Creativiteit wordt vaak gezien als een generieke vaardigheid, belangrijk voor leerlingen met het oog op de snel veranderende samenleving. Uit onderzoek blijkt echter dat creativiteit zich alleen ontwikkelt als er een goede kennisbasis is in een specifiek domein. Wat betekenen deze uitkomsten voor creativiteitsontwikkeling in het vak muziek?

‘Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’. Deze slogan uit 1989 was bedoeld om (jonge) vrouwen te stimuleren een goede opleiding te volgen, zodat ze makkelijker een baan zouden krijgen en economisch onafhankelijk konden zijn. Inmiddels heeft deze overheidscampagne zijn uitwerking gehad en dient zich een nieuw probleem aan.
Terwijl in de jaren tachtig de maatschappij redelijk overzichtelijk was en niet zo snel veranderde, moeten we jongeren nu voorbereiden op banen die nog niet bestaan. De Sociaal-Economische Raad zegt daarover: ‘Om duurzaam inzetbaar te zijn en te blijven op de dynamische arbeidsmarkt van de toekomst, zullen mensen snel en flexibel moeten kunnen reageren […] De opkomst van informatie- en communicatietechnologie (ICT) zal een grote impact hebben op onze huidige kennissamenleving. Het gevolg daarvan is dat leerlingen en studenten om zich optimaal voor te kunnen bereiden op de arbeidsmarkt van de toekomst moderne, generieke vaardigheden zullen moeten aanleren’ (SER, 2014). Deze generieke vaardigheden zijn verzameld in het model van SLO en Kennisnet met zijn elf 21ste-eeuwse vaardigheden (2016), waarin naast onder andere kritisch denken en mediawijsheid ook creatief denken een plaats heeft.

 

Rammelend model

Hoewel velen de elf 21ste-eeuwse vaardigheden breed omarmen, rammelt het model volgens anderen aan alle kanten. Meester, Bergsen en Kirschner (2017) spreken zelfs van holle retoriek en proberen die in hun artikelen bloot te leggen. Zo is een deel van de vaardigheden niet specifiek 21ste-eeuws. Beethoven kon kritisch en creatief denken, beschikte over de nodige dosis zelfregulering en had een groot probleemoplossend vermogen waar het zijn almaar toenemende doofheid betrof. Zonder deze vaardigheden, die nu als 21ste-eeuws worden bestempeld, was hij nooit zo’n grote, vernieuwende componist geweest. Creativiteit is bovendien geen vaardigheid, maar een karaktereigenschap. Runco (2007) destilleerde uit een aantal onderzoeken naar creativiteit twaalf persoonlijkheidskenmerken: onafhankelijkheid en autonomie, flexibiliteit, een voorkeur voor complexiteit, openstaan voor nieuwe ervaringen, sensitiviteit, playfulness, om kunnen gaan met ambiguïteit, risico’s durven nemen (durven experimenteren), intrinsieke motivatie, psychologische androgynie, self-efficacy, een brede interesse hebben en nieuwsgierig zijn. Deze kenmerken zijn deels aangeboren, maar kunnen ook ontwikkeld worden.

 

“Een werkelijk creatieve oplossing komt niet uit het niets, maar is gebaseerd op uitgebreide kennis in een specifiek domein”

 

Tenslotte is creativiteit niet generiek, maar domeinspecifiek. Wetenschappers vragen zich zelfs af of er überhaupt transfer van creativiteit naar andere domeinen mogelijk is. Daar komt bij dat een werkelijk creatieve oplossing niet uit het niets komt, maar gebaseerd is op uitgebreide kennis in een, specifiek, domein. Hans Zimmers creatieve composities op het gebied van filmmuziek lijken onuitputtelijk – hij beschikt dan ook over een enorme muzikale kennis – maar bij het vormgeven van een website zou zijn creativiteit vermoedelijk te wensen over laten. Zonder gedegen kennis over webdesign, CMS en html is het onmogelijk om een creatieve website te maken, ook al ben je nog zo creatief op andere terreinen.
Creativiteit is dus niet specifiek 21ste-eeuws, geen vaardigheid en domeinspecifiek. Wat betekent dat voor creativiteit in het muziekonderwijs?

 

Muzikale creativiteit uitgewerkt

In 2016 beschreef SLO in het Leerplankader kunstzinnige oriëntatie een aantal lesvoorbeelden voor het basisonderwijs. Hoewel bij de verantwoording van de leerlijnen wordt gerefereerd aan de 21ste-eeuwse vaardigheden, is er ook veel aandacht voor domeinspecifieke kennis, zelfs bij die voor de allerjongsten. Het eerste lesvoorbeeld voor groep 1 en 2 gaat over Muziek in het Muizenhuis en is gebaseerd op een prentenboek. In het muizenhuis kunnen de kinderen zingen over muizen, luisteren naar (trompet)muziek, dansen op verschillende soorten muziek, muziek maken op muziekinstrumenten en eenvoudige vormen van picturale muzieknotatie zingen en spelen. Elk lesvoorbeeld bestaat uit vier vaste onderdelen: oriënteren, onderzoeken, uitvoeren en evalueren.
Voordat de leerlingen hun muzikale creativiteit de vrije loop kunnen laten, wordt in de oriëntatiefase een liedje ingestudeerd, de trompet behandeld, de begrippen snel en langzaam besproken en verschillende vormen van dansen doorgenomen. In de onderzoeksfase beluisteren de kinderen eerst verschillende muziekfragmenten, waarna ze een keuze maken en zelf een dans bedenken op muziek. Dan volgt een presentatie op het podium en tot slot bespreekt de leerkracht in welke vormen is gedanst en hoe iedereen het vond om dit te doen. In dit voorbeeld wordt een beroep gedaan op allerlei vaardigheden waar muzikale creativiteit door gestimuleerd kan worden.

 

Conclusie

De retoriek van de 21ste-eeuwse vaardigheden klinkt sterk door in het onderwijs. Dit leidt tot het misverstand dat creativiteit een generieke vaardigheid is en bovendien tot een overwaardering van die vaardigheden ten opzichte van kennis. Specifieke kennis over een bepaald domein is een voorwaarde om in datzelfde domein creatief te zijn. Je oriënteren op muzikale aspecten en die vervolgens onderzoeken, dat zijn in het muziekonderwijs de toegangspoorten tot ware creativiteit.

Meer Informatie