Een zin die de laatste tijd nogal vaak geroepen wordt over zeer uiteenlopende onderwerpen. Meestal lach ik er om – het doet me denken aan kleine kinderen die boos met hun voeten op de vloer stampen omdat ze hun zin niet krijgen. Maar ik moet eerlijk bekennen dat ik laatst ook zo’n moment had. . .

Met de komst van covid-19 hebben alle digitale mogelijkheden een vlucht genomen. Binnen no-time waren allerlei culturele instellingen, scholen en bedrijven overgestapt naar digitaal (thuis)werken. Een ontwikkeling die ik toejuich: ik kan meer en makkelijker overleggen met mijn collega’s en ervaar dit als een positieve boost voor de kwaliteit van het onderwijs. Maar er zitten ook nadelen aan deze snelle omschakeling. Bijvoorbeeld op het gebied van privacy en digitale veiligheid. Een aantal gevallen van hacks en ransomware attacks bij hogescholen en universiteiten kwamen aan het licht – wat doe je dan als organisatie? Heel goed dus dat de overheid vindt dat onderwijsinstellingen alles op alles moeten zetten om gegevens veilig te houden en hier respectvol mee om te gaan. Maar wat als een instelling de mogelijkheden om met veilige software te werken niet faciliteert? Zijn de docenten dan aansprakelijk voor het delen van informatie op een ‘onveilige’ manier? En hoe zit het met collega’s die nooit opgeleid zijn om met deze digitalisering om te gaan? Wat mag er wel, waar ligt de grens, en wanneer schieten we door in dit krampachtige beveiligen waarbij we de kern uit het oog verliezen?

Veel van mijn collega’s hebben weinig kennis van ICT, hebben er moeite mee of weten überhaupt niet wat de mogelijkheden (en gevaren) zijn. Gevolg is dat er via de ‘ouderwetse’ manier toch beoordelingen en ‘gevoelige informatie’ worden gedeeld via wegen waar cybercriminelen waarschijnlijk zo de data op kunnen halen.

Een aantal dagen geleden maakte ik zo’n situatie mee. In de eindsprint van dit zeer bewogen academisch jaar was er een dappere ziel die een poging wilde wagen om nog iets van overleg te voeren via de mail over een aantal studenten. Deze poging werd direct afgekapt – want het delen van informatie op deze manier was echt ‘not done’. Vervolgens was er over en weer wat toelichting, werden excuses gemaakt en ging de wind weer liggen.

Een paar dagen later werd opnieuw een poging gedaan een overleg in te plannen voor een voortgangsbespreking – om een soort warme overdracht te doen en een stand van zaken op te maken. Maar ook deze poging werd direct afgekapt – het was absoluut niet de bedoeling dat wij als docenten het over de studenten en hun voortgang zouden hebben. Dat was toch al wel duidelijk geworden? En daar waren ze, mijn stampvoeten op de grond: ‘Er mag ook helemaal niets meer!’