Onlangs stuitte ik op een ranking van de beste onderwijssystemen ter wereld en tot mijn vreugde prijkt Nederland op de negende plaats. Vandaar die grote toeloop van buitenlandse studenten, dacht ik nog. Verder lezend verging me het lachen: ‘The low investments, weak planning and management in the high school education, have put Netherlanders on 9th in the ranking. Despite a strong child education structures, the country isn’t delivering much good in the overall ratings’ (World’s Top 20 Educated Countries, 2018). Waar Nederlandse docenten dus steunen en kreunen over de toegenomen regeldruk, zien de landen om ons heen vooral een zwakke planning en dito toezicht.

 

De pta’s vormen blijkbaar een struikelblok voor veel kunstvakdocenten. Volgens Arjen van Prooijen, docent tekenen en CKV, is de examensystematiek niet toegesneden op het specifieke karakter van de kunsten. Er wordt immers weinig rekening gehouden met creativiteitsontwikkeling van leerlingen en men gebruikt – noodgedwongen – toetsen en registratiesystemen die geen recht doen aan artistieke leerprocessen. Dat wringt.
Het beoordelingsproces van de beeldende vakken tijdens het CPE laat zien dat een persoonlijk leertraject, met verschillende uitkomsten, prima beoordeeld kan worden. Ondanks de breed gedragen constatering dat onderwijs niet gebaat is bij overmatige administratieve verantwoording, zijn de overheid en directies echter nog niet toe aan een voor de hand liggend alternatief. Eenvoudigweg docenten professionele ruimte bieden op basis van hun pedagogische en vakinhoudelijke deskundigheid.

“Scholen voor voortgezet onderwijs hebben last van regeldruk, zo blijkt uit de enquête die redacteur Michel Berendsen onder vakgenoten hield, ondanks het feit dat het ministerie al sinds 2014 aan het ontregelen is”

De veel geraadpleegde ranking-lijstjes in de Keuzegids Hbo en op sites zoals School op de kaart geven maar een half beeld. Leo Capel waarschuwt in zijn artikel voor een te kwantitatieve benadering van kwaliteitszorg in het hbo. Want zaken als slagingspercentages, uitval, contacturen en werkgelegenheidscijfers zijn schijnbaar objectieve indicatoren maar zeggen in feite weinig over de inhoudelijke kwaliteit van onderwijs. Toch dreigen ze (te) bepalend te worden voor de organisatie en structuur van het onderwijs.
Ook scholen voor voortgezet onderwijs hebben last van regeldruk, zo blijkt uit de enquête die redacteur Michel Berendsen onder negenenzestig vakgenoten hield, ondanks het feit dat het ministerie al sinds 2014 aan het ontregelen is. Het gevolg is een papieren werkelijkheid die weinig meer van doen heeft met de onderwijspraktijk. Uitdijende cijferadministraties, steeds terugkerende enquêtes onder leerlingen en studenten en geestdodende formats waarin docenten hun professioneel handelen steeds weer opnieuw moeten vastleggen zijn het gevolg.
Het irriteert en frustreert veel docenten. Wat is de meerwaarde van al die regeltjes eigenlijk, vraagt redacteur Debbie Klarenbeek zich af. Directies leggen dat onvoldoende uit. Al dat toezicht levert namelijk wel degelijk iets op: het aantal (zeer) zwakke scholen is het laatste decennium sterk afgenomen en het accreditatiestelsel in het hbo heeft aantoonbaar geleid tot een kwaliteitsverbetering van het onderwijs. Jammer dat dàt nu niet in een ranking staat.

Judith