Voorbij de cringe: kunstonderwijs als oefenplaats
Auteur: Karmijn van de Oudeweetering | Beeld: Unsplash UL

Voorbij de cringe: kunstonderwijs als oefenplaats
Auteur: Karmijn van de Oudeweetering | Beeld: Unsplash UL

Deze zomer leent Kunstzone haar pen uit aan vijf studenten van Docent Beeldende Kunst en Vormgeving (deeltijd en zij-instroom, WdKA). Zij reflecteren in kritische essays op het kunstonderwijs van vandaag en morgen. Karmijn van de Oudeweetering richt haar blik op het begrip cringe. Ze stelt voor om de kunstles in te richten als oefenplaats waar leerlingen afleren om zichzelf te censureren.
Pubergedrag
Het kan een docent Beeldende Kunst niet vreemd zijn: een klas vol jongeren die zuchten, rollen met hun ogen en theatraal gniffelen wanneer een klasgenoot vol enthousiasme vertelt over diens uitwerking van de huiswerkopdracht. Hoewel het makkelijk is om deze uitingen als ‘pubergedrag’ te bestempelen, kun je dit gedrag volgens neuropsycholoog Jelle Jolles (2017) beter niet zomaar opzij zetten. Want jongeren ervaren in veel van dit soort ‘pubersituaties’ gevoelens en gedachtes die vragen om aandacht en positieve prikkeling.
Ik geloof bovendien dat we rekening moeten houden met wat er op dit moment gaande is in hun leefwereld: welke gedragscodes gelden er onderling, waar zitten de gevoeligheden en welke verwachtingen hebben jongeren van zichzelf en volwassenen? Zeker als kunstdocenten denk ik dat we dan te dealen hebben met een prominent begrip in de internetcultuur: cringe.
Cringe!
Cringe is het Engelse woord om te beschrijven hoe je samentrekt uit (plaatsvervangende) schaamte. Jongeren gebruiken dit woord om aan te geven voor welke situaties zij zich schamen óf waarvan zij denken dat je je zou moeten schamen. ‘Cringe!’ is het nieuwe ‘awkward’ – volgens schrijver Thomas Heerma van Voss (2017) een manier om jouw eigen schaamtevolle actie direct te erkennen, te benoemen en daarmee te neutraliseren.
Student Interdisciplinaire Sociale Wetenschappen Maud Starmeijer (n.d.) merkt op dat het populaire woord leidt tot een grotere mate van zelfcensuur. Je moet immers opletten of jouw oprechte creatieve uiting niet door iemand anders als ‘cringe’ kan worden bestempeld. Vanuit dit hyper-zelfbewustzijn proberen jongeren hun creatieve ideeën vaak niet eens te uiten naar anderen toe, volgens Vietnamees-Amerikaanse dichter Ocean Vuong (Martinez, 2025). Vuong betoogt dat docenten kunnen helpen om voorbij de ‘cringe’ te gaan door een open sfeer zonder oordelen te creëren.
Ik geloof echter dat er meer nodig is. Er moet namelijk wel eerst een mogelijkheid zijn óm iets te proberen, voordat je als docent jouw acceptatie en ontvankelijkheid kan tonen. En de manier waarop het kunstonderwijs is ingericht moedigt het ‘proberen’ niet per se uit, zeker niet in de bovenbouw van het middelbaar onderwijs.
Toetsen en examens
Een van de meest belangrijke mechanismen die de onderwijspraktijk beheerst is het toetsingsapparaat. Om de landelijke eindtermen te behalen dienen docenten een programma op te stellen waarmee alle kennis en vaardigheden vervaardigd én bewezen worden binnen vastgestelde contacturen en schoolexamens. Op deze manier worden leerlingen constant bewust gemaakt van waar anderen verwachten dat zij moeten zijn. De eindstreep bungelt voor hun neus als een continue herinnering aan hun ‘nog-niet-klaar-zijn’. De aandacht van de docent is gericht is op concrete, zichtbare leeruitkomsten.
In mijn ogen is dit niet een grote motivatie voor jongeren om iets te proberen te uiten. De druk om ‘goed’ te scoren binnen het schoolvak Kunst Algemeen kan zeker bijdragen aan de onwelwillendheid om iets nieuws uit te proberen, want wat als dit niet past binnen de kaders van wat er wordt verwacht?
School als oefenplaats
Deze realiteit wil ik graag afzetten tegen het ideaal van een ‘oefenplaats’, zoals Masschelein en Simons (2012) dit beschrijven. De oefenplaats staat volgens hen in contrast met het idee van een school die leerlingen inkadert tot inzetbare, flexibele werknemers en burgers die voldoen aan gevestigde behoeftes. In plaats daarvan waardeert de school als oefenplaats juist de praktijk van het oefenen op zichzelf: simpelweg door verschillende zaken te proberen, de resultaten ervan te evalueren en dit mee te nemen als geoefend persoon wordt de scholier gevormd.
In deze zin lijkt de oefenplaats op de ‘vrijplaats’ zoals onderwijspedagoog Gert Biesta (2023) deze beschrijft. Door afstand te creëren van het productiviteitsdenken van de samenleving, krijgt de scholier ruimte om van alles uit te proberen zonder dat de druk om te presteren of om van dienst te zijn boven het hoofd hangt. En juist daarvan leren scholieren essentiële skills. Een voorbeeld van Biesta (in Pijpers, 2024): door te oefenen met de weerbarstigheid van klei ervaart een scholier van zichzelf dat niet alles mogelijk is. Het maakbaarheidsideaal valt uit elkaar, en het klaslokaal wordt de plek bij uitstek om te leren hoe met problemen en tegenslagen om te gaan zonder consequenties voor de loopbaan.
Het idee van een oefenplaats werd in 2012 ook aangehaald door de Onderwijsraad. Die stelt dat leerlingen op school kunnen oefenen met verschillende vormen van overleg en beraad, om specifieke burgerschapscompetenties te behalen. Maar hier schuilt dus wel een agenda achter met wat de jongeren zouden moeten zijn, aan het einde van hun schoolcarrière. De oefenplaats die ik betoog is daarentegen juist een manier om scholieren te betrekken bij de wereld en hun plek daarin, zonder vooraf opgestelde uitkomsten en competenties (Joris, 2021). Op deze manier kunnen leerlingen nieuwe rollen en uitingen proberen, zonder dat deze beoordeeld worden. Dit is een belangrijke voorwaarde voor proberen zonder schaamte.
Oefenplaats als tegenwicht
We kunnen het gebruik van het woord ‘cringe’ niet uitbannen: scholieren blijven in aanraking komen en beïnvloed worden door wat er op internet gezegd wordt. We kunnen als kunstdocenten ook niet ontsnappen aan eindtermen en de verplichting om een reeks cijfers voor het schoolexamen aan te leveren. Maar we kunnen als docenten in onze lessen wel op zoek naar de ruimtes om te oefenen voorbij de bestaande internettrends, eindtermen en schaamtepatronen.
We kunnen experimenten inzetten die niet getoetst worden, zoals het maken van schetsen en prototypes waarin de eigen expressie naar voren mag komen (van Heusden, 2022). We kunnen weerstand bieden tegen de prestatiedruk van scholieren door hen met humor naar hun eigen werk te laten kijken, en daarmee lucht geven aan de probeersels die zij maken in de les (Habekotté, 2022). Maar vooral: we kunnen hen een ruimte geven waarin ze niet direct te maken hebben met de oordelen van een anoniem internetpubliek (Biesta, 2023). We kunnen de aandacht richten op andere waarden dan populariteit of de acceptatie van anderen binnen het toetsingsapparaat. Kunstonderwijs als oefenplaats mag daarmee best een beetje ‘cringe’ zijn, maar we kunnen ook verder kijken dan dat.
Referenties