Over de kracht van verbeelding schreef ik vorige week een brief 
aan vriend G. Hij is oud-leraar Nederlands en groot liefhebber 
van poëzie. Sinds enkele weken is hij ongeneeslijk ziek. 

 

‘Je bent oud G., je verleden draait overuren. 
Wat gebeurt daarmee als je er niet meer bent?   

 

Verdriet is een taaie kraai en uiteindelijk is altijd alles voor niets, 
dat weet jij ook. We leren zwemmen in een vacuüm, zonder te weten 
waar te gaan. Juist als je de slag te pakken hebt, valt het droog, 
spartel je wat om jezelf naar nieuw water te wringen en blijken 
kieuwen zinloze instrumenten.  

 

Maar, lieve G., waar te beginnen te midden van deze worsteling? 
Poëzie is noodhulp, grondwerk met een vergezicht, een hartritmeprikkelaar. 
Dat heb je jouw leerlingen altijd voorgehouden. 

 

Laat gedichten de grofste leugen zijn die elk als absolute waarheid 
klinken, lavadrank die binnenduwt als kruiend kristal, tranend schepijs 
op een zonovergoten terras aan een iconisch plein tijdens een eindeloze 
zomervakantie.  

 

Sluit mij kort, dompel warme strofen in de fijnste rag van letters 
om telkens opnieuw te mogen geloven in klein ondeelbaar geluk. 
Verblind met sprankelend spervuur, sla raadselachtige zwarte gaten, 
kanonslag van kussende confetti, eindigend in altijd winterlicht.’ 

 

X    M. 

 Maarten van den Berg 

 

 

 

Meer Informatie