Van prullenbak tot inspiratiebron
Afval als beginpunt voor betekenisvol kunstonderwijs
Auteur: Tessa Hesseling | Illustraties: Tessa Hesseling

Van prullenbak tot inspiratiebron
Afval als beginpunt voor betekenisvol kunstonderwijs
Auteur: Tessa Hesseling | Illustraties: Tessa Hesseling

Elke dag verdwijnen ladingen papier, verf en ander materiaal in de vuilnisbak van het kunstlokaal. Dat is niet alleen slecht voor het milieu, maar ook een gemiste kans voor het onderwijs. Op naar een duurzame én creatieve oplossing.
Na een kunstles zit de prullenbak vaak voller dan mijn hoofd na een dag lesgeven. Verfklodders, gescheurde schetsbladen, tissues met penseelstreken – het lijkt vanzelfsprekend om het allemaal weg te gooien. Maar ergens begon dat bij mij te wringen. Waarom vinden we het normaal dat er zoveel materiaal in de vuilnisbak belandt? Wat zegt dat over hoe we naar materialen, en misschien zelfs naar het maakproces, kijken? Voor mijn afstudeeronderzoek als kunsteducator, besloot ik de prullenbak niet langer te negeren, maar er juist in te duiken. Wat als datgene wat we weggooien juist de basis kan zijn voor betekenisvoller, creatiever én duurzamer kunstonderwijs?
Het viel me al eerder op, tijdens mijn stages en mijn werk op een kunstzinnige dagbesteding, dat de prullenbakken overvol raakten. Ik zag leerlingen verf gebruiken alsof er oneindig veel van was: er werd zonder schaamte een toef verf ter grootte van een eidooier gebruikt voor een minuscuul detail. En de rest? Die belandde in de gootsteen of de prullenbak. Mijn collega’s op het Harens Lyceum herkenden dit beeld, maar niemand leek ervan op te kijken.
Hoewel volle prullenbakken onvermijdelijk lijken, bleef de vraag in mijn hoofd hangen: Moet dit echt zo? Of kunnen we anders leren kijken naar wat we nu afval noemen? Deze vraag werd het startpunt voor mijn onderzoek: hoe kun je de waarde van het restmateriaal in de kunstlokalen van het Harens Lyceum vergroten?
Unieke mogelijkheden
De transitie naar een circulaire economie is een steeds groter wordend begrip in de maatschappij. Dit vraagt om een verandering in hoe we omgaan met grondstoffen, producten en materialen. Onderwijs kan hierin een grote rol spelen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat beschouwt circulariteit in het onderwijs zelfs als essentieel voor de transitie naar een duurzame toekomst. Docenten zijn namelijk in staat de nieuwe generatie te inspireren en op te leiden op het gebied van duurzaamheid en circulariteit (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2023). Vooral het kunstonderwijs biedt unieke mogelijkheden om het circulaire denken en handelen te integreren. En dat begint klein, bijvoorbeeld bij de prullenbak in het kunstlokaal.
Het hergebruiken van restmateriaal draagt echter niet alleen bij aan duurzamer, maar ook aan beter kunstonderwijs. Het zet aan tot creatiever denken. Juist beperkingen – zoals het moeten werken met wat er over is – zorgen voor verrassende oplossingen. Dat ontdekte ik niet alleen vanuit mijn eigen praktijk, maar ook in de literatuur hierover. Volgens onderzoekers en educatoren Vanessa Bakhuizen-van ’t Hoogt en Imka Buurke ontstaat een groot deel van het ‘falen’ in de klas doordat leerlingen niet goed weten wat de mogelijkheden en beperkingen van een bepaald materiaal zijn. Ze beginnen met een idee en zoeken daar een materiaal bij, maar missen de materiaalkennis om dat idee goed uit te voeren (Bakhuizen-van ’t Hoogt & Buurke, 2020).
Pedagoog en filosoof Nina Osgard stelt zelfs dat restmateriaal (junk material) een unieke pedagogische kracht heeft. Omdat het al ‘junk’ is, mag het mislukken. Juist dan ontstaat er ruimte voor spel, onderzoek, experiment en verbeelding. Door juist niet te veel waarde te hechten aan het materiaal, leren leerlingen om te gaan met creatieve processen als creëren, veranderen, kapot maken en vanuit daar weer nieuwe concepten bedenken zonder de angst dat het gaat mislukken (Osgard, 2012). Door materialen zonder waarde te gebruiken ontstaat dus juist een meerwaarde voor het leerproces.
Zo veel mogelijk restmateriaal krijgt een tweede leven. Het resultaat? Minder Afval, meer samenwerking en meer bewustwording.
Plastic, houtskool, gipsresten
Om leerlingen anders te laten kijken naar materiaal, is het belangrijk dat ze er een band mee opbouwen. Dat kan door het materiaal en zijn eigenschappen, mogelijkheden en beperkingen te leren kennen, maar ook door inzicht te geven in de herkomst ervan. Wisten ze bijvoorbeeld dat kunstenaars vroeger hun eigen verf maakten van pigmenten uit planten, aarde of mineralen, gemengd met olie of eigeel? Door niet alles direct voor handen te hebben, maar zelf te experimenteren met het maken van materiaal – bijvoorbeeld papier van oud papier, of klei van pulp – ontstaat meer kennis, respect en bewustzijn.
Een voorbeeld van hoe dit in de praktijk werkt, vond ik in België. Bij Kunstacademie Eeklo (KA!) werken docenten en studenten vanuit het project ‘Atelier O’ samen aan het herwaarderen van materiaal. Ze maken er werk van om zo min mogelijk weg te gooien en zo veel mogelijk te hergebruiken. Er zijn ruimtes waar restmateriaal wordt verzameld en waar ze experimenteren met het hergebruiken hiervan in nieuw materiaal. Zo maken ze zeefdrukinkt van houtskoolresten van de modeltekenlessen. Zelfs in de kinderklassen werken ze met plastic restmateriaal. Plastic, houtskool, gipsresten: zo veel mogelijk restmateriaal krijgt een tweede leven. Het resultaat? Minder afval, meer samenwerking en meer bewustwording.
Op KA! Gaan ze nog een stap verder en zoeken voor elk materiaal een biologisch afbreekbaar alternatief, vertelt docent Saar van Buysere aan het Belgische kunsttijdschrift Kunstletters. ‘‘Zo leidt dit project hopelijk tot een andere manier van kijken naar afval. Een mentaliteitswijziging die ervoor zorgt dat in elk atelier afval wordt gescheiden, verwerkt en hergebruikt. Studenten kunnen aan de slag met de nieuwe grondstoffen en er nieuwe creaties, op basis van circulaire materialen, mee maken’’ (Desloovere, 2024). Volgens directeur Roos Lauwaert heeft dit project niet alleen invloed op de hoeveelheid afval – zelfs de vuilnisophaaldienst merkte verschil – maar vooral op de sfeer in de school. Het project zorgt voor een gedeeld doel, waarin zowel leerlingen als docenten zich eigenaar voelen.
Etensresten
Voor mijn onderzoek analyseerde ik een week lang het afval uit twee kunstlokalen van het Harens Lyceum. Karton, gebruikte tissues, verfresten, papieren met schetsen en kopieerpapier dat als palet gebruikt werd waren het meest aanwezig. Ik kan me voorstellen dat ik in een andere week compleet ander afval had kunnen ophalen, zoals klei, verftubes en hout. Wat je tegenkomt in de prullenbak kan natuurlijk per week verschillen. Deze week gaf me echter een duidelijk beeld van de materialen die in het kunstlokaal weggegooid worden. Zo kon ik onderzoeken wat ik daarmee kan doen om de restmaterialen vervolgens meer waarde te geven.
Onder de restmaterialen in de prullenbak waren ook veel etensresten en koffiebekers, ondanks het verzoek deze niet in de prullenbakken voor ‘restmateriaal’ te gooien. Hieruit heb ik de conclusie getrokken dat leerlingen geen onderscheid maken tussen verschillende voorwerpen die in de prullenbak belanden en alles als afval bestempelen.
De term ‘afval’ voelt definitief, als iets zonder toekomst. Maar wat als we het geen afval meer noemen, maar ‘grondstof’ of ‘restmateriaal’? Een verandering in woordkeuze zou een groot effect kunnen hebben op de manier waarop er naar ‘afval’ gekeken wordt (door de jongere generatie). De waarde van deze materialen zou op deze manier al vergroot kunnen worden.
Kleine aanpassingen
Zo’n inspirerend voorbeeld als KA! In Eeklo klinkt misschien ver weg, maar je hoeft natuurlijk niet je hele curriculum te herschrijven om de eerste stappen naar duurzaam kunstonderwijs te zetten. Kleine aanpassingen in het bestaande curriculum, zoals het veranderen van de woordkeuze, maken al een groot verschil. Hierbij nog een aantal tips op een rijtje:
– Kijk samen met leerlingen wat er in de prullenbak zit en bespreek dat.
– Richt een plek in voor restmateriaal. Dit kan een materiaalarchief zijn of een plek waar leerlingen en docenten kunnen experimenteren met restmateriaal.
– Ontwerp een opdracht waarin alleen restmateriaal mag worden gebruikt.
– Laat leerlingen van restmateriaal nieuw materiaal maken, zoals van oud papier nieuw papier of van papier klei.
– Doe het samen – neem leerlingen mee in het experiment.
Verandering begint met bewustwording. En bewustwording ontstaat pas als je het zichtbaar maakt en het groeit als je het deelt. Door afval op te waarderen tot restmateriaal, geef je het een rol in het leerproces. Daarmee verandert niet alleen wat er in de prullenbak belandt, maar ook hoe leerlingen (en wijzelf) denken over maken, materiaal en onderwijs. Want als afval geen einde meer is maar een begin, wordt kunstonderwijs niet alleen duurzamer, maar ook rijker, eerlijker en creatiever.
Dit artikel stond in KZ03/2025.
Ben je benieuwd geworden naar het afstudeeronderzoek, wil je graag sparren over ideeën of werkvormen die het onderwijs verduurzamen of heb je nog vragen? Stuur mij een mail! tessahesseling@hotmail.com
Tessa Hesseling is een vormgever, kunstenaar en kunsteducator uit Groningen. Ze houdt zich voornamelijk bezig met duurzaamheid en het verzamelen van o.a. sinaasappelnetjes. Ook maakt ze illustratief werk over het sullige alledaagse leven.
Bronnen
