Hoe bereidt de Hogeschool van Amsterdam (HvA) haar pabostudenten voor om kunstlessen te kunnen geven? Welke bagage krijgen ze? Hoe ‘kunstbekwaam’ voelen ze zich daarmee? Ik sprak hierover met derdejaarsstudenten Rozemarijn Boon, Joëlle de Groot en Melanie Minten.

Op de HvA krijgen studenten vanaf het eerste jaar les in dans, drama, beeldende vorming en muziek. Die lessen, per week tweeënhalf uur, vinden plaats gedurende een periode van zes weken. Dans en drama wordt als een combinatievak gegeven, waarbij de eerste helft van de periode (drie lessen) in het teken van dans staat en de tweede helft in dat  van drama. Beeldende vorming en muziek worden apart aangeboden. In het derde jaar kiezen studenten voor verdieping in één van de vier. Hun praktijkervaring doen de studenten op tijdens stages. In het eerste en tweede jaar wordt er per kunstvak één les  aan leerlingen op een stageschool gegeven, in het derde jaar is dat een korte lessenserie van drie lessen.

 

Toveren met kleuters

‘Ik had een doos meegenomen en daar zat een stokje in en ik vertelde de kinderen dat het een toverstaf was, en dat ik daarmee kon toveren. Zo veranderde ik iedereen in een kikker. De kinderen deden vervolgens alsof ze kikkers waren.’ Rozemarijn gaf tijdens haar stage een les drama aan kleuters. Melanie maakte een combinatie met dans: ‘de kinderen zaten in een kring en ik gaf dan losse bewegingsopdrachtjes zoals: nu dans je als een olifant of kruip je als een muis.’

De lessen van de twee pabostudenten passen binnen het leerplankader kunstzinnige oriëntatie primair onderwijs van SLO. Spelvaardigheden en theatraliteit worden in deze leerlijn verbonden met de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. Bij de jongste groepen ligt de nadruk op fysiek en non-verbaal spel. Leerlingen beelden uit of bootsen na: ‘nu ben je een kikker’. Verbaal spel en het combineren van spelgegevens, zoals wie, wat en waar, komen in de hogere klassen van de basisschool aan bod.

Zo maakte Rozemarijn een lessenserie drama voor groep 8. Ze kreeg van de opleiding de opdracht om een tekst te kiezen (een boek, gedicht of liedtekst) en daar een solo van tien minuten voor te maken. Ze koos een sprookje en presenteerde haar performance voor haar stageklas. In de daaropvolgende lessen werden er sprookjes gelezen door de leerlingen, werden er tableaus gemaakt en werden de verhalen omgezet in scènes. Leerlingen die wilden, mochten hun eindproduct presenteren voor de klas.

 

Affiniteit in plaats van bekwaam

Als ik vraag hoe de kunstlessen er op de pabo uitzien, zegt Joëlle lachend: ‘we hebben als dansende regendruppeltjes rondgesprongen.’ Melanie legt me uit dat je bij dans en drama als student in de rol van het kind wordt geplaatst. ‘Dat is aan de ene kant fijn omdat je weet wat voor soort oefeningen je met kinderen kunt doen, maar aan de andere kant mis ik wel kennis over de didactische aanpak’, zegt Joëlle. Bij de lessen beeldende vorming moeten de studenten juist vorm geven aan eigen ideeën en voorkeuren. Rozemarijn miste daar weer de koppeling met haar eigen lespraktijk. Bij muziek zijn er kinderliedjes gezongen en is er, vinden ze, iets meer aandacht besteed aan muziekdidactiek: voorzingen, regel voor regel, eerst neuriën en dan zingen.

 

Voelen ze zich nu ook bekwaam om muzieklessen te geven? ‘Nee’, zeggen ze alle drie stellig. Zelfvertrouwen ontbreekt, maar ook de kennis en ervaring. Joëlle denkt dat er tien procent of minder van de tijd op de pabo besteed wordt aan de kunstvakken. De drie voelen zich daarom het meest bekwaam in de kunstvakken die ze in de bovenbouw van de middelbare school hebben gehad. Rozemarijn en Melanie hebben eindexamen havo gedaan in (kunst-)drama en hebben met dit vak ook de meeste affiniteit. Joëlle heeft in haar derde jaar pabo voor beeldende vorming gekozen, het kunstvak waar zij zich het meest ‘bekwaam’ in voelt. Ze had een lessenserie ontworpen op het thema Reis mee! van de Kinderboekenweek. De tekenopdracht luidde: als je overal naar toe zou kunnen, waar zou je dan naartoe gaan? Door tijdgebrek kon alleen de eindopdracht van de lessenserie worden uitgevoerd. Ook dat is de realiteit, laten de drie studentes weten. Als pabostudent loop je één of twee dagen stage. Daarin moet niet alleen veel gebeuren in de lespraktijk, maar je moet ook anticiperen op de (organisatie-)structuur van de stageschool. ‘Als er een rekentoets gepland staat, kun je als stagiaire het uur daarvoor geen kunstles geven’, zegt Joëlle.

 

Oefening baart kunst

De drie hebben niet voor de pabo gekozen om kunstvakken te geven, maar ze vinden die vakken wel een meerwaarde bieden aan de ontwikkeling van kinderen. Het is daarom ook goed dat ze onderdeel zijn van hun pabo-opleiding. Joëlle: ‘Leerlingen hebben zo veel plezier in kunstzinnige oriëntatie. En soms ontdek je tijden de kunstlessen ook hele nieuwe en verrassende kanten van kinderen’. Rozemarijn: ‘ik denk ook dat het leerlingen meer competent maakt omdat verschillende intelligenties worden getraind.’ (noot redactie: De meervoudige intelligentie theorie is in 1983 geïntroduceerd door de Amerikaanse psycholoog Howard Gardner. Er bestaat echter geen wetenschappelijke consensus dat de verschillende intelligenties daadwerkelijk bestaan).

Hebben de kunstlessen op de pabo hen ook gestimuleerd om zelf kunst te beoefen? Niet per se. Al zou Rozemarijn wel bij een toneelclub willen. En die bekwaamheid? Die komt er vast wel. Straks als ze hun eigen groep hebben; oefening baart kunst. En ervaring komt met de jaren.