De eerste programmaregeling Kunsteducatie voor mbo’ers van Fonds 21 ging in 2018 van start. De regeling gaf culturele instellingen een steuntje in de rug bij het ontwikkelen van kwalitatief hoogstaand kunst- en cultuureducatie-aanbod voor mbo-studenten. Is dit gelukt en wat zijn de uitdagingen bij het verduurzamen? In dit artikel schetsen we een beeld van wat er geleerd is.

Daar staan ze op een rij, de projectleiders van de culturele instellingen. Vooraan de medewerker van Boijmans van Beuningen, de rest erachter. Ze plaatsen hun educatieve mbo-projecten op een denkbeeldige meetlat. Hoe hoger ze scoren, hoe beter het gelukt is om hun project bestendig te maken voor langere tijd. De enige die zichzelf een voldoende geeft is Museum Boijmans van Beuningen: met een bescheiden zeventje. De andere culturele instellingen geven zichzelf nog geen voldoende.

Dit beeld was te zien tijdens de laatste bijeenkomst (november 2018) van de professionele leergemeenschap Kunsteducatie voor mbo’ers. Vijf culturele instellingen die deelnamen aan de programmaregeling van Fonds 21 vormden – samen met het CJP, LKCA en het Rijksmuseum – een leergemeenschap om kennis te delen en ervaringen uit te wisselen. Hoewel de educatieve programma’s hun vorm hebben gekregen, blijft het voor de meeste instellingen moeilijk om ze ook toekomstbestendig te maken.

 Weinig aanvragen

Mbo-studenten: een potentieel interessante doelgroep, maar hoe bereik je ze? Jongeren in het mbo komen in hun dagelijks leven vaak niet of nauwelijks in contact met professionele kunst. Culturele instellingen missen dikwijls de aansluiting met deze groep en de mbo-student voelt zich er meestal niet thuis. Een gemiste kans, omdat kunst bijdraagt aan persoonlijke vorming, creativiteitsontwikkeling en kritische denkvaardigheden bevordert.

Fonds 21 ontving bij zijn reguliere subsidieregelingen relatief weinig aanvragen voor projecten die zich richten op jongeren die een mbo-opleiding volgen. Dit was de aanleiding om in 2018 de programmaregeling Kunsteducatie voor mbo’ers te starten.

Vijf culturele instellingen (zie Kader) werden geselecteerd en ontvingen subsidie om educatieve projecten voor het mbo (door) te ontwikkelen. De leergemeenschap had het doel om samen te leren hoe een duurzame verbinding aan te gaan met het mbo. Er leefden verschillende vragen, zoals: hoe kan ik kunst en cultuur laagdrempelig en tastbaar maken voor mbo-studenten? En: hoe kan ik voorkomen dat het een ‘ver-van-hun-bed-show’ is?

Initiatief bij docenten

Zowel de evaluatie van de projecten als de resultaten van de leergemeenschap leverden waardevolle, kritische succesfactoren op. Om mbo-studenten te bereiken zijn mbo-scholen en docenten een logische eerste ingang, maar hoe kom je binnen en belangrijker nog: hoe blijf je binnen? De eerste stap is om de (regionale) mbo-sector goed te leren kennen. Het is lastig om bij mbo-scholen binnen te komen waar je nog geen contact mee hebt. Bij wie moet je zijn, is er een goede voedingsbodem voor kunst en cultuur?

Voor veel culturele instellingen is het mbo-onderwijs een redelijk nieuw gebied. Ze kennen er de weg nog niet. Dat betekent niet dat ze niet iets kunnen betekenen voor de mbo-opleidingen. Dus als je als docent of opleiding iets wilt met een culturele instelling, stap erop af. Neem zelf het initiatief.

Verdiep je in het mbo

Kunst- en cultuureducatie heeft geen (duidelijke) plek in het curriculum van het mbo. Wel bieden het vak burgerschap en de verplichting om te werken aan kritische denkvaardigheden, aanknopingspunten. Kunst en cultuur is immers een belangrijk onderdeel van onze samenleving; je leert er zaken over jezelf en anderen. Niet alleen een specifiek kunstvak ontbreekt, ook het gebrek aan structurele financiering is een struikelblok. Mbo-scholen hebben geld, maar zijn niet gewend om dit te besteden aan kunst- en cultuureducatie. Zeker niet wanneer dit niet direct (lijkt) bij te dragen aan de opleidingen die ze aanbieden. Het belang van kunst- en cultuureducatie is niet vanzelfsprekend. Reden te meer voor culturele instellingen om zich goed te verdiepen in het mbo-onderwijs en vervolgens met die kennis proberen aan te sluiten bij de beroepsopleidingen.

‘Eén van de belangrijkste dingen is dat we het mbo echt serieus nemen. Eerst deed een medewerker vo het ‘ernaast’, vanaf 2015 is het echt opgezet en zit er een ‘dedicated’ medewerker op deze functie. Dat is te zien aan de groei van het aantal mbo-studenten dat naar ons museum komt’ (Educatiemedewerker mbo, Rijksmuseum).

De culturele instellingen kwamen meestal binnen via enthousiaste docenten, de ‘warme’ ingangen van eerdere projecten. Direct contact met docenten, teamleiders, regionale partijen en netwerken leidt tot nieuwe contacten en samenwerkingsverbanden. Enthousiaste docenten vormen de motor om een project te doen slagen. Het gaat vaak pas ‘rollen’ als er intern een kartrekker is die een warm hart heeft voor kunst en cultuur.

Probeer afspraken officieel vast te leggen op een hoger niveau, bijvoorbeeld in een samenwerkingsovereenkomst, convenant of andere afspraak met het College van Bestuur of teamleiders. Hier ligt ook een rol voor de mbo-docenten, die de ‘weg’ in de opleiding beter kennen dan culturele instellingen.

“De evaluatie van die eerste programmaregeling leerde ons dat het beslist mogelijk is om mooie projecten voor mbo-studenten te maken, projecten die goed aansluiten bij de opleidingen”

 

Wie is die mbo-student?

Om kwalitatief goed educatief aanbod te maken op het terrein van kunst en cultuur moet je aansluiten bij de interesses, houding, belevingswereld en het gedrag van de studenten. Dat is niet eenvoudig. Het Nationale Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) zegt het kort maar krachtig: dé mbo-student bestaat niet. Er is een grote diversiteit onder mbo-studenten, onder andere in type en niveau van de vooropleiding, leeftijd, sociaaleconomische status van de ouders, beheersing van de basisvaardigheden en ambities voor de vervolgloopbaan.

 Tja, grafische vormgeving kan je wel naar een museum laten gaan, maar wat moeten die bouwvakkers daar doen?’ (Studente Media & Vormgeving, ROC van Amsterdam, 19 jaar)

Stem de aanpak af op de kenmerken van de mbo-studenten, dit heeft een positief effect op de leerprestaties en ontwikkeling van studenten. Vergeleken met andere jongeren zijn mbo’ers gericht op doen en resultaat. Ze hebben bewust gekozen voor een praktijkgerichte opleiding. Dit zien ze graag ook terug in de opzet van een culturele activiteit.

 Duurzaamheid

De evaluatie laat zien dat de culturele instellingen graag met docenten willen samenwerken. Deze behoefte is wederzijds; als het lukt om ruimte en tijd voor gezamenlijke reflectie te organiseren, vinden docenten dat heel waardevol. Dit zie je bijvoorbeeld terug in het nieuwe mbo-netwerk dat is ontstaan in Noord-Brabant, waarin docenten van verschillende opleidingen, teamleiders en medewerkers van culturele instellingen samenwerken aan nieuwe vormen van kunst- en cultuureducatie. De deelnemers waarderen deze gezamenlijke reflectie en het samen ontwikkelen van educatief materiaal zeer. Ze willen heel graag dit netwerk voortzetten, maar ook hier is geld en tijd voor nodig.

 Een mbo-instelling is grotendeels vrij om het geld dat ze van de overheid krijgen in te zetten zoals ze wil, zolang het wordt ingezet ten dienste van de kerndoelen. Op dit moment zijn er echter nog bijna geen mbo-opleidingen die een vast deel van het budget besteden aan kunst en cultuur.

Dankzij de subsidie van Fonds 21 konden de pilotprojecten (zeer) goedkoop worden aangeboden. Deze subsidie is echter niet structureel en dat maakt het lastig om die lage prijs te behouden. Een paar euro per student kan al veel zijn en zolang er geen structurele financiële ondersteuning is vanuit de overheid zal dit niet echt veranderen.

 ‘Volgend jaar moeten we weer omhoog met de prijs om het programma in ieder geval kostendekkend aan te kunnen bieden. Als we echt vinden dat kunst- en cultuuronderwijs voor mbo belangrijk is, dan moet daar gewoon budget voor komen (…) Een MBO Card met een tegoed erop lijkt me heel mooi. Ik vrees dat, als dat niet gebeurt, al die mooie projecten die nu van de grond komen over een paar jaar weer verdwijnen.’ (Educatiemedewerker en projectleider Museum Boijmans Van Beuningen)

 Lessen voor de toekomst

Met dank aan Fonds 21 is een mooie start gemaakt. In navolging van de eerste programmaregeling is dan ook een tweede en zelfs derde regeling opengesteld. De animo om mee te doen is groot, uiteindelijk zijn in de tweede ronde veertien culturele instellingen aan de slag gegaan om nieuwe projecten (door) te ontwikkelen.

Mbo-studenten krijgen kunst en cultuur minder vaak mee van hun ouders of hun sociaal netwerk dan hun leeftijdsgenoten in het voortgezet onderwijs. Hun sociale en economische achtergrond zet hen al op achterstand (Van den Broek & Gieles 2018). De projecten laten zien dat culturele instellingen de aansluiting met deze groep wel degelijk kunnen maken en dat, als dat is gelukt, de mbo-student zich er ook thuis kan voelen. Maar om dit te verduurzamen is nog wel een structurele investering nodig van alle partijen. Het gaat dan om geld, tijd en toewijding, zowel van de culturele instellingen als van de mbo-sector.

We hebben van de evaluatie van de eerste programmaregeling geleerd dat het beslist mogelijk is om mooie projecten voor mbo-studenten te maken, projecten die goed aansluiten bij de opleidingen. Docenten zijn enthousiast en her en der ontstaan samenwerkingsverbanden.

Een mooie opsteker is dat Raad voor Cultuur er in zijn recente stelseladvies (2019) op aandringt dat cultuuronderwijs deel gaat uitmaken van het curriculum van mbo’s.

De impuls van Fonds 21 verdient dan ook een duurzaam vervolg en gelukkig past dit in het beleid van de minister; die wil investeren in goed en integraal cultuuronderwijs. In haar brief Uitgangspunten Cultuurbeleid 2021-2024 schrijft minister Van Engelshoven daarover het volgende: ‘Ik zie goede mogelijkheden om cultuur en gelijke kansen te verbinden. De sociale of economische achtergrond van een leerling mag geen belemmering zijn.’

‘Zo’n museum is voor rijke mensen, niet voor iemand van mijn stand.’ (Demi, 17 jaar).

Huub Braam is specialist onderzoek bij het LKCA. Hij was intensief betrokken bij de leergemeenschap en de evaluatie van de programmaregeling van Fonds 21.