Waarom wordt het einde van de roman aangekondigd? Hoe kan het dat literaire fictie al meer dan twee eeuwen geschreven en gelezen wordt? En is er nog plaats voor de roman in de digitale wereld?

Er gaan veelvuldig stemmen op dat literatuur in de 21ste eeuw in verval is geraakt. Twee argumenten worden ter onderbouwing hiervan gegeven: jongeren lezen minder en complexe fictie wordt niet meer gewaardeerd. De neergang van leesinteresse onder jongeren wordt inderdaad bevestigd in de nieuwste Pisa studie (december 2019), waaruit blijkt dat bijna de helft van de Nederlandse vijftienjarigen het lezen van een boek tijdverspilling vindt. Als oorzaken worden genoemd: sluiting van bibliotheken, meer kinderen die thuis geen Nederlands spreken, en het gebruik van de mobiele telefoon. Sociale media verstoren de concentratie die nodig is voor het lezen van een boek.

Het argument dat de complexe fictionele roman niet meer wordt gewaardeerd is minder overtuigend. William Self, Brits criticus en schrijver, stelde weliswaar in the Guardian (2014): ‘The novel is dead (this time it’s for real)’, maar kreeg behalve bijval ook veel kritiek. Onder meer van Peter Boxall, die in The Value of the Novel (2015) benadrukt dat literaire fictie waarde heeft, namelijk als het vermogen een ruimte te openen in de geest van de lezer, waarin men zich kan herkennen in en ook onttrekken aan het collectieve. In die ruimte, die haaks staat op de hyper-connectiviteit van de digitale wereld, biedt literatuur mogelijkheden tot reflectie, verbeelding en het creëren van leegte.

Je zou deze twee argumenten onmiddellijk samen willen brengen – als het zo is dat leerlingen te weinig lezen, waarom leren we hen dan niet dat lezen reflectie en verbeelding stimuleert en een lege ruimte biedt in een context die zo overvol is van contacten en netwerken? Waarom bieden we literatuur niet aan als tegenkracht, uitvlucht, stimulans van het denken?

 

Technologie en social media
Tussen hen die beweren dat de literatuur dood is, en anderen die erop wijzen dat dit al vaker is gezegd terwijl de roman als zodanig nog steeds bestaat en wordt uitgegeven, bevinden zich literatuuronderzoekers die aangeven dat de literatuur en schrijverschap veranderen en meebewegen in de wereld van nieuwe technologie en sociale media. Zo wijst Inge van de Ven in Big Books in Times of Big Data (2019) op het verschijnen van monumentale roman series, waarin de lezer wordt overladen met informatie, met verhaallijnen die kriskras door elkaar heenlopen, en waarin begin en einde van de vertelling verstrooid raken. Dergelijke romans, denk aan Robert Balano’s 2666 (2004) of aan Karl Ove Knausgård’s Mijn Strijd (2009-11), sluiten aan op de fenomenen van connectiviteit en netwerken, data-overmacht en algoritmisering die we in de digitale wereld zien gebeuren. Deze literatuur reageert op wat we om ons heen zien. Fascinerend is dat juist boeken als die van Knausgård – meer dan 3500 pagina’s – bestseller zijn in de hele Westerse wereld.

Een andere onderzoeker, Sander Bax, beweert in De Literatuur draait door: De schrijver in het media tijdperk (2019) dat literatuur niet in verval is, maar dat schrijvers bewust anders omgaan met het schrijverschap en de status van de fictionele roman dan voorheen. Waar vroeger het aura van de auteur en de autonomie van de tekst werden benadrukt, vindt literatuur nu plaats in een mediacontext, waarin auteurs en uitgeverijen bewust werken aan de constructie van een persona, een auteursmythe, die in en met de roman bevestigd wordt. De Franse schrijver Michel Houellebecq is hiervan een treffend voorbeeld: zijn personages zijn veelal alter-ego’s van de auteur, terwijl de schrijver zich in interviews profileert als een vervreemdend romankarakter.

 

Scenario’s
Dat er in de digitale wereld waarin wij leven nog steeds een relevante plaats is voor literatuur, en dat schrijvers een belangwekkende rol kunnen hebben in de hedendaagse publieke ruimte, ligt ook – wat mij betreft vooral – in het vermogen van de literaire tekst scenario’s uit te beelden die kennis kunnen opleveren van de plaats en tijd waarin wij leven. Scenario’s zijn voorstellingen of verbeelde representaties van een wereld zoals die geweest is of zou kunnen zijn. Scenario’s zetten, als zij geslaagd zijn, de lezers aan het denken. Zij leveren kennis op over een mogelijke wereld, mogelijke ervaringen. Ik leg dit uit aan de hand van Tommy Wieringa’s Dit zijn de namen (2012).

Dit zijn de namen is een allegorische roman over enkele personages die een tocht maken in een uitgestrekt landschap. Er is een groep van zeven vagebonden, die reizen naar het westen zonder te weten waar zij precies naar toe gaan. Ze lopen en ademen. De leegte van het landschap en de relaties tussen de afzonderlijke individuen bewerkstelligen een indruk van verlorenheid. Toeval bracht de groep bij elkaar maar niemand voelt zich echt verantwoordelijk voor de ander. Uiteindelijk bereikt men de stad, waar de bewoners afkeer en fascinatie voelen, waar de nieuwkomers weer een naam krijgen en een identiteit. Een politieagent komt erachter dat de groep eigenlijk voor niets op de vlucht is geweest, dat de grens die zij zich inbeeldden niet bestond. Er werd een tocht afgelegd die onnodig was maar misschien uiteindelijk een hoopvol inzicht bood.

Dit is wat literatuur kan doen: er wordt een scenario gecreëerd, een voorstelling die raakvlakken heeft met de wereld waarin wij leven en die ons aan het denken zet, omdat we op afstand worden gezet van de dagelijkse realiteit. Het scenario is realistisch, maar niet de werkelijkheid. En juist daardoor worden de empathie en morele opvattingen van de lezer aangesproken. Dit is niet zomaar een fictionele roman, dit is een (utopische of dystopische) voorstelling met esthetische, politieke en sociale implicaties waartoe je je als lezer moet verhouden.

De hedendaagse literatuur biedt veel van deze scenario’s, denk aan Philip Roth’s The Plot Against America (2004) als een alternatieve 20e-eeuwse geschiedenis van de Vereinigde Staten; John Lanchester, The Wall (2019), over een muur die om het Britse koninkrijk wordt opgetrokken; Ian McEwan, Machines like me (2019), waarin een robot kiest voor een humane dood; of Léonora Miano, Rouge impératrice (2019), dat een toekomstig Afrika als een ‘Etats-Unis d’Afrique’ oproept waar mensen uit het oude Europe naar toe vluchten.

 

Publieke ruimte
Deze scenaristische romans laten zien dat literatuur nog steeds een functie heeft in de publieke ruimte omdat zij via verbeelding aan het denken zet. Publieke ruimte betekent, om met filosoof Habermas te spreken, dat er een maatschappelijke sfeer is waarin gediscussieerd wordt over politieke en sociale kwesties. De publieke ruimte is een metafoor voor ‘overleg in een democratie’, en tegelijkertijd is het ook een werkelijke ruimte: het parlement, een debat-podium, een schoolklas waar mensen met elkaar spreken over opvattingen en standpunten. Ook het internet is een publieke ruimte, waarin heel veel mogelijkheden zijn elkaar aan te spreken en in dialoog te gaan. De komst van het internet heeft de publieke ruimte vergroot en gefragmenteerd: er zijn zoveel meningen die op het scherm langskomen dat het soms lastig is uit te maken welke je wilt aanhoren en welke onzinnig zijn, terwijl we tegelijkertijd in groepjes (de zogenoemde ‘filter bubbles’) ingedeeld worden door algoritmes die ons gedrag oppikken en doorsturen.

Het internet is als een aantal bijenkasten die geplaatst zijn in de grote schuur van de ‘publieke ruimte’: binnen de oorspronkelijke ruimte is heel veel meer activiteit ontstaan, er zijn veel meer deel-debatten, meningen, confrontaties en rond zoemende ideeën. Toch hebben bijen ook ruimte nodig, en nectar en stuifmeel. Af en toe moeten zij de schuur uit om nieuwe energie op te doen. Ik stel me de literatuur voor als een ‘buiten de schuur’ – daar waar nieuwe voedselrijke, levensbepalende ideeën zijn te halen.

Odile Heynders is hoogleraar Vergelijkende Literatuurwetenschap en voorzitter van het Departement Cultuur Studies van de Universiteit van Tilburg.