Gisteren gaf ik een inleiding op een LKCA-bijeenkomst voor pabodocenten. Aanleiding hiervoor was de constatering in mijn proefschrift dat leerkrachten zich vaak niet deskundig genoeg vinden om les in de kunstvakken te geven. Dit geldt met name voor muziek-, drama- en dansonderwijs. Omdat ik me afvroeg hoe dat komt, begon ik na mijn promotie met vervolgonderzoek naar het beleid voor cultuuronderwijs op de pabo’s.

Om het belang van cultuuronderwijs op de 41 pabo’s in Nederland te achterhalen heb ik ze allemaal gevraagd naar documenten waarin ik kan zien wanneer studenten cultuuronderwijs krijgen en wat ze daarvoor moeten doen. Het leverde een wirwar van onderwijsprogramma’s op met daarin de vakken op zich – tekenen, handvaardigheid, muziek, drama en dans -, een vakoverstijgende aanpak met kunstzinnige oriëntatie, cultuureducatie of cultuuronderwijs én een nadruk op leren in de praktijk.
In de eerste helft van de opleiding zijn de kunstvakken verplicht en worden ze meestal apart gegeven; in de hogere jaren gaat het vaak om keuzevakken en dan veeleer in samenhang. Muziek krijgt de meeste aandacht, waarschijnlijk door de bijzondere subsidieregeling daarvoor van het Rijk, via het Fonds voor Cultuurparticipatie, én het Muziekopleidersakkoord, met daarin een langdurige samenwerking tussen pabo’s en conservatoria.
De bijeenkomst van gisteren spitste zich toe op manieren waarop pabo’s hun studenten voorbereiden op de verschillende rollen van de leerkracht voor het cultuuronderwijs. Het idee overheerst dat de groepsleerkracht een kunstvakdocent moet zijn die systematisch, samenhangend en leerlinggericht de lessen in de kunstvakken verzorgt. Iemand die bovendien de kunstvakken in andere vakken of leergebieden in kan zetten. En die weet met welke culturele instellingen hij kan en wil samenwerken om bij te dragen aan de culturele ontwikkeling van zijn leerlingen. Kortom een vanuit de visie van de school werkende ‘vak’leerkracht, organisator, coördinator en regisseur van cultuuronderwijsleerprocessen van zijn leerlingen.

Maar is dat niet een beetje veel gevraagd? Verwacht het cultuuronderwijsbeleid met de inzet van extra middelen niet teveel van de groepsleerkracht? Denken kunstvakprofessionals niet al te vaak vanuit hun eigen deskundigheid? Is er dan toch sprake van een doorgeschoten specialistencultuur, te overdadige kennisbases voor alle vier de kunstvakken en een overmaat aan leerplankaders. Maar wat dan? Wat moeten leerkrachten dan wel kunnen en kennen?
Kortom, waartoe leiden de pabo’s hun studenten op als het om cultuuronderwijs gaat? Een belangrijke vraag die gisteren de kern vormde van de discussie.

Cover #6

Leerlingwerk VAVO Rijnmond College (Rotterdam)