In het Nederlands onderwijs worden de kunstvakken van oudsher apart aangeboden. Er is in de afgelopen jaren echter steeds meer aandacht gekomen voor verbreding en integratie. Edulabs, makersonderwijs en projecten over digitale geletterdheid vragen om een meer inter- of zelfs transdisicplinaire aanpak. Wat betekent dit voor de opleidingen? En wat winnen of verliezen de kunstvakken met deze ontwikkelingen?

Kunstzone nodigde twee kenners uit een aantal vragen te beantwoorden over de relatie tussen mono-, multi-, inter- en transdisciplinariteit en het kunstvakonderwijs. Jappe Groenendijk is studieleider van de master Kunsteducatie van de AHK en docent kunstfilosofie. Groenendijk is tevens co-auteur van de lesmethoden Bespiegeling Kunsten in samenhang (2016) en Contrast CKV havo/vwo (2017). Jan Staes is studieleider van de master Kunsteducatie aan Fontys Hogeschool voor de Kunsten. Daarnaast is hij als docent verbonden aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen.

 

Laten we beginnen met een begripsdefinitie. Wat verstaan jullie onder mono-, multi-, inter- en transdisciplinariteit?

Groenendijk: Het voorvoegsel mono komt van het Griekse mónos en betekent ‘één’ of ‘alleen’. Een monodisciplinaire kunstenaar werkt dus binnen de grenzen van zijn eigen discipline, denk aan een schilder of muzikant. Ook op veel scholen worden de kunstvakken monodisciplinair aangeboden. Multi is het Latijnse voorvoegsel voor ‘veel’. Een multidisciplinaire kunstenaar is dus iemand die verschillende kunstdisciplines naast elkaar beoefent. Filmregisseur David Lynch maakt bijvoorbeeld ook schilderijen. Ook wanneer kunstenaars uit verschillende disciplines samenwerken, maar ieder binnen zijn eigen discipline, spreken we van multidisciplinaire kunst. Denk bijvoorbeeld aan een schoolvoorstelling waarin theater, muziek en decorontwerp samenkomen.
Inter, ook uit het Latijn, wil zeggen: ‘tussen’. Bij interdisciplinaire kunst is er sprake van een uitwisseling of versmelting van disciplines. Dit geldt voor kunstenaars die werken vanuit meerdere disciplines tegelijk en voor kunstenaars die samenwerken en daarbij van elkaars discipline gebruikmaken. Zoals in de voorstelling Speak Up! van dansgezelschap BackBone en muziektheaterhuis Silbersee. Daarin staan hiphopdansers en klassiek geschoolde zangers samen op het toneel en gebruiken alle performers zowel hun lichaam als hun stem als instrument. Bij zulke samenwerkingen vervagen de grenzen tussen de afzonderlijke disciplines, waardoor iets nieuws kan ontstaan.
Trans, ook een Latijns voorvoegsel, wil zeggen: ‘voorbij’ of ‘aan de andere zijde’. Bij transdisicplinaire projecten werken kunstenaars samen met experts uit andere vakgebieden. Daarbij worden de verschillende expertises zodanig met elkaar verweven dat nog moeilijk is vast te stellen in welke mate er sprake is van kunst, wetenschap of beleid. Ook op scholen zie je een toenemende interesse voor transdisciplinair, vakoverstijgend onderwijs, denk aan projecten op het snijvlak van kunsteducatie en techniek- of bètavakken.

 Staes: Je kunt deze begrippen ook bekijken vanuit de finaliteit (het doel, red.) dat je wil bereiken. Het is best mogelijk dat je met één kunstuiting start, bijvoorbeeld beweging/dans, maar dat je al snel merkt dat door de beweging, het ritme van je lichaam maar ook de fysieke inspanning die je maakt, er geluid ontstaat. Het geluid wordt als het ware een klankband, het maakt deel uit van je compositie.
Het mono, zoals Jappe dit omschrijft, krijgt een tweede monodisciplinariteit naast zich. De taak van de docent kan er dan in bestaan om de leerling hiervan bewust te maken. Laat ik beide monologen naast elkaar bestaan of maak ik er een dialoog van? Het geluid dat je misschien onbewust maakte bij je beweging, is dan een motor en een inspiratiebron die een volgende beweging in gang zet. Beide worden één creatief geheel. De verschillen tussen beweging en geluid maken het geheel ook rijker: ze dagen je uit om iets vanuit een ander perspectief, een ander zintuig, een ander idee te bekijken. Dat bewust maken van het andere is voor mij ook een van de kernen van educatie: het leren ontdekken en betekenis geven, om dan keuzes te kunnen maken of je er iets mee doet of niet. Het is ook de keuze die je maakt bij ‘disciplinariteit’. Mono, inter, multi… het ene is niet beter dan het andere. Het gaat erom te bepalen wat voor jou of voor de leerling, op dat ogenblik betekenisvol, uitdagend, waardevol is.

 

Kunstvakdocenten zijn in hun lerarenopleiding veelal monodisciplinair geschoold. De master Kunsteducatie heeft een ander karakter. Hoe mono-, multi-, inter-, en transdisciplinair zien de kunstvakopleidingen er nu en in de toekomst uit?

Groenendijk: de masters Kunsteducatie zijn bewust interdisciplinair opgezet. Sommige studenten starten met een specifieke leervraag over vakintegratie, maakonderwijs of critical making. Anderen hebben nog weinig ervaring met het samenwerken met andere disciplines. Aan de AHK vormen onze studenten in het eerste studiejaar interdisciplinaire ontwerpcollectieven en ontwerpen samen een lessenserie. In het tweede jaar ontwikkelen ze in duo’s een kunsteducatief project en daarbij kiezen zij zelf vaak bewust voor een partner uit een andere discipline met een aanvullende expertise. Omdat samenwerking in de opleiding belangrijk is, dienen studenten zich te verhouden tot de kennis en ervaring die de ander inbrengt. Daarbij is het steeds de uitdaging om de verschillen productief te maken. Door je in de ander te verplaatsen, een actieve vertaalslag te maken of op zoek te gaan naar het gemeenschappelijke, leer je niet alleen over (de discipline van) de ander, maar leer je ook je eigen discipline beter kennen. 

Staes: Bij Fontys gaan onze studenten het komend academiejaar ook samenwerkingen aan met studenten uit wetenschapsvakken en ICT. Door die werelden en domeinen met elkaar te verbinden, ontstaan er nieuwe kansen en mogelijk inzichten voor beiden. Ik denk dat we als masters Kunsteducatie hier in de toekomst nog meer mogelijkheden zullen uitwerken.

 

Wat levert een meer multi- en interdisciplinair werkveld op voor de hedendaagse én toekomstige kunstvakprofessional?

 Groenendijk: Veel hedendaagse kunst laat zich al lang niet meer vangen binnen de grenzen van een discipline en onder kunstenaars zien we een toenemende hybridisering van de beroepspraktijk. Als het kunstonderwijs wil blijven aansluiten bij het werkveld mag het deze ontwikkelingen niet negeren. Daarnaast is interdisciplinaire samenwerking een belangrijke manier om de eigen artistieke praktijk te vernieuwen.
Het Nederlandse kunstonderwijs is al vooruitstrevend, met interdisciplinaire vakken als CKV en Kunst Algemeen. Daarnaast zie je in het onderwijs een toenemende behoefte aan de ontwikkeling van 21ste– eeuwse vaardigheden. In vakoverstijgende projecten leren leerlingen nadenken over complexe problemen, waarvoor zij vanuit verschillende expertises moeten samenwerken, net zoals dat in de toekomstige maatschappij het geval zal zijn. Zo leren leerlingen op een betekenisvolle manier creatief denken, problemen oplossen, kritisch denken en samenwerken.

 

En wat breekt een meer multi- en interdisciplinair werkveld af?

 Groenendijk: Volgens kunstsocioloog Pascal Gielen behoort de term interdisciplinair – naast ‘netwerk’, ‘ondernemerschap’, ‘projectmatig’ en ‘onderzoek’ – tot de top vijf van de meest versleten woorden waarmee kunstopleidingen vandaag om studenten concurreren. Dat de term nogal eens instrumenteel wordt gebruikt, is juist. Verder hoor je soms de angst die wordt uitgesproken dat, als studenten zich te veel verbreden, ze onvoldoende tijd hebben om zich te specialiseren in hun eigen discipline.
Ik ben daar niet zo bang voor. Het is natuurlijk belangrijk dat studenten zich kunnen bekwamen in een discipline en zich de bijbehorende geschiedenis, technieken en attitudes eigen maken. Op dit moment zijn de kunstvakdocentenopleidingen dan ook zo georganiseerd dat studenten in hun bachelor een solide basis leggen in hun vakdiscipline. Na hun afstuderen zijn ze bevoegd en startbekwaam om aan de slag te gaan in het brede kunsteducatieve werkveld. Vervolgens is ruime ervaring of specialisering nodig om ook vakbekwaam te worden; een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor de master Kunsteducatie, Deze masters – er zijn er zeven in Nederland – zijn interdisciplinair opgezet. Dat betekent dat de eigen leervraag van een student centraal staat, maar wel binnen een multidisciplinaire leergemeenschap. Zo biedt deze master zowel verdieping in de eigen discipline als verbreding over de grenzen van die discipline heen.

Staes: Niet kiezen is verliezen. De keuzes die we maken, zowel door de opleidingen als door het werkveld moeten we duidelijk aan kunnen gaan. Het is, zoals Hannah Arendt in The Crisis in Education (1954) reeds beschreef, de taak om de keuzes die je maakt en die gemaakt zijn te verdedigen, zodat anderen hier ook een eigen positie in kunnen nemen. Het ontbreken van de verscheidenheid aan visies en de waarde ontkennen van elke vorm van disciplinariteit, zou een verarming voor sector en opleidingen zijn.

Jappe, jij zei dat er in de kunsten steeds meer sprake is van hybridisering. Weerspiegelen deze ontwikkelingen zich al in het kunstonderwijs op scholen in het voortgezet en primair onderwijs?

Groenendijk: Aan de ene kant zie je dat kunstenaars die een maatschappelijke verantwoordelijkheid willen nemen of die sociale verandering willen teweegbrengen, met interesse naar educatie kijken. Dit wordt wel de ‘educational turn’ genoemd: de ontwikkeling dat kunstenaars in toenemende mate educatieve werkwijzen en pedagogische inzichten als artistieke praktijk zijn gaan beschouwen.
Aan de andere kant zie je dat nieuwe ontwikkelingen uit de kunst naar het onderwijs worden vertaald. Denk aan urban interventions, VJing en flashmobs. Of de didactieken ontwerpend leren en design thinking, die afgeleid zijn van het ontwerpproces van designers. En maakonderwijs en onderzoek & ontwerp in het voortgezet onderwijs, waar vakintegratie tussen kunst, techniek en bèta wordt nagestreefd. Dat zijn spannende ontwikkelingen, die geenszins de bestaande kunstvakken overbodig maken, maar wel het kunstonderwijs kunnen verrijken en leerlingen én docenten opnieuw laten nadenken over wat kunst is of kan zijn.

Meer lezen?

 Arendt, H. (1958). The Human Condition. Chicago: University of Chicago Press.

Gielen, P.J.D. (2010). Klein lexicon der disciplinaire copulaties (en onthoudingen). In: Cahier ABV, 3(2), 9-17.

Groenendijk, T, & Heijnen, E. (2018). Transdisicplinaire ontwerplabs. Een ontwerponderzoek naar lesmateriaal op het snijvlak van kunst, wetenschap en technologie. Amsterdam: Lectoraat Kunsteducatie, Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten.