Vanuit de frustratie dat cultuuronderwijs vaak ondergesneeuwd raakt, vroeg ik me in een eerdere blog af welke principes we hebben in het cultuuronderwijs. Ik hoopte hiermee mijn frustratie van me af te schrijven. Het is echter dieper onder mijn huid gaan zitten.

Meer en meer kom ik erachter dat die principes niet over goed cultuuronderwijs gaan. Het gaat over goed onderwijs. Of eigenlijk gaat het over de opdracht die wij als volwassenen hebben in de ontwikkeling van jonge mensen.

Onze huidige minister Dijkgraaf (OCW) stelde ooit in een lezing dat het: niet zozeer de kunst is om de aan knop te vinden, maar om van de uit knop af te blijven. Dat is knap lastig als het systeem gebaseerd is op wantrouwen. Taal- en rekenontwikkeling wordt al vanaf kleuterleeftijd gemonitord en getoetst. De regeldruk is doorgeslagen in het krampachtig vastleggen van elke ‘poep en scheet’, zeker wanneer een kind niet aan de gestelde norm voldoet.

Nu ik een zoon heb in de kleuterleeftijd zijn de oudergesprekken onderdeel geworden van de communicatie met de school. Hoe speels en ongedwongen taal en rekenen ook worden aangeboden, ik probeer er scherp op te zijn dat die gesprekken daar niet alleen over gaan.
Ik wil vooral dat de leerkracht mijn kind ziet: wat het kan, waar zijn fascinaties liggen, waar hij doorzettingsvermogen toont, wat zijn eigenheid is.

Voor cultuuronderwijs blijkt het lastig om te toetsen en te beoordelen. Zeker in een systeem dat draait op vastleggen, verantwoorden en verdedigen. Checklijsten, protocollen en vinklijstjes houden het wantrouwen in stand. Voor cultuuronderwijs is iets anders fundamenteel: vertrouwen geven. Daarvoor is het nodig dat volwassenen echt kijken naar de eigenheid van kinderen en jongeren. En als je het toch wilt monitoren, maak dan geen vinklijstje maar een vonklijstje.

Cover #6

 

Eva Blaak De Systeemkasten-collectie / Hokjes (2022) Karton, kraftape, latex en papier