DKO: Kunstonderwijs
voor meer dan de happy few

Auteur: Jan Staes | Nel Aerts: Ontmaskerd Maske, Edition of 20, 2017. Foto: © We Document Art, Pressroom MoMu Antwerpen

In Vlaanderen volgen zo’n 200.000 leerlingen in hun vrije tijd wekelijks lessen in muziek, toneel, dans of audiovisuele kunst. Op 168 scholen en op 1.400 plaatsen verspreid over de vijf provincies en Brussel worden daar voor hen lessen aangeboden, die gegeven worden door meer dan 6.000 gespecialiseerde kunstvakdocenten. Wat verklaart het succes van dit Deeltijds Kunstonderwijs (DKO) en bij welk publiek?

Stel, je wilt animatiefilms leren maken, drummen of toneel spelen. Je komt uit een gezin waar je kunst niet met de paplepel ingegoten kreeg, veel extra geld is er ook niet. Een kwaliteitsvolle kunstenopleiding volgen in de vrije tijd lijkt dan veraf. Je betaalt voor individuele wekelijkse lessen toch al snel een paar honderd euro?
In Vlaanderen kun je je vanaf 6 jaar voor minder dan 70 euro (volwassenen 300 euro) per jaar bij het DKO inschrijven. Voor minder dan de prijs van een cinematicket krijg je hiervoor minimaal 2 uur les per week. Individueel en/of in groep, overdag, ’s avonds of in het weekend. Het DKO biedt een betaalbaar en kwaliteitsvol aanbod in de kunsten, bereikbaar voor iedereen.

Wijkgerichte samenwerking
Door de schaalgrootte en het uitgebreide aanbod in kunstdisciplines en thema’s bereikt het DKO wat het voor ogen heeft; een ruime doorsnede van de bevolking, jong en oud, in de vrije tijd. Ondanks dat het merendeel van de leerlingen nog steeds uit de gekende socio-economische klasse afkomstig is lijkt de laatste jaren een meer diverse groep kinderen en jongeren haar weg te hebben gevonden naar dit kunstonderwijs. Tal van DKO-academies zetten hier ook bewust op in, door wijkgericht samen te werken met onder andere het reguliere onderwijs, jongerenorganisaties, buurthuizen en culturele centra. Onderzoek van het DKO (2019) wijst uit dat de afstand van thuis naar de academie en het goed aansluiten van lestijden een doorslaggevende factor is om je al dan niet in te schrijven en les te blijven volgen in een academie.
Ook projecten zoals A’REA 2020 in Antwerpen-Kiel, waarin leerlingen aansluitend op hun lesdag DKO volgen, bevestigen dit. En heb je het thuis niet breed, dan bieden tal van sociale voordeeltarieven en maatregelen je de mogelijkheid toch in te stromen. Een aanpak die naast bewuste keuzes van lokale directies en partners ook veel overheidsmiddelen vraagt. Maar eentje die ook werkt.

Pro’s en contra’s
Het democratische karakter van het DKO toont zich ook in zijn doelen. Natuurlijk is de eerste doelstelling de leerling op te leiden tot een actief kunstbeoefenaar op zijn of haar niveau, maar ook tot kunst- en cultuurparticipant via lessen over kunst en kunsthistorie, vergelijkbaar met een schoolvak als Kunst Algemeen. In het DKO krijgt elke cursist zo een basis theoretische kunstkennis mee, ook al wilde hij of zij enkel een instrument leren spelen. Er is voorts aandacht voor samenwerking met het verenigingsleven, waarbij de academie een partner is voor amateurkunsten, maar ook voor kunstzinnige buurtwerkingen of kunsteducatieve organisaties voor kinderen, jongeren en volwassenen. Tot slot kan het DKO voor velen een vooropleiding zijn voor het kunstsecundair of het hoger kunstonderwijs.

Is er ook een keerzijde? Zeker. Deeltijds Kunstonderwijs speelt zich af in de vrije tijd, maar is wel degelijk onderwijs. Tijdens schoolvakanties zijn er geen lessen, de onderwijsinspectie controleert, docenten moeten voldoen aan minimum diploma-eisen en lessen en lesstructuren staan op voorhand vast. Snel inspelen op veranderende artistieke disciplines of trends en het werven van nieuwe, jonge docenten of van kunstenaars die hun vak beheersen, het zijn enkele voorbeelden van wat niet altijd mogelijk is. Het DKO werd in het verleden dan ook meer dan eens verweten ‘oubollig’ en ‘uit de tijd’ te zijn. Gelukkig bieden recente regelgevingen meer slagkracht en verandert ook de publieke perceptie.

Kunstig competent
Onderwijs betekent ook evalueren. Het DKO kent eigen leerplannen met minimumeisen waaraan elke leerling moet voldoen om te kunnen slagen. Het rigide vasthouden aan deze minimumeisen zorgde in het verleden voor veel kritiek. Het DKO was teveel ‘school’ en te weinig ‘kunst’, het zou demotiveren, de strenge evaluatienormen zorgden voor veel (vroegtijdige) afhakers. Waar was het plezier voor de leerling, de motivatie, het vrijetijdsgevoel? Toch moest zelfs de grootste criticus toegeven dat een kunstopleiding kennis en vaardigheid vraagt om je verder te kunnen ontwikkelen en dat evaluatie een didactisch-pedagogisch instrument is.
Het salomonsoordeel kwam in de vorm van Kunstig competent. Deze onderwijsbenadering beoogt de omslag te maken naar een competentiegerichte, brede artistieke wijze van lesgeven, leren en evalueren. De leerling bekwaamt zich als performer, vakman, onderzoeker naar zijn of haar unieke ik. Elk vraagt kennis, vaardigheid en attitudes die niet cijfermatig worden beoordeeld, nee, de leerling krijgt uitvoerige feedback; leren wordt zo op een positieve manier gestimuleerd. Er wordt al veel gewerkt de methode, die stilaan ook zijn weg vindt naar het reguliere basis- en voortgezet onderwijs.

Tot slot
Het DKO evolueerde van een vrijetijdsbesteding voor de happy-few naar artistiek vrijetijdsonderwijs, en dat wordt door menig buurland benijd. Het is niet de perfecte formule, maar toont wel hoe visie, bewuste keuzes, financiële ondersteuning en een gedegen docentenopleiding een verschil kunnen maken.

Jan Staes is studieleider van de Master Kunsteducatie Fontys, Tilburg en  docent en onderzoeker aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen.

Rel Feest voor het oog Het vergeten examendomein Digitale muziektoepassingen