Afgelopen maanden woedde er een stevig debat over machtsmisbruik in de kunsten en het kunstonderwijs. Eind oktober berichtte NRC Handelsblad over de vele slachtoffers van de Nederlandse kunstenaar Julian Andeweg. In reactie daarop werden via het anonieme Instagramaccount Calloutdutchartinstitutions talloze verhalen gedeeld over seksisme, racisme en machtsmisbruik op verschillende kunstacademies. In november zond de NTR een documentaire uit over de voormalig studieleider van de Amsterdamse Toneelschool die in 2015 werd beschuldigd van grensoverschrijdend gedrag en machtsmisbruik.
Er is al veel geschreven over het klimaat in het kunstonderwijs dat excessen mogelijk maakt. Docenten wijzen op structuren binnen veel onderwijsinstellingen die een competitieve cultuur veroorzaken, van informele aanstellingsprocedures tot vele flexcontracten. Judith Boessen wijst terecht op weeffouten in het kunstonderwijs en hardnekkige archetypen zoals de ‘echte kunstenaar’. In navolging daarvan wil ik stilstaan bij enkele problematische opvattingen die verandering in de weg staan.

Autonomie kunstenaar
Allereerst is daar de romantische notie van de kunstenaar als onaangepast genie. En direct daarmee verbonden: de notie van de autonomie van de kunstenaar. NRC-columnist Frits Abrahams schrijft over de zaak Andeweg: ‘Hoe verwerpelijk zijn gedrag ook geweest kan zijn, het moet worden gescheiden van zijn verdienste als kunstenaar. Als gedrag en kunst onder één noemer worden gebracht, is het einde zoek.’ Een dergelijke resolute scheiding tussen werk en kunstenaar miskent echter dat Andewegs imago als bad boy juist bepalend was voor zijn succes en werd gecultiveerd door docenten, curatoren en critici.

Normalisering gedrag
In het kunstonderwijs wordt hufterig gedrag helaas soms goedgepraat als een lesje realisme: ‘als je niet tegen een stootje kunt, ga je het niet redden in dit werkveld’. Maar door dergelijk gedrag te vergoelijken, normaliseren we een giftige werkcultuur. Het is niet normaal dat een regisseur tegen zijn spelers begint te schreeuwen als de premièredatum nadert. Het is niet normaal dat een galeriehouder jonge kunstenaressen flirterige sms’jes stuurt. Als we in het onderwijs dergelijk gedrag reproduceren houden we deze cultuur in stand.

Zelfbeeld
Een ander probleem is dat sommige kunstdocenten zichzelf primair zien als kunstenaar, ook in hun onderwijspraktijk. Begrijp me niet verkeerd, de kunstenaar-docent heeft een hybride praktijk en beide polen kunnen elkaar goed aanvullen. Maar het wordt problematisch als een docent zijn rol als pedagoog miskent en de machtsrelatie veronachtzaamt die inherent is aan iedere onderwijspraktijk.

Vertrouwen
Deelgenoot zijn van iemands artistieke werkproces is per definitie intiem. Dat vraagt om wederzijds vertrouwen. Er zijn dan ook stemmen die waarschuwen voor nadelige effecten van gedragscodes in het kunstonderwijs. Wanneer docenten zich te zeer geremd voelen, kan dat de wankele vertrouwensbasis tussen docent en student eveneens schaden. Dat zal ik niet ontkennen. Maar we moeten allereerst erkennen dat de heersende werkcultuur op veel academies machtsmisbruik in de hand werkt. Als het om dat te doorbreken nodig is dat sommige docenten zich de komende periode overbewust worden van hun eigen handelen, is dat een prijs die we bereid moeten zijn te betalen.