Voor Hendrik van Gelder, directeur van het Haags Gemeentemuseum van 1912 tot 1941, waren rondleidingen hulpmiddel bij uitstek om kunst te leren waarderen. Ze vormden de start van de latere educatieve diensten in musea. Van Gelders voorbeeld was overigens kunsthistoricus en pedagoog Alfred Lichtwark (1852-1914), die de kloof tussen zijn Hamburgs museum en de ‘gewone’ burger ook zo wilde overbruggen.
Jan Ligthart hervormde – eind 19e eeuw – zijn school in de Haagse Schilderswijk. Het moest een gemeenschap worden, met docenten die niet beter waren dan hun leerlingen, maar louter meer ervaring hadden. En die kennis niet in aparte vakken, maar concentrisch onderwezen.

Maar… hoe geef je kunstgeschiedenis?

Na de invoering van de examens kunstbeschouwing/kunstgeschiedenis was het de vraag wat kunstbeschouwing nu eigenlijk behelsde en: hoe moest je het geven? De angel zat, kort gezegd, in de idee dat een teveel aan historische kennis een belemmering zou vormen voor het pure kijken, het zou maar ballast zijn. Herbert van Rheeden stelde – eind jaren zeventig – voor in het vwo met een thema te werken. Geen feiten, gebeurtenissen en stijlen, maar vanuit methodische vragen met beeldbeschrijving als noodzakelijke eerste stap.

Heden begrijpelijker als je het verleden (her)kent

Welke inhouden bieden we, welke leerlingen, met welk doel aan? Het blijft ons bezighouden. Het helpt om, zoekend naar een richtinggevende weg, tussen het werk van voorgangers een verwante geest te vinden.
Het heden is begrijpelijker als je het verleden (her)kent. Dat loopt bij elke nieuwe stap die wordt gezet, als een schaduw mee. En daar gaat dit themanummer over.