(Situatie waar we (nog) niet zijn.)

Ik kan niet slapen. Er wordt té fanatiek geademd binnen een straal van dertig centimeter, de maan is fel en mijn hoofd wil simpelweg niet zwijgen. Ik voorzie mijn gezicht en hoofdkussen van een blauwe gloed en scrol door mijn ‘opgeslagen items’. ‘Waarom moet kunst altijd gerechtvaardigd worden en heeft ze alleen maar recht van bestaan vanwege een vaag en onbewezen maatschappelijk nut?’, spuugt Marcel Möring eind september in een artikel van De Groene Amsterdammer. Het is zaterdag, 03:05 en ik lees verder.

Bij het ontbijt zit ik tegenover iemand die wat roekeloos met een klein vorkje in een dampend kopje zit te scheppen. ‘Er dobbert een fruitvlieg in’, zegt hij. Voor zover ik weet lust dat soort gekrioel geen koffie, maar ik laat hem in de vliegenwaan. Ik denk terug aan de nacht en vraag: ‘Vind jij dat kunst nut moet hebben?’ Hij tikt met zijn vingers op tafel. ‘Weet ik niet. Ik heb in ieder geval wel liever een boterham in mijn buik dan alleen een Van Gogh aan de muur.’ Het uitblijven van inhoudelijke argumenten doet mij besluiten deze discussie in mijn hoofd verder uit te spelen. Ik leun naar achteren en kijk naar buiten.

Je hebt ‘erge mensen’ en ‘nóg ergere mensen’. Tot de laatste categorie behoren volgens Möring de figuren die een pleidooi houden voor de kunsten omdat we er zoveel aan hebben. Omdat we er als samenleving beter van worden. Omdat kunst ons leert over de condition humaine, enzovoort. Het gevaar ligt op de loer dat we kunst geforceerd proberen te rechtvaardigen met allerlei vooraf gestelde uitwerkingen die dan vaak ook niet bewezen of kunst eigen zijn. In Nederland lijkt waarde te worden bepaald door het nut. Terwijl ik met mijn voet tegen de poten van de stoel tik, vraag ik me af of ik misschien óók een ‘erg mens’ ben. Want is het erg wanneer we alle ‘nuttige uitwerkingen’ van de kunsten gewoon laten staan en we de punten vervangen door komma’s? Is het waanzin om te denken dat een groot struikelblok binnen het discours over de betekenis van kunst onze hang naar controle en meetbaarheid betreft? Is het van de zotte te stellen dat kunst per definitie een instrument is, maar dat je het niet van tevoren moet influisteren wat het voor je moet spelen? Is het idioot om te denken dat we de kunsten binnen instituten kunnen uitnodigen zonder haar betekenis vooraf te bepalen? Ben ik onnozel door te denken dat de kunsten voor zichzelf kunnen spreken?
‘Alles is onzeker’, zoemt er door mijn hoofd. Onzekerheid is toch razend interessant? Onzekerheid is toch net zo mens eigen als een hartslag? Het is toch super spannend om niet altijd (meteen) te weten?

Kunnen we het eens proberen? Kunnen we eens zien hoe dat werkt, dobberen? Zoeken, vinden en kwijtraken? Is het gestoord om te denken dat juist dát nu super nuttig zou zijn in een maatschappij waarin veel lijkt te draaien om politiek en economie, over snel en efficiënt, over kwaliteit en meetbaarheid?

Ik zoom uit en kijk weer naar mijn tafelpartner. Naast zijn kopje ligt een levenloos stipje in een plasje beige. Dus toch…
‘Ik weet het ook nog niet’, zeg ik uiteindelijk ‘we zien wel.’ Het blijft stil aan de andere kant.
Ik spoel de koffie door de gootsteen, jaag de vliegen weg en loop de deur uit, de trappen af naar buiten. Het weer is onstuimig.