelijker en professioneler.

Je hoeft met de video’s helemaal geen volledige les te vullen. Je kan ze gebruiken als aanvulling, bijvoorbeeld in de muziekhoek. Als je rekening houdt met deze aandachtspunten kunnen je (zelfgemaakte?) muziekvideo’s in je muzieklessen aan de jongste leerlingen meerwaarde hebben. 

Elodie De Rore is alumna educatieve master muziek, specialisatie muziekpedagogie, aan LUCA School of Arts en realiseerde het project ‘Press Play & Sing’ in haar masterproef.

Thomas Geudens en Tine Castelein zijn beiden assistent muziekeducatie en doctoraatsonderzoeker aan LUCA School of Arts en KU Leuven.

Thomas De Baets is docent en opleidingshoofd muziek aan LUCA School of Arts, en deeltijds docent muziekpedagogiek aan KU Leuven.

Toekomstige veranderingen in vmbo

Auteur: Thea Vuik | Illustratie: Pak Producties (2021)

Vanaf het schooljaar 2024/25 worden de gemengde leerweg (gl) en de theoretische leerweg (tl) van het vmbo samengevoegd tot één nieuwe. Leerlingen volgen daarin dan, naast avo-vakken, een praktijkgericht programma.

De invoering van de nieuwe leerweg wordt voorbereid onder andere op basis van praktijkgerichte programma’s die ontwikkeld worden met 140 pilotscholen (gemengde leerweg/gl, theoretische leerweg/tl en voortgezet algemeen volwassenenonderwijs/vavo). Kunstzone sprak over deze veranderingen met Susan van den Heuvel (SvdH), projectleider nieuwe leerweg OCW, Susan Timmermans (ST), directeur bovenbouw SG de Overlaat in Waalwijk met een pilot voor Economie en Ondernemen en Willie Stevens (WS), lid directie Fioretti College in Veghel met een pilot voor Technologie en Toepassing.

De nieuwe leerweg wil jongeren beter voorbereiden op zowel de keuze voor, als op de daadwerkelijke overstap naar het vervolgonderwijs. Bovendien is het de bedoeling dat alle jongeren in het vmbo praktische ervaring opdoen aan de hand van realistische opdrachten in en buiten de school. Tenslotte gaat het om een verbetering van de herkenbaarheid van het vmbo, dat wil zeggen minder leerwegen en duidelijke diploma’s.

SvdH: ‘Om deze doelen te kunnen bereiken is betrokkenheid vanuit gl, tl en vervolgonderwijs noodzakelijk. Docenten gl, tl, mb4 en havo zijn dan ook structureel verbonden met de ontwikkelgroepen van de praktijkgerichte programma’s. Deze ontwikkelgroepen maken – onder leiding van SLO – de conceptexamenprogramma’s en 140 pilotscholen gaan deze programma’s in een pilot testen. Op basis van ervaringen van de scholen en leerlingen worden de programma’s de komende jaren aangescherpt.’
WS: ‘Ik merk bij collega’s dat het lastig is om uit te leggen wat het verschil is tussen een praktijkgericht programma en een beroepsgericht programma. In een praktijkgericht programma komt het woordje beroep niet voor. Praktijkgericht is projectmatig, oriënterend, kennismaken met. Dan leer je geen bepaalde beroepsvaardigheden, is het idee.’
SvdH: ‘Het praktijkgerichte programma is een combinatie van denken én doen, passend bij leerlingen die naar mbo4 en havo gaan. Er zit kennis in het praktijkgerichte programma en dat is gekoppeld aan de praktijk. Zodat leerlingen ervaren waar ze het voor doen. Wat winst is voor de motivatie van leerlingen, zo blijkt uit het onderzoek van Young Works. De havo kan komend schooljaar ook starten met een praktijkgericht programma. Veel havoscholen willen dat, want ook zij willen de oriëntatie en voorbereiding op vervolgonderwijs verbeteren, evenals de motivatie van de leerlingen.’
ST: ‘Wij hoorden van het bedrijfsleven dat onze leerlingen vakinhoudelijk heel goed zijn, maar een project ontwikkelen of een goed gesprek voeren zit er bij hen niet zo in. Juist die ‘zachtere’ kant moet beter ontwikkeld worden.

Zal de invoering van de nieuwe leerweg niet tot gevolg hebben dat vakken als maatschappijleer of de kunstvakken als eerste geschrapt worden?

WS: ‘Daar schuilt inderdaad een gevaar in. Uiteindelijk is het een kwestie van keuzes maken. Maar je moet niet denken vanuit je vak en je uren. Je moet denken: ‘Dit is voor mij als docent kunst en cultuur misschien wel een nieuwe kans.’
SvdH: ‘De gl bestaat nu uit tien profielen en de tl uit vier. Bij de samenvoeging moeten we dus goed kijken naar de inrichting van de nieuwe leerweg. Welke profielen komen er in de nieuwe leerweg, en met welke vakkenpakketten? We nemen dan de aansluiting met vervolgonderwijs nadrukkelijk mee. Daarnaast moet het besluit over het aantal vakken in de nieuwe leerweg nog genomen worden en hier wordt verschillend over gedacht. De voorkeur van OCW gaat op dit moment uit naar een inrichting van minimaal zes examenvakken voor alle leerlingen, net als nu. Leerlingen die dat aankunnen en meer nodig hebben kunnen een zevende vak volgen. Net als nu.’
ST: ‘Wij willen niet per se met een 7e vak werken, maar willen wel een aanbod maken van projecten en keuzevakken over al die profielen heen. Zoiets als: ‘dit zijn allemaal keuzevakken die voor jullie in de toekomst misschien interessant zijn. Kijk eens of je er daarvan één of twee extra wil doen.’ Vervolgens zet je die bovenop het reguliere programma. Zo geef je het projectmatige meer vorm.’
WS: ‘In het kader van het gelijkheidsideaal kun je zeggen: allemaal 7 eindexamenvakken. Dat klinkt goed, maar dan accepteer je dat een aantal leerlingen het niet gaat halen. Een leerling die het kan, pakt het 7e vak wel en de school zou wel gek zijn om het 7e vak niet aan te bieden voor die 10 of 15 leerlingen. Door het ene niet te doen, is er nog steeds de ruimte om het andere wel te doen. Andersom is dat niet mogelijk.’
ST: ‘Ik zou dat ook doen; 6 vakken als minimum en 7 aan de scholen laten. Heel fijn voor diegene die het net op het eind niet redt. Dan is het toch wel prettig dat je die uitzondering kan maken.’
SvdH: ‘In een enquête die is uitgezet onder alle pilotscholen zie je ook docenten met een creatieve achtergrond terug. Het creatieve aspect is belangrijk in de verschillende programma’s. In de pilot kunnen we kijken wat docenten nodig hebben aan ondersteuning en scholing.’
WS:Wat betreft de bevoegdheden, die vragen komen allemaal terug. Dat zijn lastige dingen. Maar soms is het gewoon maar beginnen.’
SvdH: ‘Dat is ook de boodschap. Maak gerust fouten, het is een pilot voor een paar jaar. Ga het proberen! Lukt een opdracht niet, verzin dan iets anders maar geef het terug aan ons. Het is een zoektocht voor ons allemaal, maar gelukkig met elkaar.’

Dit artikel is een vervolg op Veranderingen in vmbo op til, dat verscheen in Kunstzone 6, 2021.

Het examenverslag kunst (algemeen) vwo 2021

Auteur: Hugo Gitsels | Foto: Rineke Dijkstra The Buzz Club (1996-1997)

De coronapandemie had ook in 2021 haar effect op de centrale examens. Er was een extra, derde tijdvak en het tweede tijdvak werd vervroegd afgenomen. In 2021 waren er dus drie openbare afnames van het centraal examen kunst (algemeen) vwo, die bovendien voor het eerst standaard in Facet (een computerexamensysteem, red.) werden afgenomen, in 2019 betrof dit nog een pilot. In geval van technische problemen kon het examen overigens worden afgenomen via de fall-back (Autoplay).

Thema Tijd
Het thema van de eerste twee tijdvakken was Tijd. Hoe kijken kunstenaars terug op  het verleden en welk beeld tonen zij van de toekomst? Hoe vangen zij het heden en welke (filosofische) bespiegelingen over het fenomeen tijd zien we terug in de kunsten?
Een kleine greep uit de veelheid aan kunstenaars die de revue passeerde: jeugd en ouder worden in het werk van Rineke Dijkstra en Conny Janssen Danst, de hang naar het verleden bij Richard Wagner en William Morris; posities in de kunstgeschiedenis bij Oscar Schlemmer en The Carters (Beyoncé en Jay-Z); Het Ballet van de Tijd van Jean-Baptiste Lully en de postmoderne remake van het Ballet van de Nacht door Francesca Lattuada, het filosofische Stil de tijd van theatergroep Matzer, de reflectie op de eigen tijd door Courbet en Manet, science fiction in Metropolis van Fritz Lang en in Blade Runner van Ridley Scott en retro bij dansgezelschap Scapino en modeontwerpster Vivienne Westwood.

De onderwerpen uit de syllabus die aan de orde kwamen, waren Hofcultuur in de zestiende en zeventiende eeuw, Romantiek en realisme in de negentiende eeuw, Cultuur van het moderne in de eerste helft van de twintigste eeuw en Massacultuur in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Overzicht aantal kandidaten per tijdvak

Tijdvakken Kandidaten
2021-1 4.995
2021-2 224
2021-3 31


Waardering docenten voor het examen
(het kwalitatieve oordeel dat docenten geven in de quickscan, de beknopte enquête in het Wolf-systeem) 

Tijdvakken Gemiddels waarderingscijfer
(tussen 1 en 10)
2021-1 6,3
2021-2 6,2
2021-3 geen quickscan


Opvallende vragen

De moeilijkste vraag van deze drie tijdvakken was vraag 23 uit het tweede tijdvak. Slechts 24 procent van de kandidaten behaalde hier de maximumscore van 1 punt.


Publiciteitsfoto van The Who (1965) afbeelding 1 bij vraag 23, tweede tijdvak

Over deze vraag merkten docenten in de door VONKC georganiseerde examenbespreking op dat het begrip iconoclasme bij veel leerlingen onbekend is en ook niet is opgenomen in het woordenboek dat de  kandidaten tot hun beschikking hebben. Over deze kwestie kwam ook een melding binnen via de Examenlijn van het CvTE. Deze melding is meegenomen in de normeringsvergadering en er is gecompenseerd voor deze vraag.

Er waren in deze drie examens geen opvallend makkelijke vragen.
De vraag die het best onderscheid maakte tussen zwakke en sterke kandidaten, bleek  vraag 18 uit het tweede tijdvak te zijn.


William Morris en Edward Burne-Jones The Vision of the Holy Grail to Sir Galahad, Sir Bors and Sir Perceval, ca. 1894, uitgevoerd door Morris & Co.

Centraal examen in 2022
Voor het examenjaar 2022 gelden voor kunst (algemeen) vwo de onderwerpen Hofcultuur in de zestiende en zeventiende eeuw, Cultuur van romantiek en realisme in de negentiende eeuw, Cultuur van het moderne in de eerste helft van de twintigste eeuw en Massacultuur vanaf 1950. De syllabus voor 2022 is herzien en is te vinden op www.examenblad.nl.
In 2022 vindt de examenafname standaard in Facet plaats. Ook hierover is meer informatie te vinden op www.examenblad.nl.

Hugo Gitsels is toetsdeskundige kunst vwo
Reageren? Stuur een mail naar hugo.gistels@cito.nl.

 

Dit artikel is een bewerking van het oorspronkelijke verslag.

 


 

Bij Cito schreven toetsdeskundigen ook over de andere examens in de kunstvakken van 2021. Hieronder per vak een link naar de artikelen.

Vak Link naar het artikel over het examen 2021
Tehatex vwo https://www2.cito.nl/vo/ex2021/Examenverslag_tehatex_vwo_2021.pdf
Tehatex havo https://www2.cito.nl/vo/ex2021/Examenverslag_tehatex_havo_2021.pdf
Kunst havo https://www2.cito.nl/vo/ex2021/artikelkuahavo2021.pdf
Beeldende vakken GL TL https://www2.cito.nl/vo/ex2021/Verslag_beeldend_vmboTIJD-2021.pdf
Drama G TL https://www2.cito.nl/vo/ex2021/artikeldrama2021.pdf

 

Welke apps, series en games moet ik kennen?

Auteur: Floor Roos | Beeld: © Scottsreality en © Squid Game (2021, Netflix)

Heb ik eindelijk tijd om tijdens de les een potje Among Us te spelen, is het alweer hartstikke uit. De brugklassers willen nog wel meedoen, maar havo 2 kijkt me met een probeert u tof te doenblik aan. Hoe blijf je op de hoogte van de cultuur van jongeren en hoe houd je je kennis up to date?

Eerste tip. Sluit een pact met een jonge collega, zo-een net uit de schoolbanken. Hebben vaak nog een actuele radar als het gaat om social media en mode. Mijn jongere zusje, ook docent, ondervraag ik voortdurend over apps die ik moet kennen.
Tweede tip. Elke les mag een andere leerling de afsluiter bepalen. De ene keer zingt de klas tijdens het opruimen mee met Dua Lipa en de andere keer lachen we om een YouTube filmpje van Mister Beast. Door zoiets in te lassen wordt snel duidelijk waar leerlingen op dit moment hun (online) tijd aan besteden.
Laatste tip. Loop een rondje tijdens de pauze. Jongens die op de grond, omringd door anderen op hun mobiel zitten te tikken, zijn aan het gamen. Vaak zijn het kleine spelletjes waar geen data voor nodig zijn. Bijvoorbeeld Bike hop. Het lijkt allemaal erg solo, maar ondertussen kijken ze met elkaar mee, geven ze advies en proberen ze elkaars record te verbreken.

De afgelopen week vroeg ik leerlingen en studenten op verschillende scholen o.a. welke series ik gezien moet hebben, welke kleding nu in is en welke games er zoal worden gespeeld. Er zijn vanzelfsprekend grote cultuurverschillen tussen scholen, denk aan niveau, profiel, stad of platteland. En dan is er nog het verschil tussen jongens en meiden en leeftijd. Ik maakte een kleine analyse van wat ik hoorde, wel wetende dat de actualiteit me bij voorbaat inhaalt…

Trending in … series
Een enorme hit is de serie Squid Game op Netflix. De serie, gemaakt door de Zuid-Koreaanse regisseur Hwang Dong-hyuk, gaat over een groep berooide mensen die zich opgeven voor een mysterieus spel.
Al snel wordt duidelijk dat de spelers hun leven inzetten. Een gewelddadige serie die, tot mijn (naïeve?) verbazing ook door tweede klassers bekeken wordt.
Interessant is trouwens de reactie op social media op de serie. In de Squid Game speelt de dalgona-koek of honeycomb (een typisch Zuid-Koreaans koekje) een grote rol. Het koekje is oorspronkelijk voor jonge kinderen, die kunnen een vormpje kiezen die in zoetigheid wordt gedrukt. Ze moeten vervolgens rond de afdruk eten, zonder de zoetigheid te breken. Als het lukt, krijgen ze een cadeautje. In de Squid Game is dat cadeautje ‘blijven leven’. Op diverse platforms verschijnen nu massa’s video’s met uitleg hoe je die zoete koekjes kunt maken (#squidgamecandy en #honeycomb), maar ook talloze parodieën. Bekijk eens de TikToks van @scottsreality!

…in kleding
Het aantal leerlingen met een Hoodie is opvallend groot. De wijde truien met capuchon zijn (weer) helemaal in. Denk aan de zangeres Billie Eilish die bijna altijd in dit verhullende kledingstuk loopt. Tegenover die baggy kleding staan de onthullender Crop Tops, oftewel de korte truitjes. Niet alleen tijdens het sporten, ook tijdens de les worden stukjes buik zichtbaar. Meiden noemen de flairbroek als belangrijke trend dit jaar. Modetijdschrift Elle bevestigt dit: ‘de ultrawijde, flared jeans verslaat de skinny als lente/zomertrend 2021.’ Na jarenlang steeds iets strakker, lijkt er nu een keerpunt te zijn gekomen in de pasvorm van de broek.
Nog steeds zijn de Yeezy’s, sneakers, mateloos populair. Jongeren (en ouderen) overbieden elkaar om een paar te bemachtigen. Het bezit van een ‘klassiek model’ is echt een statussymbool. Air Jordan 1 (high), Nike air force 1 white (low) en Nike dunks zijn andere sneakers die je door de gangen ziet lopen.

…in apps, games en muziek
Instagram en met name TikTok blijven onverwoestbaar. Andere apps worden eigenlijk niet genoemd. In de gamewereld is – al jaren – FIFA Ultimate Team een hoofdrolspeler. Jongens vertellen dat ze elkaar bijna elke avond online treffen voor voetbalwedstrijden in FIFA. Het eigenaarschap is groot; je stelt als speler zelf je droomteam samen. Om betere spelers te krijgen moet je munten hebben. Die verdien je door wedstrijden te spelen, succesvol te zijn in toernooien en door je spelers op de transfermarkt te verkopen.
Meiden zeggen in de Sims uren bezig te zijn met het ontwerpen van hun huis en avatar. En door brugklassers wordt Minecraft genoemd. Deze open wereld blijft de jongere leerlingen trekken, om zelf te ontwerpen, bouwen en te ontdekken.
De muziekvoorkeuren lopen veel meer uiteen. De ene groep leerlingen noemt Justin Bieber en Harry Styles, de andere Drill rap en Mula B. Ook Jan Smit en Marco Borsato worden genoemd en zelfs de negentiger jaren rockband Muse.

Stuitte ik nu echt op opvallende, nieuwe trends bij jongeren? Ik denk het niet. Komt dat dan omdat ze er even niet zijn, of heb ik ze gemist? Sommige leerlingen geven te kennen dat ze mijn onwetendheid niet zo erg vinden: ‘Nou, ik weet niet of ik wil dat ook docenten al mijn series gaan zitten kijken.’

Met dank aan Debbie Klarenbeek en Quincy Lettinck

Het culturele trapveldje

Auteur: Eva-Luca Pouwer | Foto: Quotes uit de inzendingen van Het Parool Columnfestival zijn op Abri’s in Amsterdam te lezen.

Overal vind je trapveldjes. Plekken waar je kunt voetballen, maar waar ook vriendschappen ontstaan en je sociale cohesie met gelijkgeïnteresseerden ervaart. Nowhere, het Amsterdamse productiehuis voor talentontwikkeling en cultuureducatie, is ook zo’n trapveldje. Niet voor balsporten maar voor cultuur. Joost van Kersbergen, hoofd educatie en talentontwikkeling, en programmaleider Bart Merks vertellen waarom in hun programma’s het speelse karakter van het trapveldje centraal staat.

Nowhere heeft diverse en multidisciplinaire programma’s met workshops, podiumproducties en festivals voor en met jonge Amsterdammers, voor zowel tijdens als na schooltijd. Zo organiseert het productiehuis Het  Parool Columnfestival. Dit is een schoolproject waarbij ruim 1500 middelbare scholieren, van vmbo tot gymnasium, na een speciale workshop, een column schrijven en kans maken dat deze gepubliceerd wordt in Het Parool. Bart en Joost: ‘Ons uitgangspunt is altijd dat wat jonge mensen maken en vinden ertoe doet. Dat het werkelijk meetelt, niet alleen in een schoolsetting, maar juist ook daarbuiten.’

Veilige plek
Nowhere wil jongeren een veilige plek bieden om te leren én te spelen, zoals op een trapveldje. Je kunt er jezelf uitdagen, maar tegelijkertijd ook zonder hoge verwachtingen of druk doen wat je leuk vindt. In alle programma’s die Nowhere ontwikkelt staat de vraag van jonge Amsterdammers centraal. ‘Zij weten als geen ander wat er speelt’, aldus Bart en Joost. Workshopleiders zijn dan ook geen doorgewinterde vakdocenten maar jonge mensen die recent naam hebben gemaakt in de stad. ‘We werken met jonge toonaangevende makers die binnen hun specifieke genre vaak ongebaande paden bewandelen. Jonge makers die begrijpen hoe belangrijk het is te worden gezien en die bevlogen zijn om in de leefwereld van een nieuwe generatie te duiken.’

Identity building
Deze jonge makers weten ook als geen ander hoe lastig de zoektocht naar jezelf kan zijn en hoe belangrijk veiligheid, ruimte en plezier zijn om tegenover die strijd te zetten. ‘Het ontwikkelen van een identiteit is inherent aan de leeftijd van onze deelnemers. Wie ben je en wie wil je zijn? Voor deze zoektocht zullen de jongeren zichzelf serieus moeten nemen. Door onze workshops wordt dit proces versterkt en versneld.
Als jongeren in de gaten krijgen dat ze serieus genomen worden, nemen ze vaak vanzelfsprekend de ruimte. Ze ondervinden dan de speelsheid om hun identiteit, en het belang daarvan, te onderzoeken binnen de kaders van programma’s.’ Identity building is voor Nowhere dus geen doel an sich maar zeker een belangrijke bijvangst.

Meerwaarde
Momenteel is er een generatie workshopleiders waarvan een aantal als scholier kennismaakte met Nowhere. Bart en Joost: ‘Een absolute meerwaarde van programma’s op scholen is dan ook de reikwijdte. Doordat scholen voor ons de deuren openen komen we in contact met leerlingen die nog niet uit zichzelf naar Nowhere toekomen. Omdat ze via schoolprojecten kunnen proeven van wat we bij Nowhere doen, is de stap later kleiner.’

Nowhere heeft een sterke gemeenschap gebouwd waarin jonge talentvolle Amsterdammers cultuur door kunnen geven aan de volgende generatie. Ik ben benieuwd welke jonge makers die momenteel via school binnenkomen we over 10 jaar terug gaan zien. Nog even geduld!

Zelf de kracht van het trapveldje ervaren? Amsterdamse middelbare scholen kunnen zich aanmelden voor Het Parool Columnfestival. Deelname is gratis. Aanmelden kan door een mail te sturen naar: aanmelden@columnfestival.nl.
www.nowhere.nl

Chromebooks in muziekonderwijs

een overzicht van webapplicaties

Klik op de afbeelding voor een grotere foto

Lees het artikel in Kunstzone 6, pag. 48-49

Spoken word past niet in één hokje

Auteur: Henk Langenhuijsen 

Overgewaaid uit de Verenigde Staten begint spoken word in het Nederlandse taalgebied steeds meer vaste voet aan de grond te krijgen. Wat is spoken word eigenlijk? Wat kenmerkt deze vorm van poëzie? Wat drijft Nederlandse en Vlaamse spoken word-artiesten? En waar kun je ze zien en horen?

Lisette Ma Neza ziet zichzelf als verteller. In de zoektocht naar haar identiteit is haar taal poëtisch en muzikaal. Haar woorden zijn trefzeker en vol emotie. Ze noemt zich artiest. Maar je kunt haar ook woordkunstenaar of performer noemen. Vier jaar geleden won ze als eerste Nederlandstalige vrouw het Belgisch kampioenschap poetry slam. Dus noem haar gerust slam-dichter. De talentvolle Ma Neza (23), geboren in Nederland, woonachtig in België en met wortels in Rwanda, is ook columnist. Daarnaast viel ze de afgelopen tijd op met haar spoken word-voordrachten, onder meer met een fraaie ode aan de taal, dus in dat hokje past ze ook.

Boodschap
Spoken word is een manier om je uit te drukken en is verwant aan rap en poetry slam. Belangrijkste kenmerk is dat deze vorm van poëzie direct uit het hart is geschreven en is bedoeld om voor te dragen. De woorden moeten tot leven komen, zinnen moeten knallen. Ritme, klank en rijm zijn belangrijk, denk aan alliteratie en assonantie, maar alleen als het past in de presentatie. Bij de presentatie, met heldere stem, kunnen handgebaren de voordracht ondersteunen. Uiteindelijk staat de boodschap centraal. Vaak is er een maatschappelijk thema met een toegankelijke filosofische inslag of een duidelijk statement. Spoken word spreekt jongeren aan, omdat het niet suffig en saai is; de taal is meestal eenduidig, maar kan ook gelaagd zijn.

Bekende artiesten
De bekendste spoken word-artiest op dit moment is Amanda Gorman die de inauguratie van Joe Biden opluisterde. Dat leverde ook weer reacties op, onder anderen van eerdergenoemde Ma Neza. De 25-jarige Zaïre Krieger, zelf spoken word-artiest, schrijver en journalist, heeft de gedichten van Gorman voortreffelijk in het Nederlands vertaald.

Een van de bekendste spoken word-artiesten in Nederland is Babs Gons (1971). Deze Amsterdamse is de stuwende kracht achter een flink aantal spoken word-initiatieven. Jarenlang was ze de artistiek leider van de Poetry Circle Nowhere en organiseerde voor die tijd al een maandelijks podium voor jonge dichters en schrijvers in Paradiso. Ze staat met haar werk op festivals en in literaire programma’s en draagt voor op radio en televisie. In 2019 stelde ze de bundel Hardop samen met werk van Nederlandse spoken word-dichters. Onlangs verscheen Doe het toch maar, een sterke bundel met gedichten, waarmee ze bewijst dat spoken word ook zonder performance genoeg kracht heeft en waarin ze het persoonlijke en maatschappelijke met elkaar weet te verbinden.

Andere bekende spoken word-artiesten zijn Derek Otte en Justin Samgar. Zij ontwikkelden afzonderlijk van elkaar een eigen geluid. Bij beiden voel je de urgentie om gevoelens onder woorden te brengen.

Podia
Het Amsterdams Kleinkunst Festival organiseerde afgelopen zomer een spoken word-festival, waarmee nog eens werd benadrukt dat spoken word een moderne versie van kleinkunst is. De organisatie was in handen van Luan Buleshkaj die al eerder Wilde Woorden, een spoken word-festival in het Westerpark van Amsterdam organiseerde. Aanwezig waren onder anderen de Antwerpse Soukaïna Bennani, Lev Avitan en Gershwin Bonevacia, de stadsdichter van Amsterdam.

Veel artiesten komen samen bij Mensen zeggen dingen, een platform voor poëzie en performance, dat ook workshops op scholen verzorgt. Een van hen is Daniëlle Zawadi die ook prozaschrijver is. Haar verhalen gaan veelal over het leven in Nederland als iemand van de tweede generatie. Ze is geboren in de Democratische Republiek Congo en opgegroeid in Nederland. Ook Maaike Boumans is daar te vinden. Ze schreef het spoken word-stuk voor de Klimaatmars 2021.

Meer componeren en improviseren in taalonderwijs

Auteur: Suzan Overmeer | Gerwin van der Werf, Foto: Fjodor Buis

Strovuur, van Gerwin van der Werf, staat op de shortlist Beste Boek voor Jongeren (Boekenweek van Jongeren 2021). Van der Werf werkt al 25 jaar als muziekdocent op het Rijnlands Lyceum in Oegstgeest, hij kent de doelgroep dus goed. ‘Ik zie met lede ogen aan dat er niet gelezen wordt, maar ik ben geen zeloot op een boekenkist.’

Van 17 tot en met 26 september organiseert het CPNB (Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek) de Boekenweek van Jongeren 2021. Jongeren kiezen de auteurs die het Boekenweekgeschenk mogen schrijven. Dit jaar is dat 3PAK, een verhalenbundel van Khalid Boudou, Aimée de Jongh en Splinter Chabot. Daarnaast is er de prijs voor het beste boek voor jongeren. Strovuur is een van de vijf genomineerde boeken. Het is opgedragen aan de dochter van Van der Werf.
‘Mijn dochter leest niet, maar mijn boeken leest ze wel. Ik schrijf dus eigenlijk om mijn dochter aan het lezen te houden.’ Dat jongeren weinig of niet lezen is een bekend gegeven. Van der Werf: ‘Ik ga niet preken dat lezen goed voor je is. Zelf heb ik als jongere altijd veel plezier aan lezen beleefd. Ik gun dat plezier anderen ook.’

Link met muziek
In taalonderwijs ligt de nadruk over het algemeen minder op plezier en meer op begrijpend lezen of foutloos kunnen schrijven. Een gemiste kans. Van der Werf vergelijkt het met muziekonderwijs: ‘Bij muziek weten we al langer dat leerlingen veel meer leren over muziek door het zelf te doen en te spelen. Creatiever taalonderwijs zou kunnen helpen bij leesbevordering. Begrijpend lezen doodt het plezier in lezen. Geen enkele collega van onze sectie Nederlands vindt de examens leuk. In de muziekles spelen en componeren leerlingen zelf. Om jongeren te enthousiasmeren zou taalonderwijs veel meer gericht moeten zijn op creative writing.’ Hij noemt nog een link met muziek: ‘Je moet vrijheid ervaren om te kunnen schrijven, als in een improvisatie.’ Van der Werf is tijdens zijn muzieklessen niet bezig met literatuur. ‘Dat houd ik gescheiden. Af en toe ontdekken leerlingen dat ik auteur ben en dan hebben we het erover.’
Wel werkt Van der Werf met andere kunstvormen in zijn muzieklessen.
‘Ik gebruik vaak tekst of beeld als uitgangspunt bij het maken van muziek.’ Andersom komen muzikale thema’s ook terug in zijn boeken; in Strovuur speelt de hoofdpersoon, een zeventienjarig meisje, altviool. ‘Ik schrijf graag over dingen waar ik verstand van heb en ik heb er plezier in om dingen bij elkaar te brengen die in het normale leven niet bij elkaar worden gebracht. In Strovuur gaat het bijvoorbeeld over een verrotte auto en een Middeleeuws muziekmanuscript.’

In een boek kan het wel
Zijn nominatie was een verrassing. ‘Ik ben geen doelgroepschrijver en schrijf niet gericht voor young adults.’ Wanneer je dat wel bent, mikt zowel de schrijver als de marketing op die doelgroep. Ongeschreven regels zijn dan: geen al te expliciet geweld of seks en een wat traditionele  verhaalstructuur. Hoewel mijn boek in de pers niet als jeugdboek werd besproken, was er wel veel aandacht voor in blogs en vlogs.’
Het thema van deze Boekenweek voor Jongeren is In een boek kan het wel. Van der Werf: ‘Die thema’s zijn zo gekozen dat ze eigenlijk altijd wel passen. Het boek sluit aan op het thema, maar het is geen toeval. In een boek kunnen dingen gebeuren die in het echt niet snel gebeuren. Dat is de afspraak in fictie, een schrijver neemt je mee in zijn verhaal.’

Strovuur gaat over een roadtrip met vreemde nachtelijke ontmoetingen. Dagenlang reizen zonder dat je ergens komt. Het einde is een verrassing, wat is nu waar en wat niet? Je leven kan ook een andere waarheid bevatten, het laat zien dat je zelf je eigen verhaal kunt construeren.’
Van der Werf hoopt dat jongeren zijn boek zullen lezen. ‘Het is niet ingewikkeld. Je kunt er dieper over nadenken, maar het hoeft niet. Ik wil vooral dat ze een leuke trip hebben.’

Strovuur. Gerwin van der Werf (2020). Uitgeverij Atlas Contact.
www.boekenweekvanjongeren.nl


 

Simone Atangana Bekono wint met haar boek Confrontaties (Lebowski) de prijs Beste Boek voor Jongeren 2021 in de categorie Oorspronkelijk Nederlandstalig. In deze categorie waren verder genomineerd: Strovuur van Gerwin van der Werf (Atlas Contact), Bart van Ap Dijksterhuis (Prometheus), Auxiety van Dieuwertje Heuvelings (Das Mag) en Confettiregen van Splinter Chabot (Spectrum).

Muziek die de moeite waard is (2)
Nederlandse jazzmuziek

Auteur: Suzan Overmeer | Foto: Benjamin Herman playing sax

Waarover hebben we het, als we spreken over nieuwe inkijkjes in muziek of muziek die in veel muziekmethodes niet te vinden is? In de serie Muziek die de moeite waard is, brengt Kunstzone muziek en musici voor het voetlicht die ten onrechte onbekend zijn in het muziekonderwijs.

Jazzmuzikanten Vera Vingerhoeds (saxofoon/zang), Eric Ineke (drums), Sebastiaan van Bavel (piano), Hermine Deurloo (mondharmonica/saxofoon), Tony Overwater (contrabas), Izaline Calister (zang) en Randal Corsen (piano) gaven al inspirerende voorbeelden van Nederlandse jazzmuziek die de moeite waard zijn om in het onderwijs te gebruiken (Kunstzone 5-2021, pag. 52-53).

Ze dachten ook mee over de vraag waarom Nederlandse jazzmuziek een waardevolle aanvulling zou kunnen zijn op het muziekonderwijs in het voortgezet onderwijs.

Dutch Approach(es)
Vera Vingerhoeds trapt af: ‘Over de Nederlandse jazzscene is al veel geschreven. Onze ‘Dutch Approach’ heeft over de hele wereld naam gemaakt. In de jaren ’50 van de vorige eeuw kopieerden Nederlandse jazzmusici vooral de Amerikaanse bebop. Vanaf de jaren zestig kwam daar een reactie op, geïnspireerd door de free jazz van bijvoorbeeld Ornette Coleman. In Nederlands zetten musici als Willem Breuker, Misha Mengelberg en Han Bennink de toon, later gevolgd door Wilbert de Joode, Ab Baars en vele anderen. Bij hen ging het over vrijheid en werkelijke creativiteit in de muziek. Dat het in het onderwijs vaak gaat over de muziek van Miles Davis, John Coltrane en Charlie Parker als het over jazz gaat is heel suf, want zo kom je dus niet makkelijk in aanraking met goede, spannende en nieuwe dingen.’

Hermine Deurloo noemt ook het eigen geluid van Nederlandse jazzmusici sinds de jaren zestig ontstond. Ze geeft ook een andere reden waarom Nederlandse jazz interessant zou zijn voor het onderwijs: ‘De Nederlandse muzikanten zijn eenvoudig live te beluisteren en je kunt ze uitnodigen op scholen.’ Izaline Calister vindt dat ook een belangrijk element: ‘Vroeger, toen het jazztijdschrift Jazz Nu nog over Nederlandse artiesten ging, kocht ik dat blad om op de hoogte te blijven en om mijn collega’s te volgen. Het was inspirerend, het was muziek van dichtbij. Je kon die mensen live zien optreden, ze waren bereikbaar en aanraakbaar. Later, toen het blad steeds meer over Amerikaanse sterren ging ben ik afgehaakt. Dat is zo’n ver-van-mijn-bed-show. Nederlandse jazz gaat over mensen, plekken en podia die we gewoon kennen en waar we naar toe kunnen.’ Volgens Eric Ineke verdient Nederlandse jazz een plaats in het onderwijs vanwege het hoge internationale niveau: ‘In dit kleine landje zit enorm veel talent. Veel beroemde Amerikaanse solisten werkten graag met Nederlandse musici als zij in ons land of in Europa op tournee waren.’

Samensmeltende stijlen en culturen
‘Ik denk dat jazz uitblinkt in het creëren van lokale varianten. Er bestaat wel degelijk zoiets als de Nederlandse school’, schrijft Tony Overwater. ‘Maar zo is er ook een Scandinavische, Braziliaanse en Zuid-Afrikaanse school, om er maar een paar te noemen. Geen stijl staat geheel op zichzelf. Van oorsprong is jazz een muziekvorm die bestaat uit een samensmelting van stijlen en culturen.’
Die samensmelting heeft de laatste jaren een vlucht genomen, signaleert Sebastiaan van Bavel: ‘Jazz komt uit de VS en veel belangrijke ontwikkelingen in jazz vonden plaats vanwege Amerikaanse muzikanten, maar de laatste twintig jaar zien we dat alles zich extreem vermengt. De jazzpianisten van de toekomst, Tigran Hamasyan en Shai Maestro bijvoorbeeld, zijn geen Amerikanen, maar wonen daar wel tijdelijk. Ze keren wel (of niet) terug naar hun geboorteland om daar vervolgens een hybride vorm van jazz te ontwikkelen. Deze ontwikkeling verdient aandacht in het onderwijs. Een Europese aanvulling op lessen over jazz, met aandacht voor Nederlandse musici zoals Ben van Gelder en Reinier Baas, zou mooi zijn. Deze muzikanten leveren op dit moment een belangrijke internationale bijdrage aan de ontwikkeling van jazzmuziek.’

De samenleving is divers’, schrijft Randal Corsen. ‘en dat zie je terug in de klas, maar ook in de Nederlandse jazzmuziek.’ Corsen beschouwt Curaçaose en Surinaamse jazz als vanzelfsprekende onderdelen van de Nederlandse jazzmuziek. ‘Veel musici uit die genres zijn opgeleid op conservatoria in Nederland. Nederland heeft belangrijke condities geboden waarin deze muziek tot ontwikkeling kon komen. Ze zijn het bewijs van de enorme diversiteit binnen de Nederlandse jazz.’

Vervolgopleiding
Corsen noemt nog een reden om aandacht aan (Nederlandse) jazz te besteden: ‘We moeten ook in beschouwing nemen dat er jongeren zijn die na hun middelbare school kiezen voor een muziekopleiding aan het conservatorium. Ze kunnen daarbij kiezen voor een opleiding in klassieke muziek, popmuziek, wereldmuziek en jazzmuziek. Het zou dan ook vanzelfsprekend moeten zijn dat er in het onderwijs aandacht wordt besteed aan al deze genres en aan lokale helden binnen al deze genres.’

Met dank aan Sebastiaan van Bavel, Randal Corsen, Hermine Deurloo, Eric Ineke, Tony Overwater, Izaline Calister en Vera Vingerhoeds.

Gaat digitalisering gepaard met efficiëntie?

Een fundamentele vraag voor de kunstvakken

Auteur: Mirjam van Tilburg | Foto: Kunstvakdocenten Dirk Hulsenboom en Irene Ulrich tijdens het experimenteel project ‘Studio’ (november 2020, Tilburg)

De meeste digitale onderwijstools beloofden handig en efficiënt te zijn. En het werkte. De kunstvakdocenten die ik spreek kunnen inmiddels  razendsnel schakelen tussen meetings, chatfunctie en presentielijsten. Hoe ons onderwijs komende jaren digitaliseert, is aan ons. En dat is vooral voor de kunstvakken een fundamentele vraag.

Die belofte ‘handig en efficiënt’ van digitalisering kan ons fundamenteel andere keuzes laten maken. Een fysieke afspraak met een student kost me snel een uur, terwijl ik online meestal in een half uur al tot de kern ben gekomen. Of zo voelt het ineens als een luxe om een museum fysiek te bezoeken met leerlingen, in plaats van online. Online is makkelijker in te plannen, je hoeft niet te leuren bij collega’s voor begeleiding, bovendien is het makkelijk om ook ouders te betrekken. Keuzes maken in de voorbereiding van lessen die minder handig of efficiënt zijn voelt  onlogisch en ook als een luxe.

Minder oefenruimte en improvisatie
Het is geen nieuwe tendens dat onderwijs meer gericht is op efficiëntie en productie (denk aan woorden als leeropbrengsten, leeruitkomsten, leerresultaten) en minder op het creëren van oefenruimte om risico’s te nemen, improvisatie en het onverwachte toelaten. Het digitale werken versterkt deze tendens wel. Als je digitaal lesgeeft is veel ‘vastgezet’ en geformaliseerd: de plek van de opdracht, vragen, presentielijst en toetsing. Het is voor zowel hybride als online lessen belangrijk dat je vooraf goed weet wat je gaat doen. De creativiteit zit ‘m in het verzinnen van de opdrachten, ter plekke improviseren is lastiger. Zo vertelde een kunstvakdocent mij dat ze het lastiger vond om de actualiteit te verweven in haar lessen.

Begrijp me niet verkeerd, het gaat me niet om digitalisering op zich. Geweldig vond ik bijvoorbeeld de #kunstenquaraintaine vondsten, de zoom-dans en de mogelijkheid om meer te zien van de persoonlijke omgeving van mentorleerlingen. Het gaat me om het gemak, de efficiëntie en het handige die we in de slipstream van digitalisering meenemen.
Als we voorbij deze crisis denken, gaan dan die efficiëntie en kunst elkaar niet bijten? Welke dynamieken die meeliften met digitalisering hebben invloed op de ontwikkeling van de kunstvakken? Alle schoolvakken hebben met lesvoorbereidingen en lesimprovisatie te maken, maar de hang naar efficiëntie raakt wel het fundament van de kunstvakken. Zijn de kunstvakken wel efficiënt en handig? Is een kunstvak de kortste weg van A naar B? En, als ‘efficiëntie en handig’ concepten zijn die goed passen bij digitalisering en minder bij de kunstvakken, wat betekent dat voor jou als kunstvakdocent? Word je dan uitvoerder, zoals kunstvakdocenten hun eigen professie omschreven deze winter? Welke ruimte en tijd heb jij nodig in tijden van digitalisering? Waarop baseer jij de keuzes die voor ons liggen? Laten we samen onderzoeken en bevragen.

In drie clips van 15 minuten geef ik alvast een voorzetje. De clips Studio SpeelruimteAdempauze en Het vatten een open gesprek samen, dat Pascal Gielen (hoogleraar cultuursociologie), Gert Biesta (hoogleraar pedagogiek) en ik voerden in april 2021. De basis van dit gesprek vormt het experimenteel project vanuit mijn doctoraatstraject bij Antwerp Research Institute for the Arts (ARIA) dat ik deze winter ontwikkelde met 16 kunstvakdocenten. Het onderwerp efficiëntie komt vooral in de clip Studio Adempauze naar voren.

Mirjam van Tilburg is onderzoeker en docent aan de Master Kunsteducatie van Fontys Hogeschool voor de Kunsten. Andere partners in het project: KunstLoc Brabant, Kenniscentrum Cultuureducatie Rotterdam en Willem de Kooning Academie.

Daar zit je dan…student in coronatijd

Auteur: Karlijn van der Weij | Foto: Chris Montgomery

Daar zit je dan. Covid-19 regeert al een tijdje en nu moet je stage lopen. Honderden scholen die al te veel op hun nek hebben, stagiaires zijn wel het laatste waar ze aan denken. Waar kan ik stage lopen? Wat kan ik leren? Wat is de kwaliteit van mijn stage? Hoe is een coronastage voor een student kunstdocent?

Vorig jaar had ik – gelukkig – een normale, fysieke stage, maar dit jaar dus niet. In tegenstelling tot sommige medestudenten kon ik er overigens wel een vinden. Die stage begon in de ‘strikte’ coronatijd en alles was online. Niks sfeer proeven van school en leerlingen. Hoofden op schermpjes, gedemotiveerde leerlingen en leerlingen die niets online durfden te zeggen, dat was wat ik dagelijks zag.
Desondanks probeer je je leerlingen (en jezelf!) te motiveren en enthousiast te maken. Thuis voerden ze ‘de kunst- en quarantaine opdracht’ uit. Maak een bestaand kunstwerk na waar je zelf ook op staat. De meest gekke en bijzondere foto’s kwamen langs, de een nog inventiever dan de ander. Ik stond verbijsterd van de kwaliteit van het werk van sommige leerlingen.

Meekijken
De ene leerling bloeide op en haalde inspiratie uit zijn of haar omgeving, de andere zakte weg en zweefde als het ware in de ruimte, onbereikbaar. Het was moeilijk om te leren hoe ik hen kon bereiken. Ik maakte bijvoorbeeld online ‘rondjes’ door de klas en sprak iedereen aan, vroeg iedereen werk te laten zien. Dat werkte redelijk goed.
Bovendien voerde ik dezelfde opdracht als de leerlingen uit. Zodat ze mijn proces ook konden volgen en gemotiveerd raakten om te werken. Ik deed dat via google whiteboard en deelde mijn scherm, zodat ze konden zien waar ik precies mee bezig was. Soms tekende ik gekke dingen op het scherm, bijvoorbeeld een zeemeermin die in de gracht om het huis zwom, daar maakte ik ze af en toe weer even alert en blij mee. Ze keken echt mee en de stap om uitleg te vragen werd er kleiner door; ik was immers toch al bezig.

Voor sommige leerlingen werkte dit goed. Ze gingen aan het werk en keken bij mij hoe je moest tekenen. Doordat perspectief tekenen goed te leren is, kwam een aantal leerlingen tot mooie resultaten. Voor sommigen was dit een soort opluchting in deze coronatijd, waarin veel thuis niet lukt.

Bereikbaar zijn is erg belangrijk bij online lesgeven. Halverwege mijn stage mocht ik hybride les gaan geven. Dat betekent dat de helft van de klas online is en de andere helft op school. Je bent op twee plekken tegelijk en als docent heb je het gevoel dat je in tweeën wordt gescheurd. Uiteindelijk vond ik hier ook een balans in, maar voor de online klas bleef ik toch een beetje onbereikbaar. Soms vergeet je ook gewoon tot ver na de bel, dat er nog online leerlingen zijn. Het zit niet mee om een docent te zijn in coronatijd.

Desondanks heb ik veel geleerd van mijn stage. Vooral hoe ik bereikbaar en benaderbaar kan zijn. Mijn leerlingen hoeven online niet bang te zijn om een vraag te stellen. Natuurlijk zou ik veel meer van mijn stage hebben geleerd als alles gewoon fysiek was geweest. Pedagogisch-didactisch heb ik mij veel minder kunnen ontwikkelen, omdat ik geen klassen van dertig leerlingen heb gehad.
We zullen zien wat ik volgend jaar in mijn stages tegenkom. En wat ik als kunstdocent dán allemaal leren kan, ook bij onverwachtse wendingen.

Karlijn van der Weij zit in het tweede jaar van de opleiding Docent Beeldende kunst en Vormgeving ArtEZ Arnhem.

Yulia & Juliet gaat over het gevoel van opgesloten zijn in jezelf

Auteur: Tamara Klopper | Beeld: Yulia & Juliet videostill

Op zoek naar vrijheid, dat zijn de twee meisjes in de korte film Yulia & Juliet (2018) van regisseur Zara Dwinger in letterlijke zin, want hun leven speelt zich af in een gesloten jeugdinrichting. Als Juliet vanwege goed gedrag naar huis mag, blijft Yulia radeloos achter.

Waarom speelt Yulia & Juliet speelt zich af in een gesloten jeugdinstelling?
‘Het leuke van film is dat je de omgeving kunt gebruiken om een universeel gevoel te verbeelden. De zoektocht naar vrijheid en het gevoel van vastzitten zullen veel jongeren wel herkennen. De inrichting symboliseert het beklemmende gevoel van opgesloten zitten in jezelf, je niet op je plek voelen. Je kunt daarin iets herkennen van hoe je je voelt als jongere: je wilt bevrijd zijn van het opgesloten gevoel, en het lukt niet.’

Veel van je films gaan over de beleving van tieners, jongeren.
Vier korte films heb ik daarover gemaakt, ook omdat die periode voor mijzelf tekenend is geweest. Wat ik er fascinerend aan blijf vinden, is dat het zo intens is. Alles is nieuw. Je wordt voor het eerst hevig verliefd of raakt heartbroken. Veel mensen zeggen – terugkijkend – dat ze zich heel slecht voelden tijdens de puberteit en tegelijkertijd op hun allerbest.’

Yulia & Juliet gaat over de liefde tussen twee meisjes. Wilde je een statement maken?
‘Dat het over de diepe liefde tussen twee meisjes gaat is eigenlijk geen issue in deze film. Ik vond het belangrijk dat je ziet dat dit gewoon een liefdesverhaal is, en het niet ‘anders’ is. Voor mij gaat de film over het intense gevoel van je opgesloten voelen en het verlangen naar vrijheid. Het idee voor de film begon als een verhaal over de vriendschap tussen twee vriendinnen in een jeugdinstelling dat tragisch verloopt, omdat een van de twee vrijkomt en de ander achterblijft. Maar toen dachten scenarioschrijver Jolein Laarman en ik: verliefdheid is nog zoveel sterker, dàt moet het worden. Zo ontstond het idee om Romeo en Julia, het meest beroemde liefdesverhaal, te verplaatsen naar twee meisjes.’

Een gesloten inrichting kan grauw zijn. Toch is de sfeer in Yulia & Juliet sprookjesachtig.
‘Ik noem het een larger-than-life-sfeer, waarbij wat je ziet niet honderd procent realistisch is. Het was zeker niet mijn bedoeling een realistische film te maken over het leven in een inrichting. Het is een liefdesverhaal. De grauwe wereld verdwijnt naar de achtergrond als Yulia en Juliet samenzijn. Als een scène roze kleurt, is het hoe het voor hen voelt. En dat is eigenlijk wat ik probeerde met de hele film; het had een droom kunnen zijn, een herinnering. Dat komt vooral door de kleuren, die maken het niet helemaal van deze wereld is.”

Als kijker beleef je het opgesloten gevoel versus vrijheid mee.
‘Dat zit ‘m bijvoorbeeld in de cameravoering. Soms filmden we de meisjes van bovenaf.  Wat er dan visueel gebeurt, is dat het de personages ‘de grond indrukt’. Het maakt ze klein, je ziet de grond. Op het moment dat Juliet vrij is, hebben we haar ook van beneden af gefilmd. Ze komt zo niet alleen groot en ‘beter’ over, je ziet ook de lucht, ruimte. Je ervaart als kijker meer vrijheid.

Met de nieuwe digitale les van het Netwerk Filmeducatie bij Yulia & Juliet kijken leerlingen deze film en ontdekken ze hoe je thema’s hebt verbeeld en versterkt met licht, kleur en camerawerk.
‘Als ik hoor wat leerlingen doen met filmeducatie denk ik: had ik ook maar films in de klas gezien die een gesprek openen. Het zou mooi zijn als ze iets hebben gezien waarin ze zichzelf herkennen. Het is fijn als je jezelf herkent in media, dat je bevestigt krijgt dat dit ook verhalen zijn die verteld mogen worden. En als leerlingen film maken en nadenken over hoe je een gevoel kunt omzetten in kleur, licht of beeld, hoop ik dat ze meekrijgen hoe je gevoel kunt omzetten in beeld en geluid.
Maar ook als ze geen film maken is het waardevol. Want het gaat ook om in contact staan met je gevoel. Misschien laat het ze het ze anders kijken, dat zou ik wel heel leuk vinden.’

ROET en Lichtje laten je anders kijken en voelen

Auteur: Henk Langenhuijsen | Foto: Ivonne Zijp

Myra Bodian (Fontys) en Meike Steerneman (HKU) deelden de publieksprijs van de derde aflevering (2020) van De Kunst van het ontwerpen, een ontwerpwedstrijd voor derde- of vierdejaars studenten aan een docentopleiding in de kunsten. Bodian bracht met haar podcast ROET racisme ter sprake en Steerneman maakte de zintuigelijke voorstelling Lichtje.

Myra Bodian (1996) wilde voor haar afstuderen bij Het Rotterdams Wijktheater de eindregie doen van ROET, een community arts voorstelling. De groep bestond uit professionele en niet-professionele artiesten en verschillende kunstuitingen, zoals spoken word, spel en zang. ‘ROET gaat over de betekenis van Zwarte Piet in onze samenleving. De voorstelling zou voor jongeren zijn.’ Het thema ligt haar na aan het hart. Ze groeide op in Breda, als kind van een Senegalese vader en een Nederlandse moeder. ‘In Rotterdam voel ik mij thuis, omdat er veel etniciteiten zijn. Ik was me altijd bewust van mijn achtergrond, maar pas nu, na de vele protesten staan witte mensen meer open om erover te willen horen. Ik onderzoek nu ook mijn Senegalese kant en andere Afrikaanse invloeden.’
De podcast vindt ze ‘een passend alternatief met dezelfde kwaliteit als een voorstelling, gezien de omstandigheden’. ‘Toen de lockdown kwam wilde ik niet afstuderen met een project waar ik niet achter kon staan. We zijn  gaan brainstormen en kwamen uit bij een podcast. Het stuk moest wel herschreven worden.’ De podcast heeft nog steeds een theatrale setting en personages stappen soms uit hun rol. ‘In mijn eerste opzet ging ik uit van een conflict tussen verstand en gevoel. We denken elkaar met woorden te overtuigen, maar in ons hart voelen we pijn en die krijgt gaandeweg de overhand. Uiteindelijk ‘spatten’ de spelers uit hun rol en laten ze zien wie ze echt zijn.’

ROET nodigt uit tot herluisteren. ‘Theater moet ruimte bieden aan nuances, elk conflict is genuanceerd en daardoor ook interessant. Ik doe daarom onderzoek naar maatschappelijke  mechanismen en benader die vanuit verschillende perspectieven. Ubuntu, een Afrikaanse filosofie benadrukt dat inleving belangrijk is en ik benoem in ROET de pijn, laat meerdere kanten zien. De mooie en magische herinneringen aan het sinterklaasfeest en de pijn van gekleurde mensen. Herluisteren is belangrijk, want het is moeilijk om ervaringen en standpunten opnieuw tegen het licht te houden.’
De podcast is goed op school te gebruiken, maar met enige zorg. ‘Ook bij jongeren levert dit onderwerp soms hevige discussie op, met onwrikbare standpunten en verschillende waarheden en dat kan averechts werken.’ Scholen kunnen contact opnemen voor een eventuele gastles.

Myra

 

Meike Steernedam (1998) maakte in haar laatste jaar Theatre in Education kennis met het voortgezet speciaal onderwijs. ‘Ik ontdekte dat theater niet alleen een beroep kan doen op beeld en geluid, maar ook op gevoel, reuk en smaak. Eerst dacht ik dat ik een stap terug zou moeten doen, maar er was juist meer wisselwerking, creativiteit, openheid en contact. Ik onderzoek nog steeds hoe je kunst, theater, mensen met een beperking en de samenleving met elkaar kunt verbinden, hoe je van elkaar kunt leren.’ Na haar afstuderen ging ze onder meer aan de slag bij Tiuri op de locatie in Roosendaal, een theaterwerkplaats die ‘investeert in de talentontwikkeling van performers met een (verstandelijke) beperking’.
Lichtje is een zintuiglijke ervaringsvoorstelling voor het speciaal onderwijs. Het gaat over een bootje dat op zee verdwaalt en langs diverse prikkelende eilanden komt, maar het gaat vooral over contact leggen en interactie. ‘Tijdens mijn stage in Engeland ontdekte ik immersive theatre . Dat doorbreekt de zogenoemde vierde wand en dompelt – in dit geval de leerlingen – onder in een andere wereld. Zo krijgen ze in mijn voorstelling zelf ook een lichtje en kunnen dan meespelen, actief betrokken zijn.
‘Ik wilde voor mijn afstuderen graag een echte voorstelling maken, goed van vormgeving en dramaturgie. Ik werkte samen met leerlingen uit Tilburg en uiteindelijk hebben we in november nog een echt keer kunnen spelen. Dat was fijn, want de interactie is zo belangrijk in de voorstelling, dan pas wordt echt duidelijk wat het oplevert.’

Vanwege de privacy van de betrokkenen kan op dit moment niet alles getoond worden. ‘We zijn met zijn drieën, maar de persoonlijke beleving staat centraal, dus is het vooral een voorstelling mét de leerlingen.
Ik hoop dat als de omstandigheden het weer toelaten, Lichtje nog vaak naar scholen kan. De voorstelling groeit en verandert dan waarschijnlijk weer, iedere groep reageert weer anders en dat levert nieuwe ideeën en momenten op. Wie belangstelling heeft, kan contact met mij opnemen.’

Lichtje. Foto: Jos Kuklewski

 


Meer lezen of bekijken

Videocompilatie van De kunst van het ontwerpen.
Pitch van Myra Bodian tijdens De kunst van het ontwerpen.  
Pitch van Meike Steerneman tijdens De kunst van het ontwerpen. 

ROET – podcast van Myra Bodian 
Lichtje – trailer van Meike Steerneman 

FilmToolkit voor het basisonderwijs

Auteur: Ana Paunovik | Beeld: Film to go kaart, © AP 2020

 

Film Toolkit is een educatief product dat voortkomt uit mijn onderzoek naar de stand van zaken omtrent filmeducatie in zestig basisscholen in gemeente Leeuwarden. Het bracht de huidige situatie omtrent filmeducatie in de scholen in beeld,  de behoeftes op het gebied van scholing en deskundigheidsbevordering en hoe leraren en scholen denken over filmeducatie.

Basis voor filmeducatie ontbreekt
Uit de resultaten blijkt dat er een kloof is tussen wat belangrijk wordt gevonden en wat er in de klas daadwerkelijk wordt gedaan. Leraren zien wel degelijk het nut en het belang van filmeducatie voor zichzelf en hun leerlingen in. Film komt ook in alle vakken met verschillende frequentie aan bod, en wordt regelmatig als vermaak ingezet.
Tegelijkertijd is film maken geen doel op zich, het gebeurt tussen de lessen door, informeel. Slechts 2% van de leerkrachten zegt dat hun leerlingen een verhaal kunnen verbeelden door middel van film. Naar de filmpjes die de leerlingen maken wordt nauwelijks gekeken, de inhoud en de beeldtaal van een film wordt zelden in de klas besproken. De leerkrachten achten zich hiervoor niet deskundig genoeg en hiermee lijkt de basis van wat met filmeducatie kan worden gedaan, te ontbreken.

Film leren spreken
De oplossing is een instrument (tool) dat leraren in het basisonderwijs aanknopingspunten biedt om het gesprek over films betekenisvol te maken en te houden. Met de juiste middelen kan het aanvankelijk alleen bekijken van een film worden opgeschaald naar het analyseren van een film: de taal van film ‘leren spreken’. Ook moeten leerlingen goede ondersteuning krijgen als ze zelf films willen maken.
Daarom is naar aanleiding van de resultaten uit het onderzoek de Film Toolkit ontwikkeld, in samenwerking met leerkrachten en leerlingen.
De Film Toolkit bestaat uit meerdere onderdelen waaronder Kijk -en Maakposters en Filmkaarten. De Film Toolkit wordt momenteel doorontwikkeld samen met de partners van Filmhub Noord. Zie voor meer informatie ook mijn website.

Pleidooi voor fotografie in het basisonderwijs

111 jaar oud en nog steeds in de kinderschoenen

Auteur: Marije van der Hoeven | Afbeelding: Hiranur

Bewust kijken vormt de basis voor vakmanschap en wetenschap, het leeuwendeel van informatie komt binnen via onze ogen. Daarom kunnen we niet vroeg genoeg aandachtig leren kijken. Ik vraag kinderen vaak: bestaat er een beroep waarbij je je ogen niet nodig hebt?

Lewis Hine (1874-1940), leraar, socioloog en fotograaf, werd beroemd met zijn serie over kinderarbeid in de VS. Hij begon met fotograferen als ondersteuning van zijn lessen, waarmee hij ‘de wereld’ zijn klas binnenhaalde. Honderdelf jaar geleden eindigde hij een artikel met deze optimistische zin:
‘Het gebruik van fotografie in de klas staat nog in de kinderschoenen. Wat is de waarde van fotografie in educatie? Dat is een vraag vol mogelijkheden. Het antwoord erop zal misschien langzaam komen, maar het komt er zeker.’

111 jaar later
Net als Lewis Hine ben ik overtuigd van het belang van fotolessen in het onderwijs. Met een camera liggen de mogelijkheden voor het oprapen; het is een eenvoudige manier om kinderen bij de wereld te betrekken en hen zelf de maakbaarheid van het beeld te laten ontdekken. In 1989 begon ik als consulent fotografie basisonderwijs. Samen met collega’s van andere gesubsidieerde steunfunctie-instellingen voor kunstzinnige vorming in het land gaven wij vorm aan het vak audiovisuele vorming. Dat waren enthousiasmerende jaren. We dachten helemáál dat ons vak terrein ging winnen toen de cursus Voortgezette bijscholing audiovisuele vorming voor pabodocenten startte, in 1987.

Bijna al die steunfunctie-instellingen zijn nu gesloten. En de vakken met overlappende doelen, zoals mediawijsheid, visuele geletterdheid of nieuwe media (waar fotografie, inmiddels al honderdvijftig jaar oud, nog steeds toe gerekend wordt!), hebben geen vaste voet aan de grond gekregen. Ons vak is dus in de kinderschoenen blijven steken. Toch is fotografie een fantastisch leermiddel in het basisonderwijs dat in onze beeldeeuw verankerd moet worden.

Al dertig jaar laat ik kinderen zelf foto’s maken en daarop reflecteren. Een nieuwe wereld gaat open: ‘Ik wist niet dat er zóveel te vertellen was over één foto.’ De kinderen zijn enorm betrokken omdat zij zelf het lesmateriaal maken. Door eerst te doen en er daarna op te reflecteren leren ze de betekenis en kracht van het beeld te onderkennen. Zo zei een kind tijdens een workshop: ‘Ik wil hier voor eeuwig blijven!’

Ik deel graag mijn ervaring met docenten in workshops. Stuur op aanvraag de film Kijken naar kinderfoto’s met daarin een selectie van honderdentwintig foto’s die gemaakt zijn door kinderen. Schreef twee bekroonde kinderboeken over fotografie. Mijn boek Klik ik heb je is bij mij verkrijgbaar, foto! is alleen nog tweedehands te koop. Van 19 december 2020 t/m 11 april is de tentoonstelling Hoed op voor Rembrandt te zien, naar aanleiding van het gelijknamige project in het Rembrandthuis in Amsterdam. www.marijevanderhoeven.nl

 

Proeftuinen in Filmhub Noord

Auteur: Jolijn Peters | Afbeelding: Filmhub Noord

Daar zaten we dan, op een dakterras in Marrakesh. Acht jongeren en ik, met onze smartphones. YouTube en TikTok tegelijkertijd open en kijken maar, het ene na het andere filmpje, achteloos en gedachteloos. Dat hier sprake was van onbewust filmkijken, was zo klaar als een klontje.

Dat het noodzakelijk is de stap van onbewust naar bewust filmkijken te maken, drong een jaar later pas goed tot me door toen ik projectleider werd van Filmhub Noord. Filmhub Noord vormt een nauwe samenwerking tussen Kunst & Cultuur, Keunstwurk, Kunstkade, Forum Groningen, Film in Friesland en het Internationaal Filmfestival Assen.

Net als de jongeren daar op dat verre dakterras onbewust naar allerlei films keken, is dat ook vrijwel de dagelijkse praktijk in de meeste Nederlandse klaslokalen. Uit onderzoek dat Motivaction (2019) in opdracht van het Netwerk Filmeducatie verrichtte in po, voortgezet onderwijs en mbo blijkt dat docenten dagelijks films tonen. Dit gebeurt zelden bewust, dat wil zeggen met oog voor de maker, het verhaal, de vormgeving of de context. Film in het onderwijs is dus meestal een prettige manier om de concentratie en motivatie van leerlingen te vergroten, dient ter ontspanning en vermaak. Als film louter een middel is en zelden een doel op zich, dan vergeten we leerlingen filmtaal te leren spreken, missen ze de woorden om een filmervaring te duiden en hier betekenis aan te geven. Die betekenisgeving is belangrijk om de wereld – en jezelf – in perspectief te kunnen zien.

Hoe maken we die stap van onbewust naar bewust filmkijken? Filmhub Noord beantwoordt die vraag al doende in Proeftuinen, in elke provincie (Groningen, Friesland en Drenthe) een. Een Proeftuin is een intensieve samenwerking tussen een school, een steuninstelling en een of meerdere aanbieders (bijvoorbeeld een filmdocent, -theater of –festival). De vraag van de school is leidend. Wat is er nodig op deze school om filmeducatie naar een ander plan te tillen, zijn er aanknopingspunten in het curriculum, de identiteit van de school en de dagelijkse lespraktijk? Welke plek heeft film en filmeducatie nu en welke interventie zorgt ervoor dat die plek steviger, beter en structureler wordt? Niet alleen de school moet leren van de Proeftuin, ook de aanbieders en de steuninstellingen en, in een later stadium, anderen in de regio. Tijdens het proces wordt iedereen gestimuleerd nieuwsgierig naar elkaar en elkaars ervaringen te blijven. Door te monitoren, vast te leggen, te evalueren en te delen, groeien niet alleen de scholen, de steuninstellingen, filmdocenten, filmtheaters en het filmfestival, maar groeit filmeducatie in de regio. Als Filmhub Noord weten dan nog beter welke stappen we moeten zetten om ervoor te zorgen dat filmeducatie een structurele plek in het primair en voortgezet onderwijs krijgt.

Soms, als ons doel té ambitieus lijkt, ga ik in gedachten terug naar dat dakterras in Marrakesh, zie acht blauwe gezichten, hoor hoe het geluid van smartphones de oproep tot gebed overstemt, en voel ten volle waarom we die stap van onbewust naar bewust met elkaar moeten maken.

Van Gerwen denkt door

Wat kan er beter aan de Europese Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)?

Auteur: Dr. Rob van Gerwen | Illustratie: Lennie Steenbeek

Platforms moeten zich fatsoenlijk gedragen. Dat verwachten we van alle dienstverlening.

De AVG beschermt onze gegevens tegen misbruik – zoals diefstal en verkoop – door instanties en internetbedrijven. Gegevensbescherming is echter een dubbelzinnige term. Enerzijds gaat het om de informatie waarmee je mensen kunt identificeren en localiseren, gegevens die in het paspoort staan, in archieven van de gemeente, bekend zijn bij de belastingen of bij zorgverleners. Dat die gegevens uitsluitend voor die instanties bedoeld zijn, lijkt mij evident.

We moeten ook beschermd worden tegen de roof van onze zogenaamde gebruiksgegevens, sporen die mensen achterlaten als ze internet gebruiken en de apps op hun telefoons — hoewel ze dat niet bewust doen. Gebruikersgegevens gaan over ons. Gebruiksgegevens doen dat niet, die komen alleen bij ons vandaan.

Internetplatforms verzamelen gebruiksgegevens om advertenties te verkopen. Daar krijg je meer geld voor naarmate je ze weet voor te leggen aan meer mensen die waarschijnlijk op de advertenties ingaan. Onlogisch is dat niet, maar er blijken meerdere manieren te zijn om de advertenties bij de gewenste consumenten te brengen. Je kunt die geïnteresseerde consumenten zoeken of je kunt ze maken, of allebei een beetje. Of toch liever maar maken want dan zijn ze stabieler.
Daarvoor dienen wat we ook wel filterbubbels noemen. Filterbubbels zijn gegrond in iets wat mensen zelf al willen op het internet; relevante resultaten krijgen als ze iets zoeken. Op de eerste pagina van de zoekmachine moeten de beste suggesties staan, anders haken mensen af. Maar staan de resultaten op de eerste pagina omdat ze het beste zijn, of zijn ze het beste omdat ze op de eerste pagina staan? Gebruikers gaan dat laatste geloven: wat niet op de eerste pagina staat is niet relevant.
En dat is het grondbeginsel van de filterbubbel: wat je voorgeschoteld krijgt op internet moet wel interessant zijn. Dan ga je er op in en bevalt het je ook. Zo groei je samen met de platforms ergens heen, maar niet per se naar iets waar je zelf voor zou kiezen. In ieder geval word je zo voor de platforms die ideale consumenten die zij met hun advertenties (willen) bestoken.

De platforms gebruiken ook de sociale media om onze aandacht te trekken. Dat lukt natuurlijk niet met pagina’s-lange subtiele overwegingen; wel met korte provocerende opmerkingen, zoals onwaarschijnlijke complotten als dat de elite bestaat uit pedofielen die in de kelder van een pizzeria kinderen misbruiken en dat Bill Gates verantwoordelijk is voor de corona-pandemie.
Sommigen lezen dergelijke ongein om de tijd te verdrijven, maar ook dat geeft hem elders op internet meer gewicht. Haatpraat, complottheorieën en de ongenuanceerde expressies van ongenoegen kunnen zo niet anders dan toenemen. En ook dit komt in filterbubbels terecht.

De platforms lijden ogenschijnlijk niet onder de aanslag die het internet zo op onze privacy, onze wetenschappen en onze democratie pleegt. Ze verkopen alleen maar meer advertenties. Zij het geld, wij de problemen.

Dit is deel 1 over de AVG. Over de privacy gaat het in deel 2, dat verschijnt in Kunstzone 1, 2021, blz. 54.

Ontwerpen en onderzoeken doe je zo!

Auteur: Bart Boonen | Foto: Vera en Rosa. Gebruikerstest doe je zo!

Op het Citadel College in Lent geven we van het eerste tot en met derde leerjaar het vak Onderzoek en Ontwerp. Belangrijke elementen in het vak zijn creatieve en probleemoplossend vermogen.

We introduceren daarbij thema’s die te maken hebben met bestaande problemen, die de leerlingen moeten oplossen. Ze werken samen met potentiële gebruikers en ontwikkelen al onderzoekend en experimenterend oplossingen voor het probleem.
We werven voor deze levensechte kwesties of problemen instanties zoals het Radboud ziekenhuis of de Nijmeegse bibliotheek. Zij dragen de ontwerpproblemen aan, zodat leerlingen ook werkelijk iets maken dat gebruikt gaat worden. Het Radboud ziekenhuis vraagt leerlingen bijvoorbeeld een behang te ontwerpen voor een specifieke afdeling en patiënten met artsen treden als jury op, om het beste ontwerp te kiezen. Dat ontwerp moet aansluiten bij de eisen die de afdeling stelt en de leerling zal zich dus moeten verplaatsen in de gebruikers van de ruimtes waar het ontwerp voor wordt gebruikt.

Stap voor stap ontwerpen
Een ontwerpproces opzetten en volgen is nieuw, en bepaald niet eenvoudig voor onze leerlingen. Daarom zette ik met leerlinge Vera Van den Oord uit 4vwo en kunstvakcollega Tonja Moonen, voorzien van de adviezen van Jaap Daalhuizen (Delft Design Guide) een YouTube-serie op. Met een subsidie van LOF, het LerarenOntwikkelFonds, kon ik de serie te ontwikkelen.

In de serie Ontwerpen doe je zo! legt Vera stap voor stap uit hoe zij een ontwerpprobleem heeft aangepakt en op die manier laat ze zien hoe andere leerlingen dit kunnen doen.
Het mooie is bovendien dat de serie bij elk vak inzetbaar is.

Bekijk de serie via: https://www.youtube.com/channel/UCXzhqiLeTSmiqqrmjwrF9-w

Als docent dans én Grieks & Latijn stond Carmen van Deuren tien jaar lang vol enthousiasme voor de klas. Nu richt ze haar enthousiasme volledig op haar andere passie: boeken. Afgelopen januari opende van Deuren Arnhems Boeken Café (ABC) Libertas, een literair café vol met de meest uiteenlopende boeken.

Carmen van Deuren: ‘Meteen na mijn dansdocentenopleiding ben ik weer terug de schoolbanken in gegaan. Ik miste het leren zo erg dat ik, tegen ieders advies in, halsoverkop een nieuwe studie koos. Grieks en Latijn, dat leek me wel een studie waarbij ik mijn hoofd kon gebruiken. Daarna combineerde ik mijn werk als dansdocent in het amateurveld met een vaste baan in het voortgezet onderwijs. Die combinatie paste heel goed bij mij.’

‘Tijdens een bezoek aan Groningen kwam ik terecht in een café vol met tweedehandsboeken. Het idee van een plek waar je boeken kunt lezen onder het genot van een kopje koffie of een biertje vond ik simpelweg fantastisch. Ik deed een oproep voor tweedehandsboeken en kreeg ontzettend veel respons. Vanaf daar ging het balletje snel rollen. Ik heb een ondernemingsplan geschreven en ben op zoek gegaan naar een pand. Na een jaar hard sparen heb ik mijn docentschap achter me gelaten en me fulltime op het café gestort.’

Een nieuw avontuur

‘Door middel van crowdfunding zijn we van start gaan. Dit was een zwaar proces, ik moest me ineens verdiepen in bijvoorbeeld marketing. Door mijn ervaring in lesgeven heb ik geleerd te differentiëren. Ik merkte dat deze kwaliteit van pas kwam tijdens het proces, doordat je constant probeert verschillende mensen te bereiken en te activeren. Gelukkig had ik een fantastisch team om me heen, waaronder het veelzijdige Collectief Soepel. Zij hebben het interieur ontworpen en de plek een sfeer gegeven waar ik voorheen alleen maar van kon dromen.’

‘Boeken selecteren vond ik het leukste werk. Ik voelde me als een curator van een museum. Op dit moment zijn er 5000 boeken in Libertas en dat is maar tien procent van alle boeken die ik heb verzameld. Dit proces ging vooral op gevoel. De verrassende, grappige, choquerende, bijzondere boeken en de klassiekers staan nu bij ons op de plank. Ik geniet van het ontdekken van pareltjes en deel die graag met anderen.’

Anders dan een boekenwinkel

‘Onze doelgroep is heel breed. Er zijn mensen die graag naar het café komen voor een goed biertje en daarbij af en toe een boek pakken, en je hebt de boekenfanaten die het fijn vinden dat dit tevens een sociale plek is. Wij organiseren poëzieavonden in samenwerking met de schrijversopleiding van de kunstacademie, voorleesmiddagen voor kinderen, boekpresentaties, bordspelavonden en ook theater- en dansvoorstellingen. Door mijn achtergrond trek ik het breed en zie ik het als een culturele aangelegenheid. Maar het uitgangspunt blijft literatuur en taal.’

‘Ik wilde mezelf omringen met literatuur en geschiedenis. Echte boeken geven een fijne sfeer van rust en veiligheid. Onze gasten komen lezen, studeren, werken of voor de gezelligheid. Iedereen is welkom en dat gevoel wil ik met ABC Libertas uitstralen.’

Meer Informatie

INTRO

De deelnemende VO en mbo docenten volgen de post- HBO cursus Oog voor beeldend talent allemaal voor hun leerlingen: om een beter docent te worden of om hun lessen te verrijken. Maar stiekem hoop ik dat ze het voor zichzelf doen. Want ik geloof dat ze door zelf beeldend werk te maken gelukkiger docenten worden.

EEN FRISSE START

Na de zomervakantie loop ik door Zwolle en ontdek ik opnieuw de weg naar de academie. De conciërges komen vrolijk lachend op me af, geven me een hand en zeggen “gelukkig nieuwjaar!”. Wat een fijne traditie, een frisse start in augustus. Elk jaar een nieuw begin met goede voornemens, en in januari de kans om het nog eens dunnetjes over te doen.

Als ik op de eerste cursusavond de atelierruimtebinnenloop, wens ik de deelnemers van de cursus ook een gelukkig nieuwjaar. Deze bevlogen docenten uit het VO of mbo kiezen ervoor om deze cursus naast hun baan te volgen. Ze staan aan het begin van een herontdekking van alles wat ze al kunnen.

OOG BASIS

We beginnen met het leren kennen van de mede-cursisten en elkaars werk. Er zijn ontmoetingen met diverse docenten en studenten van alle studierichtingen en we bespreken de rol van de beeldend docent. Tijdens de volgende bijeenkomsten gaan we aan de slag met het eigen werk, diverse technieken en opdrachten waarbij we inspelen op de actualiteit. Dit doen we onder begeleiding van diverse academiedocenten. De opgedane kennis is zowel toepasbaar binnen het eigen werk als in de klas, bovendien is er gelegenheid om onderling ervaringen uit te wisselen.

OOG VERVOLG

De mensen van de vervolggroep zitten vol goede voornemens vanuit de cursus Oog basis: het werk verder ontwikkelen, een tentoonstelling maken, theorie en maken meer combineren. Plannen waar ze door het volgen van de cursus weer tijd voor vrij maken.

ERVARINGEN VAN EEN DEELNEMER

Marjon, Oog deelnemer van het eerste uur, doet dit jaar niet mee. Ze gaat meer tijd besteden aan haar eigen beroepspraktijk als illustrator. Ze schreef hierover op haar LinkedIn: ‘Weer een heel mooi cursusjaar afgesloten bij ArtEZ in Zwolle! Oog voor beeldend talent: hier ontwikkel je je als docent beeldend én als kunstenaar (…) én maak je kennis met nieuwe ontwikkelingen in het werkveld. (…) Omdat je steeds bevraagd wordt naar wat je wil, waar je heen wil met je werk, ben ik weer heel scherp en kritisch naar mijn eigen werkproces gaan kijken. Door de enthousiaste en vakkundige docenten kijk ik anders en werk ik nu veel vrijer.Dat levert ander werk op met een helderheid die je alleen niet altijd voor elkaar krijgt. Mooier kan haast niet.’
Via de groepsapp van de cursus wens ik ook haar een heel gelukkig nieuwjaar toe!

 

 

NIEUWSGIERIG GEWORDEN?

Hier vind je meer informatie over de Oog cursussen basis en vervolg. Wil je meer weten of instromen in september 2019? Ik help je graag. Stuur een mail naar m.dejong@artez.nl

Marieke de Jong is docent bij ArtEZ en coördinator van de Post-hbo cursus Oog voor beeldend talent basis en vervolg.

 

Er was eens een prinsesje
Ze heette prinses Liselore
En woonde in een prachtig kasteel
Met lakeien en een kok
En de koning en koningin waren haar papa en mama
Later als ze groot zou zijn, werd ze een koningin
Want dat hoorde
Dus leerde ze lopen, stap voor stap
Leerde ze praten, met twee woorden
En lippenstiften
En eten met 4 messen en 4 vorken

 

Als alle leerdingen klaar waren ging ze het liefst naar de kok
Ze vroeg om haar mooiste schort
En mocht hem helpen
Met eieren en melk en meel
En boter in de pan
En bakken
En gooien
Ze bakte en ze bakte
Wel 110 pannenkoeken,
Pannenkoek met truffels, of met abrikoos, met leverworst en broccoli, met vissoep en met barbecue
tot ze er één had die perfect was: De naturel-au-liseloor

 

En die at ze dan op
Maar de koning en de koningin zagen hun meisje
Viezer en viezer en zeiden: Prinses Liselore, dit is niet jouwplek,
Jij moet lessen volgen, over spaans en schrijven en hoepeljurken dragen
Maar waarom? vroeg Liselore
‘Dat staat hier geschreven, kijk maar zwart op wit!
‘Maar waarom?’ vroeg Liselore
‘Omdat het hier staat, zelfs in een schema’
Liselore probeerde een jurk maar kwam helemaal in de knoop
Boos trok ze hem van zich af en riep
Ik heet geen prinses Liselore, ik heet Liselore Pannenkoek

 

De koning en koningin vertrokken zonder een woord te zeggen,
Liselore wist het zeker:
Nooit wil ik hoepeljurken, nooit wil ik met 4 vorken en nooit wil ik Koningin!
Maar… zei de kok… hoe moet het dan met het kasteel…
Nooit wil ik koningin voor een kasteel
En Liselore droomde van een prachtig zelf gebakken huis
Weet je het zeker? Ja…. Zeker
En de hele nacht smeedden de kok en Liselore een plan

 

De volgende morgen zaten de koning en koningin geïrriteerd aan het ontbijt
Waarom kwam de kok nu niet met brood?
Ze aten de meest verrukkuluke pannenkoeken van hun leven
Zo heerlijk dat er iets gebeurde met hun buik, ja zelfs hun hoofd
De koning gooide zijn kroon op de tafel
De koningin wapperde haar vlecht los
De koning keek haar aan
En de kriebels kwamen boven
In een heerlijke zoen riep de koning: Wat waren dit voor pannenkoeken?
Hun dochter kwam binnen
Pas toen wist de koning dat er niets anders op zat
Hij pakte zijn staf
En kroonde zijn dochter tot Liselore Pannenkoek,
De eerste prinses die geen prinses wilde zijn
Liselore lachte en rende naar de keuken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Auteur: Floor Roos

Wow wat is dat zwaar! Mijn lijf buigt onder het gewicht van de twee plastic ‘vleugels’ gevuld met water die om mijn armen heen zitten. Ik sta in de Grote Kerk in Zwolle en bezoek de Finals van de Docentopleiding Beeldende Kunst en Vormgeving van ArtEZ. Ik spreek vier kersverse afgestudeerden van ArtEZ Docentenopleiding Beeldende Kunst en Vormgeving over hun beeldende werk, docentschap en toekomstdromen.

 

Kunstprothese

Kim Venus, eindexamenstudent, is maker van het draagbare object en noemt het een kunstprothese. ‘In plaats van je leven makkelijker maken, maken mijn prothesen je leven moeilijker. Venus ontwikkelde verschillende kunstprotheses bedoeld om stress onder studenten bespreekbaar te maken: ‘Ik wil het taboe dat er heerst over het onderwerp stress opheffen en een aanzet hiertoe geven.’ Tijdens verschillende bijeenkomsten trokken studenten haar kunstprotheses aan. De draagbare objecten die zwaarte en ongemak veroorzaken bij de drager, nodigen uit tot een open gesprek. Venus: ‘De sfeer werd direct serieus als iemand het object droeg. Je voelt de ongemakkelijkheid al zonder dat je het zelf draagt.’

 

Een meditatief eetritueel

Een ander opvallend kunstwerk is het werk van Koen van Zwol. Tijdens een performance bereidt van Zwol met eerbied een oosterse salade en deelt dit voedsel met toeschouwers aan een lage ronde tafel. Een eetervaring waarbij hij voedsel gelijk probeert te stellen aan diegene die het tot zich neemt. Van Zwol: ‘Het voedsel staat niet in dienst van jou. Jij en het voedsel zijn gelijk.’ Dit gevoel accentueert hij door de kleine houten lepeltjes en de volumineuze ‘kommen’ van keramiek. Die hebben allen een andere, vaak onhandige, vorm. ‘Het bord dient als een altaar voor het voedsel, het is geen vorm die puur voor de functie ontworpen is.’ Het werk is ook hier sociaal geëngageerd: Doel van het werk is om de toeschouwer te laten denken over de invloed van voedsel op milieu en gezondheid, zonder dit op te dringen.

 

Maakbaarheid van het gebroken lijf

Wiesje Gunnink wil ook de toeschouwer aan het denken zetten. Als dochter van een huisarts kwam Gunnink al jong in contact met gebroken lichamen. Gebrokenheid is daarom een thema waar zij zich in haar werk mee bezig houdt. Geamputeerde lichaamsdelen, moeite met zwanger worden, suikerziekte. Veel tekortkomingen worden door de medische wereld ‘geheeld’. Maar in hoeverre hebben wij echt invloed op het menselijk lichaam? Hoe maakbaar is het gebroken lijf eigenlijk? Met de installatie Dagen gaan voorbij Hopend op een goede tijd Blijft alles zich herhalen, 2019 confronteert zij de toeschouwer met de stomp van een geamputeerd been waarover geaaid wordt. Heeft het been pijn? Wordt het getroost? In het werk Zoals het kan gaan, 2019 laat zij opnieuw een deze stomp zien, ditmaal ondersteund door een kussentje en een ijzeren staaf. Gunnink: ‘Met kunst mag je geconfronteerd worden met dingen waarmee je eigenlijk niet geconfronteerd wilt worden.’

 

Artistieke maakproces versterkt het docentschap

In het werk van Carina van der Ham wordt direct de wisselwerking tussen kunsteducator en maker helder. Van der Ham wilde met het thema schuld aan de slag en vond in Nibud een opdrachtgever. Zij boden haar aan lessen te geven aan het mbo Deltion als docent Burgerschap en Maatschappij. Van der Ham greep dit met beide armen aan en startte met het ontwerpen van lessen in haar atelier. ‘Ik onderzocht hoe ik het begrip schuld voelbaar en tastbaar kon maken voor de jongeren.’ Een voorbeeld hiervan zijn haar hedendaagse kerfstokken. In de oude traditie wordt een stok door tweeën gedeeld. De schuldeiser en schuldenaar krijgen beiden een deel. Zo gaan zij een verbintenis met elkaar aan. ‘Ik gebruikte het concept van ‘iets geven’ ook in mijn lessen. Ik gaf de eerste les elke jongere uit de klas een schetsboekje cadeau. Door het cadeau te accepteren gingen zij een verbintenis met mij aan. We konden vervolgens het gesprek over schuld met elkaar aangaan.’

 

Maker/Educator

Van der Ham laat zien dat het eigen artistieke maakproces voeding kan zijn voor het ontwerpen van lessen. Ze geeft zelfs aan dit niet los van elkaar te kunnen beoefenen. De ander sluiten zich hierbij aan. Koen van Zwol: ‘Ik denk dat de kwaliteiten van autonoom kunstenaar die ik bij de opleiding ontwikkeld heb, kan inzetten tijdens het doceren. En de vaardigheden die ik geleerd heb over docentschap pas ik weer toe in mijn beeldende werk.’ Kim Venus beaamt dit: ‘Als kunstdocent train je leerlingen oplossingsgericht ontwerpen. Je leert ze vervolgens een idee om te zetten in beeldtaal. Door dit zelf in een artistiek werkproces te hebben ervaren begrijp ik dit beter en zie ik het belang ervan in.’ Tot slot werkt het eigen beeldende onderzoek stimulerend. Wiesje Gunnink: ‘Als ik vanuit mijn eigen passie lessen bedenk, blijf ik zelf gemotiveerd en kan ik dit overbrengen op mijn leerlingen.’

In de Grote Kerk in Zwolle presenteren alle studenten Docent Beeldende Kunst en Vormgeving van ArtEZ academie voor Art & Design nog tot en met 14 juli hun eindexamenwerk. Meer informatie: https://finals.artez.nl

Volg DBKV ArtEZ Zwolle op instagram: https://www.instagram.com/artezdbkv/

Ze had graag aan de andere kant van het veld de tent opgezet maar manlief ontbijt liever in de zon. Het schuim in haar cappuccino is alweer verworden tot een lichtbruin laagje, geheel opgenomen in de koffie. Haar gezin wil op zoek naar glinsterende stenen in de beek.
In gedachten stopt ze haar vier boeken ongelezen terug in de boekenkast. Ze slikt nog een slok lauwe koffiedrab door haar keel.  

Manlief pakt, onnodig, kompas en zakmes en gaat al voorop terwijl zij de ontbijtresten onderverdeelt in de koeltas dan wel vuilniszak. De camembert kan ook weer weg. Volgend jaar misschien toch elektriciteit en een koelkastje. Een huisje is ook fijn.  

 Ze weet zeker dat manlief niet aan de regenpakken heeft gedacht. Zal zij ze ook gewoon vergeten? Ze verlangt naar een bui die die van haar overspoelt. Zoon en dochter halen wild enthousiast de verzamelde stenen van gister uit de emmers en rennen met de lege emmers naar manlief.  

Ze denkt aan de strijd die gaat komen, de dag voor vertrek: “Iedereen mag maximaal 6 stenen mee naar huis.” Gehuil, manlief die haar vragend aankijkt. Ze weet nu al dat ze dat verliest en denkt aan hun keurig aangelegde tuintje, vier bij acht. In haar hoofd vormt zich het beeld van het onooglijke hoekje, rechts achterin, met de meuk van vorig jaar. De inmiddels kapotte schelpjes en geen glinstering te zien meer, in die stenen. 

Stel je voor dat je een examen maakt en daarvoor van docenten, medeleerlingen en ouders een staande ovatie en een bos bloemen krijgt die je met een glimlach van oor tot oor in ontvangst neemt. Je kijkt opzij en ziet je medeleerlingen net zo genieten als jij.

Sterre, Denise, Esmee en Yaman overkwam bovenstaande in hun examenjaar en vierden samen met schoolgenoten hun ontwikkeling van dans. In deze masterproef kwam terug waar ze hard voor hebben gewerkt: techniek, performerschap, choreograferen, samen dansen en theorie.

Iedereen krijgt les in dans

Dans speelt voor de leerlingen (van vmbo tot en met het vwo) van het Stedelijk Dalton College in Alkmaar al vanaf de brugklas een belangrijke rol. In de praktijklessen krijgen de diverse niveaus samen les. In het examenjaar krijgen ze de regie helemaal in eigen handen en creëren ze een dansvoorstelling. Vanuit een gezamenlijk thema denken de leerlingen na over het verhaal dat zij willen vertellen. Sterre, Denise, Esmee en Yaman zijn er vol voor gegaan: ‘Alle gaatjes die we in het rooster konden vinden, hebben we benut. Zelfs in de vakantie en na schooltijd kwamen we samen om te oefenen.’

Theorie verbinden aan de praktijk

Vanuit de eindtermen krijgen de leerlingen cijfers voor het proces dat ze doormaken, de technische kwaliteiten die ze laten zien en de inhoud van hun choreografie. De leerlingen weten precies waar ze op beoordeeld zijn en de uitgebreide feedback geeft hen duidelijk inzicht in hun eigen kwaliteiten en mogelijkheden.
Na het schriftelijk examen Dans spreek ik een tevreden Yaman. Ondanks dat het zijn allereerste examen was en hij een beetje spanning voelde,  viel het hem erg mee. Op de vraag hoe dat kwam, zegt hij: ‘Ik was er gewoon klaar voor, nog voor ik moest leren.’
In dit examen behandelen de leerlingen diverse vragen naar aanleiding van vele filmpjes. Yaman: ‘Ik moest de theorie verbinden aan de praktijk. Maar dat ging heel erg goed, want ik wist bijvoorbeeld nog dat de benen in een dans gebogen moeten zijn, omdat ik dat zelf had gedaan in de dansles!’

Zekerder in je schoenen

De leerlingen zijn blij met hun keuze voor dans als examenvak. En hoewel slechts twee leerlingen kiezen voor een vervolgopleiding dans, geven ze allen aan dat het vak heel waardevol is geweest. Naast dat ze plezier hebben gehad, geven ze aan dat ze zekerder in hun schoenen staan, ze beter in staat zijn om activiteiten te organiseren en bij tegenslagen beter door kunnen zetten. Al die kwaliteiten hebben ze ingezet tijdens hun examens en dat voelt nu al heel geslaagd!

Het beoordelen van kunstvakken is in het basisonderwijs nog altijd een heikel punt. Als vakleerkracht muziek moet ik vaak een onvoldoende, voldoende of goed geven, maar waarop baseer ik dit? Vanuit deze praktijkvraag ben ik op zoek gegaan naar beoordelingsinstrumenten die gericht zijn op het uitvoeren van muziek.

Beoordelingscriteria

In het muziekonderwijs verstaan we onder het uitvoeren van muziek het presenteren en laten horen van muziek door te zingen en/of te spelen. Leerlingen spelen of zingen in groepsverband een muziekstuk(je) en presenteren dat aan de klas. Criteria om de uitvoering te beoordelen zijn: expressie/interpretatie, technische beheersing, ritmische beheersing, attitude en samenspel.
In de review van Groenendijk en anderen uit 2016 heb ik acht verschillende beoordelingsinstrumenten, specifiek gericht op het uitvoeren van muziek, gevonden en met elkaar vergeleken. De instrumenten betroffen vier rubrics, twee beoordelingsschalen, één Learning Story en één scoringsformulier. Vervolgens heb ik gekeken naar de validiteit, betrouwbaarheid en bruikbaarheid van deze beoordelingsinstrumenten.
Onder validiteit wordt verstaan of er daadwerkelijk getoetst wordt wat je wilt toetsen. Een meetinstrument is betrouwbaar wanneer de uitkomst gelijk blijft onder gelijkblijvende omstandigheden. Wanneer het haalbaar is voor de docent om te toetsen en te beoordelen in de beschikbare tijd, is een instrument bruikbaar.

Beeld: Roland Conté
Beeld: Roland Conté

Bevindingen

Niet alle instrumenten lijken even hanteerbaar in het huidige Nederlandse onderwijs. Het instrument dat mijzelf het meest hanteerbaar lijkt, is de Kansas Music Educators Association Rubric (KMEA). Net als bij andere rubrics zijn er per criterium beschrijvingen gegeven op verschillende prestatieniveaus. Het voordeel van een rubric is dat deze vaak valide, betrouwbaar en bruikbaar in de klas blijkt te zijn. De KMEA geeft de leerling duidelijk zicht op zijn of haar leerprestaties. De rubric is in te vullen door de vakleerkracht en toetst summatief. Nadeel van de KMEA is dat deze zich vooral focust op koorzang. Mijn aanbeveling is om in dit instrument meer criteria op te nemen die zijn gericht op het spelen, zodat deze toepasbaar is op de alledaagse muziekles, waarin niet alleen gezongen wordt. Mijn tweede aanbeveling is om de criteria te vereenvoudigen, zodat het instrument breder ingezet kan worden in alle klassen van de basisschool.

Nieuwsgierig geworden?

Voor het genoemde beoordelingsinstrument, verdere aanbevelingen en meer details verwijs ik u graag naar mijn onderzoek.

Auteur

Carlijn de Lange is zelfstandig muziekdocent en veelal werkzaam in het PO. Dit artikel is een korte samenvatting van haar literatuuronderzoek ‘beoordeling staat genooteerd – het beoordelen van het vak muziek in het basisonderwijs’ voor de master kunsteducatie aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten. Carlijn de Lange – Literatuuronderzoek beoordelen muziek PO – definitief augustus

Meer Informatie