De Monitor Cultuureducatie primair onderwijs 2018-2019 lijkt op een raamvertelling. De ontwikkelingen in cultuureducatie in het basisonderwijs waarover wordt gerapporteerd, omlijsten de ‘verhalen’ van eerdere monitors over dit onderwerp. Op deze manier krijg je als lezer een extra perspectief op de gegevens. De ‘vertellers’ zijn de directeuren of interne cultuurcoördinatoren die gedurende de jaren de vragenlijsten invulden. Niet steeds dezelfde, overigens. De begeleidende tekst zegt over hen: ‘Alle gerapporteerde gegevens zijn derhalve gebaseerd op de inschatting van deze respondenten’.

Je ziet dat de resultaten regelmatig afhangen van wie de vragenlijst invult; soms zijn directeuren positiever of negatiever over een bepaald onderwerp. Onbetrouwbare vertellers?

Met een themadeel over de pabo ligt het voor de hand om te kijken naar wat zij zeggen over de deskundigheid van de groepsleerkracht op het gebied van kunstonderwijs. Dat is het volgende: ‘Deze deskundigheid is goed op orde bij een ruime meerderheid van de scholen en dan met name op het gebied van tekenen en handvaardigheid, muziek en literatuur. In 2018 en 2019 is de deskundigheid bij enkele vakken beter dan in 2016′.

Raamvertellingen beogen ook de illusie van echtheid of geloofwaardigheid van wat gaat volgen te versterken. De onderzoekers hebben een (overkoepelende) schaal ‘deskundigheid groepsleerkrachten’ opgesteld. Daarmee kijken ze naar de mate waarin groepsleerkrachten vakinhoudelijk deskundig zijn om cultuuronderwijs te geven en of ze vertrouwen hebben in hun vaardigheden. In 2019 wordt ruim de helft van de scholen ingedeeld in niveau A: deze scholen geven aan dat hun groepsleerkrachten vakinhoudelijk niet deskundig genoeg zijn om cultuureducatie goed te verzorgen. Ruim een kwart van de scholen zit in de middelste twee niveaus en zeventien procent van de scholen wordt ingedeeld in het hoogste niveau. Er zijn geen significante verschillen met vorig jaar gevonden’.

Een groot verschil in uitkomsten. Fictionele werelden of onbetrouwbare vertellers? Hoe we als lezers de inconsistenties van de vertellers met elkaar moeten verzoenen om zo een betrouwbaarder perspectief op de vertelde gegevens te krijgen, is niet eenvoudig. De onderzoeksvragen zijn daarvoor te oppervlakkig, ze gaan over feiten, inventarisaties, niet over verklaringen of verbanden. Hoe operationaliseer je ‘goed op orde’ en welke factoren spelen daarbij een rol?

De publicatie, schrijven de auteurs, ‘kan beschouwd worden als een diagnostisch instrument dat ontwikkelingen en verschillen in kaart brengt, maar geen verklaringen geeft voor veranderingen die zichtbaar zijn.’ Dus ondanks een rijke oogst aan onderzoeksgegevens leiden de monitorstudies niet tot meer verklaringen over de werking van het beleid voor cultuureducatie in het basisonderwijs.

Onderzoek naar cultuureducatie in het primair onderwijs zal aan verklarings- én verbeeldingskracht winnen wanneer bijvoorbeeld  de term ‘vakinhoudelijk niet deskundig’ vertaald wordt in leerkrachtgedrag en -kenmerken. Vraag leerkrachten en studenten vervolgens te vertellen hoe en waarom dat zich wel of niet manifesteert in hun beroepspraktijk. Wat twintig (of meer) leerkrachten over hun lesgeven zeggen is geen fictie en waarschijnlijk betrouwbaarder dan wat een directeur of cultuurcoördinator over hen zegt.

Marjo