Over mistige buien en toetertrauma’s

De auto voor mij staat stil. Ook als het groen wordt. Mijn les begint over 45 minuten en ik wil per se nog naar de supermarkt. Mijn ogen dwalen alvast naar de plek waar ik moet zijn. Twee  zwartgeklede Michelinmannetjes leunen tegen een muurtje op de parkeerplaats; tieners. Gewatteerde jassen, witte earpods (de geamputeerde variant van de klassieke ‘oortjes’) en blote enkels. Wanneer ik het parkeerterrein oprijd, dwarrelt er eentje onverwachts voor mijn auto. Geschrokken druk ik hard op de claxon. Ze bukken allebei en kijken even door de vooruit naar binnen. Lichtelijk aangebrand besluit ik te doen alsof ik alleen op de wereld ben. Ik stap uit, draai de auto op slot en loop richting de ingang. Door mijn oortjes (de variant mét draad) hoor ik: ‘Mevrouw! HALLO? Mevrouw!’, dat langzaam overstemd wordt door mijn interne klaagzang. Ze gaan nu vast de spiegel eraf breken of nog erger, ze zetten zeker zo’n sneue kras op de deuren. Ja, dát gaan ze doen!
Eenmaal binnen pakken de wolken zich nóg verder samen. Zíe je wel! Iedereen is zuur geworden! Mezelf incluis. De maatregelen gaan nu écht hun tol eisen, dendert er door mijn hoofd terwijl ik door de supermarkt sjees. Mijn wereldbeeld lijkt sinds een paar weken niet helemaal meer te kloppen. Het denken in mogelijkheden, dat normaal mijn brandstof is, lijkt wel vervlogen. Alsof de tankdop er niet goed op zit. Misschien voelen mijn studenten precies hetzelfde als ze naar de pixelvariant van hun klasgenoten staren. Ze lijken zo nu en dan af te dwalen naar een schemergebied waarin ik ze niet meer kan bereiken. Op volle kracht betrokken zijn, lukt even niet meer.
Ik zwiep mijn tas op mijn rug en koers weer richting parkeerplaats. Ze staan er nog. Wanneer ik hun blikken probeer te mijden en alvast de schade wil incasseren, stapt er eentje op mij af: ‘Mevrouw? Had u het niet door ofzo? Sjóngejongejonge, u blies me zojuist bíjna uit mijn schoenen met dat getoeter!’ Ik kijk op en zie een guitig hoofd met een glimmende beugel op een rijtje wit ivoor. De laatste restjes pubertijd zitten nog net verstopt achter zijn sjaal. Mijn interne cumuluswolken maken plaats voor wat sluierbewolking en na een kort gesprek over toetertrauma’s rijd ik lachend de parkeerplaats af.
Terwijl ik wacht op de klas en naar de digitale variant van mezelf staar, bedenk ik me hoe belangrijk het eigenlijk is dat we met elkaar in contact blijven. Online en offline. Op de parkeerplaats en in de klas. Maar bovenal hoop ik dat het ons allemaal lukt om ruimte te bewaren voor de kleine verrassingen die kunnen ontstaan in ontmoetingen. En mocht daar écht even geen plek meer voor zijn: ‘Do remember that they can’t cancel spring!’ (Hockney, 2021)

Lucienne Bax