3 mrt 2026
5 minuten lezen

Wat betekent revolte voor masterstudenten Kunsteducatie? ‘We willen dé rol van de kunsteducator niet vangen’

Auteurs: Lore Janssens, Sandra de Ridder, Petra van Rompaey, Joan-Ditte Steffers en Emile Tournier | Illustratie: Petra van Rompaey

Studenten van de master Kunsteducatie van Fontys Academy of the Arts verkennen hun kijk op verzet in relatie tot kunsteducatie. Zijn zij medeverantwoordelijk voor het verdedigen van de democratie? Hoe politiek mag je als docent zijn? Op een mooie herfstdag bespreken ze hun ervaringen met protest.

Protest orkest
Het is herfst, 18 graden, en de zon brandt op onze wangen. We zitten op een dikke boomstam. Ons gesprek begint met het delen van onze eigen ervaringen met protesteren. 

Een van ons organiseerde als cultuurcoach verschillende workshops voor kinderen uit groep 7 en 8. De gemeente werkte aan een toekomstvisie en wenste de inbreng van kinderen. Samen met kunstenaars, ambtenaren en een jeugdwerker ontwikkelde ze werkvormen waarin kunst kinderen ruimte bood om te uiten wat er in hen omging. Een van de workshops was het ‘Protest Orkest’ waarin ze onderzochten waar protest in hun lichamen en stemmen zaten. Vervolgens schreven de kinderen op borden waar ze voor en tegen waren. Met die borden gingen ze de straat op. Daarna vormden de protestborden een expositie. 

“Oorlog. Daar zijn die kinderen toch helemaal niet mee bezig?”, mopperde een ambtenaar van de gemeente die de expositie bezocht. “Dat zullen die linkse kunstenaars ze wel hebben ingefluisterd.” Die opmerking deed pijn. Hoe kon die ambtenaar dat denken? Ze waren zo zorgvuldig geweest!  Ze hadden alleen een werkvorm geboden, de inhoud kwam van de kinderen zelf. Maar dat werd plots in twijfel getrokken… 

Wat zegt die niet gewaardeerde zorgvuldigheid over onze visie op kunsteducatie en hoe politiek gekleurd die mag zijn? We wisselen gedachten uit over democratie en de waarde van protest. Het recht om te protesteren is een fundamentele uitdrukking van democratie. En de democratie verdedigen… Zo politiek willen we wel zijn als kunsteducatoren. Maar dat vraagt om verantwoordelijkheid. We herkennen en benoemen een spanningsveld tussen ons verantwoordelijkheidsgevoel, de politieke neutraliteit die doorgaans binnen het onderwijs wordt gevraagd en de gevoeligheid rond polarisatie – en hoe deze door verbeelding juist ook gekanaliseerd kan worden.

Hoop en verbeelding
Een van ons leest Tijd is hoop, een nieuw boek met essays van filosoof Joke Hermsen. In een van de essays haalt ze de filosoof Ernst Bloch aan. Volgens Bloch is er hoop nodig om de democratie te kunnen verdedigen. Als we het nieuwe niet meer kunnen verbeelden, dooft de hoop uit. 

We zijn unaniem, de verbeelding blijven aanspreken is iets waarvoor we ons verantwoordelijk voelen. Net als Bloch houden we onze studenten voor dat ze zelfstandig en kritisch moeten blijven nadenken. En dat ze vooral mogen dagdromen omdat dit de broedplaats van de verbeelding is. We bieden als kunsteducatoren ruimte voor verbeelding, voor expressie, voor het inzetten van kunst als mogelijkheid voor reflectie op maatschappelijke thema’s. 

Voor ons ligt hierin een kern van kunsteducatie. We onderhouden een voedingsbodem voor de hoop. De bodem van waaruit verandering kan blijven ontkiemen. En daarvoor is het nodig grenzen te verkennen, lef tegenover angst te plaatsen en actie tegenover passief toezien.  

Onderstroom of bovenstroom
Maar we zitten als kunsteducatoren in een spanningsveld. In veranderprocessen worden onder- en bovenstromen als metafoor gebruikt. Wij omschrijven de bovenstroom als een zichtbare stroming. De onderstroom is een onzichtbare dynamiek. Een minderheid voelt dat er iets anders nodig of mogelijk is dan wat er in de bovenstroom gebeurt. 

Die onderstroom is noodzakelijk voor (maatschappelijke) verandering: daar ontstaat spanning. En in die spanning bewegen wij ons. We creëren ruimte. Met verbeelding en expressie maken we de weg vrij. Er komt beweging op gang. De onderstroom wil zich zichtbaar maken. Dit kan leiden tot protest, actie of verzet. Soms in het voordeel van het democratische gedachtegoed,  soms in het nadeel. En daar ontstaat opnieuw spanning. Want hoe gaan wij om met niet-democratische onderstromen? 

Het liefst zouden we onze vragen op deze boomstam voorleggen aan de kinderen uit de Protest Orkest workshop. Hun borden samen bevragen. Een vervolgworkshop ontwikkelen vanuit de vraag ‘Wat betekent goed en kwaad en wie bepaalt dat?’

Verzet
In de afronding van ons gesprek draaien we wat om de begrippen heen; revolte, activisme, verzet en opstand. Er zitten nuanceverschillen in de termen die makkelijk door elkaar worden gebruikt. Georganiseerd of spontaan. Vreedzaam of gewapend. Voortkomend uit ideologie of sociaal engagement. Een genuanceerde woordkeuze speelt een rol in het formuleren van antwoorden of ideeën over revolte in het (kunst)onderwijs.

We besluiten dat we dé rol en positionering van de kunsteducator binnen het thema revolte nog niet eenduidig willen vangen. De kunsteducator kan de verbeelding faciliteren. En daarbij soms ontregelaar zijn. Of begrenzer. Maar ook de aanwakkeraar van kritisch en bewust denken. Of de begeleider van expressie. De uitnodiger tot moed. Of de hoeder van hoop. Ons niet laten vangen lijkt ons op dit moment een flinke daad van verzet. 

Dit artikel is een bijdrage van studenten van de Master Kunsteducatie van Fontys Academy of the Arts. Het is geschreven door Lore Janssens, Sandra de Ridder, Petra van Rompaey (illustratie), Joan-Ditte Steffers en Emile Tournier.