Ze had graag aan de andere kant van het veld de tent opgezet maar manlief ontbijt liever in de zon. Het schuim in haar cappuccino is alweer verworden tot een lichtbruin laagje, geheel opgenomen in de koffie. Haar gezin wil op zoek naar glinsterende stenen in de beek.
In gedachten stopt ze haar vier boeken ongelezen terug in de boekenkast. Ze slikt nog een slok lauwe koffiedrab door haar keel.  

Manlief pakt, onnodig, kompas en zakmes en gaat al voorop terwijl zij de ontbijtresten onderverdeelt in de koeltas dan wel vuilniszak. De camembert kan ook weer weg. Volgend jaar misschien toch elektriciteit en een koelkastje. Een huisje is ook fijn.  

 Ze weet zeker dat manlief niet aan de regenpakken heeft gedacht. Zal zij ze ook gewoon vergeten? Ze verlangt naar een bui die die van haar overspoelt. Zoon en dochter halen wild enthousiast de verzamelde stenen van gister uit de emmers en rennen met de lege emmers naar manlief.  

Ze denkt aan de strijd die gaat komen, de dag voor vertrek: “Iedereen mag maximaal 6 stenen mee naar huis.” Gehuil, manlief die haar vragend aankijkt. Ze weet nu al dat ze dat verliest en denkt aan hun keurig aangelegde tuintje, vier bij acht. In haar hoofd vormt zich het beeld van het onooglijke hoekje, rechts achterin, met de meuk van vorig jaar. De inmiddels kapotte schelpjes en geen glinstering te zien meer, in die stenen.