Ik herinner het me nog goed, het moment dat mijn vader vertelde dat opa niet meer zou genezen, ik was een jaar of zeven. De gebedjes die we iedere avond voor het slapen afsloten met ‘Wilt u opa alstublieft beter maken’ hadden niet veel zin meer. Een paar weken geleden bracht ik mijn dochters naar bed. Ze wisten al dat hun overgrootmoeder, mijn Beppe, het einde naderde. Haar 97ste verjaardag hadden we enkele maanden eerder gevierd achter glas. Bidden doe ik al lang niet meer. Maar beneden gekomen, bedacht ik me en ging terug. We legden onze handen bij elkaar en ze leken het ritueel direct te begrijpen. Om beurten spraken we haar toe, in waardering en anekdotes, we wensten haar een goede reis en de rust waar ze zo aan toe was. Een kwartier later werd ik gebeld, ze was overleden tijdens ons gebed.

Toen ik de volgende ochtend de kinderen vertelde wat er was gebeurd, keken ze er niet van op. Mijn verdrietige enthousiasme over de connectie die we, dwars door alle coronarestricties heen, misschien wel gemaakt hadden, leek in hun beleving vanzelfsprekend. Misschien was het de magie die me zo aansprak. De kracht van de verbeelding, waarmee we vanuit een eenvoudige handeling een moment kunnen verheffen. Het besef dat we ook uit de bubbel van ons seculiere perspectief kunnen breken door rituelen even te lenen.

Ik zie de grafieken met getallen, ruim 7000 besmettingen per dag nu. We snakken naar adem van achter onze mondkapjes. We kijken elkaar wantrouwend aan en houden afstand, want het gevaar is overal. In het begin van dit jaar, de lockdown nog niet voorzien, kwamen we bijeen. Wij, behartigers en beschermers van kunst en cultuur, spraken in een ons-kent-ons-setting over inclusie. Een conferentie georganiseerd door het LKCA. Ik leidde vanuit een onderzoeksproject bij ArtEZ een gesprek over verbinding, over ‘die ander’ en waarom het toch zo lastig is om ons werkelijk te verplaatsen in de groep waar we niet toe behoren maar wel iets mee willen. Over hoe goede bedoelingen niet per se het gewenste effect hebben. Maar vooral spraken we over de kunsten als oplossing. De verbeelding als middel om door privileges en filterbubbels heen te breken en vanuit een oprechte interesse verbinding te maken.

Nu musea weer bijna sluiten en subsidiestromen opdrogen, terwijl een gesprekje met een onbekende in de trein niet meer bestaat, zijn we hier verder van verwijderd dan ooit. We kruipen in schulpen en vertrouwde bubbels. Misschien hebben we juist nu, in onze worsteling met de tragische willekeur van het leven, de kracht van verbeelding nodig om opnieuw betekenis te vinden.