Deze zomer leent Kunstzone haar pen uit aan vijf studenten van Docent Beeldende Kunst en Vormgeving (deeltijd en zij-instroom, WdKA). Zij reflecteren in kritische essays op het kunstonderwijs van vandaag en morgen. Diana van Ewijk vraagt zich af: wat als leerlingen niet beoordeeld worden op een verslag voor de docent, maar zines maken voor elkaar?
Buitenbeentje
In de jaren negentig was ik zo’n leerling die net een beetje buiten de boot valt. Een Betuwsch meisje. Op geleende Hondaatjes, in een lange zwarte jurk, met belletjes in mijn haar en dikke eyeliner rond mijn ogen, crosste ik de provincie door. Een beetje grunge. Een beetje gothic. Kind van kleur in een overwegend witte wereld.
Achteraf gezien was ik veel bezig met kunst, maar zo ervaarde ik dat niet. We gingen als gezin nooit naar een museum, de VPRO was verboden. Ik las omdat ik het leuk vond en ik liet vrijwel niemand mijn dramatische schilderijen van oranje aliens met blauwe wereldbollen zien. Alleen zijn was prima. Maar ook wel een beetje eenzaam.
Jongeren en cultuur
Via allerlei omwegen ben ik nu zelf kunstdocent in opleiding. Ik geef Tehatex en CKV. Daar zie ik hetzelfde als bij mezelf vroeger: leerlingen worden wel geraakt door kunst en cultuur, maar hebben moeite om hun betrokkenheid te verwoorden en hun interesses concreet te maken (CJP, YoungWorks, & Motivaction, 2012).
Voor de opdracht ‘cultureel zelfportret’ laat ik leerlingen onderzoeken wat ze aan kunst en cultuur doen, zien en luisteren, en of ze zelf iets maken. Hun antwoorden variëren van “gewoon, muziek” tot “klassieke architectuur”, maar zelden worden makers genoemd. Geen bandjes of festivals. Laat staan schilderijen, theatervoorstellingen of sculpturen. Tegelijkertijd blijkt uit onze gesprekken dat ze wél geraakt worden. Een leerling die game design geen kunst vindt, schreef dat “sommige uitzichten zo mooi zijn dat je er wel wil blijven”. Vier bovenbouwjongens bezochten de Dom van Keulen omdat een van hen orgel speelt. Een leerling uit 5 havo bezoekt het NDSM‑terrein voor street art; ze gaat liever niet naar musea, die zijn ‘te stil’.
Ik wil deze leerlingen woorden geven, hen voorbij hun eerste ‘mooi’ of ‘lelijk’ gidsen. Hen leren om hun mening te onderbouwen, ervaringen te verwoorden, verbanden te leggen en kritisch na te denken over kunst en cultuur in de samenleving. Hen laten zien dat kunst reageert op maatschappelijke ontwikkelingen en dat culturele uitingen verbonden zijn aan tijd, plaats en identiteit. Maar hoe?
Reflectie opdrachten in Word
De adolescentie is een periode waarin jongeren cultuur gebruiken om hun identiteit vorm te geven en om te laten zien bij wie ze willen horen (CJP et al., 2012). Er ís dus wel betrokkenheid, maar het ontbreekt aan een vorm waarin die betrokkenheid zichtbaar en betekenisvol kan worden. Misschien ligt dat ook wel aan de opdracht?
Tot nu toe vraag ik leerlingen om hun ervaringen in een Word-document te beschrijven. Met paginanummers en een inhoudsopgave. Tja. Dat ís ook niet de meest uitnodigende vorm. En al helemaal niet inspirerend om te lezen voor de gemiddelde leerling. Ze schrijven duidelijk voor mij als docent. Daardoor blijft hun taal vaak algemeen.
Maar wat als ze niet alleen voor mij schrijven, maar ook voor elkaar? Jongeren oriënteren zich sterk op hun leeftijdsgenoten; erkenning van peers speelt een belangrijke rol in hoe zij zichzelf positioneren (CJP et al., 2012). Wanneer leerlingen iets maken voor klasgenoten, verschuift de vraag van “Is dit voldoende voor een cijfer?” naar “Is dit relevant voor mijn klasgenoot?”

Zines in de klas
Zines (afgeleid van ‘magazines’) zijn onafhankelijk gepubliceerde ‘boekjes’, ontstaan in Noord-Amerikaanse subculturen. Tijdens de Harlem Renaissance, begin twintigste eeuw, gebruikten zwarte kunstenaars ze om de racistische uitgeverswereld te omzeilen. Ook in de punk- en riot grrrl-cultuur van de jaren ‘80 en ‘90 waren ze alomtegenwoordig (Congdon & Blandy, 2003). Met zines verspreiden makers hun ideeën; zelfgemaakt, kleinschalig, non-commercieel, vaak tegen de heersende norm in en zonder ‘toestemming’ vanuit instituten.
Volgens onderzoeker Silvia Yang (2010) kan het maken van zines jongeren een gevoel van handelingsruimte geven: ze worden aangespoord om hun stem te laten horen omdat ze weten dat leeftijdsgenoten zullen lezen wat ze schrijven. Zines spreken jongeren aan omdat ze kort en krachtig zijn geschreven, in een taal en toon die ze herkennen, en omdat ze visueel aantrekkelijk en hanteerbaar zijn (Buchanan, 2012).
Zines combineren tekst en beeld, handschrift, knip‑ en plakwerk en collage. Het maakproces is traag; het vraagt fysiek handelen en experimenteren (Congdon en Blandy, 2003). Hier raakt zinemaken aan wat scheikundige en filosoof Michael Polanyi (1966) ‘tacit knowing’ noemt: we weten meer dan we kunnen uitleggen. Terwijl leerlingen knippen en herschikken, gebruiken ze kennis die niet volledig in woorden te vatten is. Zo wordt die impliciete kennis zichtbaar: hun keuzes laten zien wat ze belangrijk vinden. Er ontstaat een vorm van ‘schrijven’ waarin je betekenis geeft. Ook als je daar misschien niet de ‘juiste woorden’ voor hebt.
Culturele context
Toch is er één punt om bij stil te staan voordat je zines toepast in de klas: als docent vertegenwoordig je het instituut waartegen dit medium zich ooit keerde. En daar zit een zekere spanning. Wanneer je leerlingen verplicht een zine te maken en die beoordeelt, kan dat wringen – of zelfs onveilig voelen. Zowel literatuur- en mediaprofessor Anne Hays Adkison (2012) als het POC Zine Project (2013) waarschuwen hiervoor: zonder zorgvuldige kaders kan ook dit bevrijdende medium normerend worden.
Plaats zines dus in hun context: niet alleen de punkscene, maar ook de Harlem Renaissance. Maak daarnaast duidelijk dat persoonlijke onthulling niet verplicht is: leerlingen bepalen zelf wat ze wel en niet laten zien. Tot slot: stel samen kwaliteitscriteria op. Door met de klas te onderzoeken wat een zine overtuigend maakt, verschuift het eigenaarschap. De beoordeling wordt geen opgelegde norm, maar een gezamenlijk ontwikkeld kader.
Vanuit die basis kan bijvoorbeeld deze opdracht ontstaan: kies een kunstwerk in de openbare ruimte, verdiep je in de maker en context, en maak een zine waarmee je klasgenoten overtuigt het werk te gaan bekijken. De zines worden gekopieerd en verspreid binnen de school en, waar mogelijk, bij het kunstwerk zelf.

Download hier het minizine over zines.
Auteur, kunstenaar, activist, onderzoeker
Fenomenografisch onderzoek laat zien dat docenten zines op verschillende manieren inzetten (Levy, 2020). Als middel voor auteurschap en zelfexpressie (The Author), als artistiek vormonderzoek (The Artist), als platform voor maatschappelijke betrokkenheid (The Activist) en als alternatief voor het traditionele werkstuk waarin vakinhoud wordt onderzocht en gepresenteerd (The Academic).
In mijn zine-opdracht komen deze rollen samen. Leerlingen verdiepen zich inhoudelijk in een kunstwerk, verzamelen en selecteren informatie, geven hun interpretatie vorm in tekst en beeld, nemen positie in. Dit alles publiceren ze in een aansprekend miniboekje. Zo verschuift de zine van een creatief product naar een oefenruimte voor betekenisgeving en zichtbaarheid. Dat moment van positioneren en delen raakt aan wat Gert Biesta subjectificatie noemt: zichtbaar worden als iemand die zich tot de wereld verhoudt (Eidhof et al, 2021).
Daar ligt voor mij de kern. Kunstonderwijs wordt op deze manier niet alleen een plek waar je leert kijken en waarderen, maar een plek waar je leert verschijnen. Waar je niet alleen zegt wat je hebt gezien, maar laat zien wie jij bent in relatie tot wat je ziet. Misschien ontdekken leerlingen dan – zoals ik dat ooit miste – dat ze niet de enigen zijn.
Bronnen
- Adkison, A. H. (2012). Using zines in the classroom: How to make a single-page booklet zine. College of Staten Island.
- Buchanan, R. (2012). Zines in the classroom: Reading culture. English Journal 102(2):71-77.
- CJP, YoungWorks, & Motivaction. (2012). Cultureel jongerenprofiel. CJP.
- Congdon, K. G., & Blandy, D. (2003). Zinesters in the classroom: Using zines to teach about postmodernism and the communication of ideas. Art Education 56(3): 44-52.
- Eidhof, B., Janssens, M., & Ris, J. (2021). Wereldgericht onderwijzen: Biesta in de praktijk. Rotterdam: NIVOZ.
- Levy, D. (2020). Zine-making as a pedagogical practice: A phenomenographic study of teachers’ experiences. Florida International University.
- POC Zine Project. (2013, June 16). Let’s talk about zines in the classroom: Pros and cons. Geraadpleegd op 14 juli 2026.
- Polanyi, M. (1966). The tacit dimension. New York: Doubleday & Company.
- Yang, K. (2010). Zines in science education: Reclaiming voice in the classroom. Journal of Adolescent & Adult Literacy.
Diana van Ewijk is Useful Art Educator i.o. Ze geeft les op een middelbare school in Rotterdam en werkt met bewoners in Bospolder-Tussendijken. Ze onderzoekt hoe kleine maakvormen, zoals zines, binnen én buiten school kunnen helpen om ervaringen zichtbaar te maken, gesprekken te openen en samen te verbeelden, verbinden en veranderen.